erfgoedobject

Klooster- en scholencomplex zusters ursulinen

bouwkundig element
ID: 86231   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/86231

Juridische gevolgen

Beschrijving

De school en het klooster van de zusters ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver werd opgericht in 1841 onder impuls van pastoor J.B. Verheyden met hulp van zusters uit het klooster van Tildonk. Het park dat onmiddellijk aansluit op de gebouwen is een zeldzame getuige van de park- en groenaanleg binnen het typisch 19de-eeuwse opvoedingsconcept van het meisjespensionaat.

Historiek

Historiek van het gebouwencomplex

Zoals elders werd te Onze-Lieve-Vrouw-Waver - naast een ‘kosteloze’ vrije school voor arme meisjes - een betalende kostschool opgericht om meer financiële armslag te krijgen. Deze vestiging groeide tijdens de tweede helft van de 19de eeuw zeer snel uit tot een toonaangevende onderwijsinrichting met leerlingen uit binnen- en buitenland; onder meer de oprichting van de normaalschool in 1863 verleende de school heel wat prestige en uitstraling.

Het eerste rechthoekig gebouw van 1840-1841 bevond zich ter hoogte van het nog bestaande binnentuintje aan de Bosstraat. Na ingrijpende verbouwingen in 1849-1850 (noordvleugel) en 1853 (zuidvleugel) ontstond een U-vormig geheel met centrale speelplaats aan de straat afgesloten door een muur (zie Popp-kaart) en met als middenvleugel een éénbeukige kapel (eerstesteenlegging op 12 mei 1862).

Door het groeiend aantal religieuzen en leerlingen, onder meer gestimuleerd door de oprichting van een normaalschool (1863-1864), diende de school voortdurend te worden uitgebreid (1868-1869, 1872-1875 en 1887). Ook in de jaren 1890 werden uitbreidings- en verbouwingswerken verricht, onder meer de zijbeuken van de kapel naar ontwerp van architect Henri Meyns in 1892-1893, het bouwen van een pensionaatsvleugel (1894), een nieuwe keuken (1894) met voorplaats (1896-1897), een slaapzaal (1897-1898), een nieuwe muziekgalerij met pianokamertjes (1898-1899) en een nieuw normaalschoolgebouw (1899-1900). In 1900 wordt de wintertuin gebouwd, oorspronkelijk loodrecht op de Bosstraat.

De volgende uitbreidingswerken gebeuren voornamelijk aan de noordwestkant van het domein. Vanaf 1907 werkte de Lierse architect Edward Careels aan het ontwerp van een neogotische kloosterkerk, opgetrokken tussen 1909 en 1912. Tegelijkertijd bouwde men verbindingsgalerijen vanuit de verschillende vleugels en verfraaide men de gebouwen aan de tuinzijde.

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog bestond het instituut uit talrijke vleugels met school-, klooster- en dienstgebouwen geschikt rondom rechthoekige binnenplaatsen met aansluitend park. Eind september 1914 werd het complex, op de kerk na, quasi volledig vernield; herstellingswerken werden uitgevoerd vanaf de volgende maanden en in 1915-1916. De volledige heropbouw werd uitgevoerd vanaf 1919 en in de jaren 1920, naar ontwerp van Edward Careels. Bij deze werken werd de pianogalerij verplaatst en de oriëntatie van de wintertuin gewijzigd. Voor de nieuwe normaalschool voor landbouwhuishoudkundig onderwijs werd in 1923 tussen de modelhoeve, de tuin en het park het academiegebouwtje, de zogenaamde "Villa", verbouwd met cottage-uitzicht en in 1928 en 1936-1939 vergroot door de Aalterse architect en kunstschrijnwerker A. Van den Eynde. De oprichting van nieuwe afdelingen en het succes van de instelling met zowel Nederlands- als Franstalige afdelingen en met opvallend veel buitenlandse studenten, vereiste ook tijdens het interbellum een voortdurende uitbreiding van het architecturale patrimonium.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de gebouwen opnieuw gedeeltelijk zwaar beschadigd bij de gevechten van mei 1940 en door inslaande V1's en V2's in 1944-1945. Na de oorlog werd het onderwijsaanbod verder gedifferentieerd en gestructureerd tot de huidige gemengde, Nederlandstalige schoolgemeenschap met diverse afdelingen. Parallel hiermee werd het gebouwencomplex aangepast aan de nieuwe of veranderende noden; in tegenstelling met vroeger echter gebeurde dit voornamelijk door interne moderniseringen van het reeds bestaande gebouwenvolume en werden onder andere de talrijke vroeger slaapzalen omgevormd tot leslokalen.

Historiek van het domein

Door de sterke industrialisatie van de steden in de 19de eeuw en de aandacht voor moeilijk te onderdrukken en vaak besmettelijke ziektes - zoals tuberculose - werd in de betere pensionaten zeer veel aandacht besteed aan een gezonde en aangename omgeving met de mogelijkheid tot direct contact met een door de mens kunstig ingeperkte en aangelegde natuur. De zusters ursulinen uit Onze-Lieve-Vrouw-Waver waren zich daarvan sterk bewust vanaf de stichting in 1841. Ze beklemtoonden de gezonde landelijke ligging van hun pensionaat, investeerden in de groen- en parkaanleg en de verfraaiing ervan en maakten van deze elementen ook ruim gebruik in hun communicatie naar de ouders toe. Naast het recreatieve gebruik van de groenomgeving werd een niet onbelangrijk deel van het domein uiteraard ook gebruikt als moestuin en fruitboomgaard om zo veel mogelijk in de eigen voedselbehoeften te kunnen voorzien. Zo ontving de congregatie in 1847 niet geheel toevallig, naar aanleiding van het eerste bezoek van Kardinaal Sterckx aan het instituut, van de kardinaal een perelaar als geschenk. De fruitboom werd door pastoor Verheyden en de algemeen overste zelf aan de ingang van de tuin geplant. De peren van deze boom, die in 1864 verdween, werden dan ook jarenlang ‘kardinaalsperen’ genoemd.

Het park kreeg zijn eerste vorm in 1864. Daarbij werd de zogenaamde, nu verdwenen, Sint-Jozefskapel geïntegreerd. Dit was een tumulusachtige structuur die de oorspronkelijke begraafplaats van de congregatie binnen de eigen domeinmuren - in gebruik tussen 1850 en 1878 - markeerde. Vanaf 1887 werd het domein systematisch verrijkt met diverse elementen in rotswerk of gietijzer, waaronder een Lourdesgrot - gebouwd door het huis Blaton-Aubert uit Brussel - en een calvarie gegoten door Van Aerschot in Herentals. Later volgden een openluchtkerststal Bethlehem met een erbij aansluitend maar later geplaatst Nazareth-huisje (beiden in cementrustiek uitgevoerd door de gebroeders Tondeleir uit Antwerpen ), een monumentale overdekte picknickhal uitgevoerd door John Mariën & Zoon uit Heist-op-den-Berg en een gloriette of overdekt tuinprieel.

Rond de eeuwwisseling van 1900 werd het domein ook nog voorzien van een sierlijke muziekkiosk. Het was een geschenk van de bekende Antwerpse aannemer Merckx, die voor het klooster werken had uitgevoerd, ter gelegenheid van een eerste communie (gesloopt omstreeks 1978, net als de voormalige Sint-Jozefskapel/grafheuvel).

Een prachtige kweekserre in een opvallende ijzer- en glasconstructie sierde vanaf circa 1903 eveneens het domein (gesloopt in 1983). Op 29 juni 1911 werd, als gift van al wie aan de bouw van de dan nagenoeg voltooide kloosterkerk meewerkte, een opvallende Sint-Pieterskapel - met koepel in pauselijke tiaravorm - ingehuldigd, gebouwd op het pas verworven perceel ‘Sporkenbos’ aan de Vinkenhofstraat (in november 1978 gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe inrit en parkeerplaatsen).

Het geheel werd nog aangevuld met diverse cementrustieke elementen zoals zitbanken, bloembakken, paddenstoelen, twee kunststenen herten en een Sint-Jozefsbeeld. Hier en daar bevinden zich ook nog gietijzeren elementen - zoals het beeld van een engelbewaarder, hekwerk, poorten, een waterpomp - van gespecialiseerde bedrijven als de befaamde ijzergieterij Van Aerschot uit Herentals en pompenfabrikant Garvens uit Antwerpen. Deze veelheid en uiteenlopendheid van de nog aanwezige 'follies' in rotswerk en andere elementen maakt het domein - ondanks enkele spijtige sloopactiviteiten - zonder meer tot een uniek geheel.

In de jaren tot 1910-1911 werd de globale aanleg sterk verbeterd en verfraaid onder leiding van de Waverse tuinbouwdeskundige Felix Brouwers. In deze periode werd het parkgedeelte verder omgevormd tot een landschappelijk fraaie Engelse tuin met kronkelende paden en twee nog bestaande vijvers, een zwanenvijver met een mooi uitgewerkt houten (eenden)hok (verwijderd, maar nog wel bewaard op de site) en één met een rustiek bruggetje (gesloopt). Op het gras werd toen uiteraard niet gelopen, men flaneerde over de paden, rustte uit in de schaduw bij één van de objecten in rotswerk of cementrustiek. In deze periode werd het domein door drie opeenvolgende aankopen van grond in de Brultjenshoek met circa 139 are vergroot en bouwde men ook de mooi gelede en verzorgd gedetailleerde baksteenmuur rond het domein die dit park, het bosje en de landerijen met warmoesgronden nog steeds omsluit.

Het totale concept sloot daarbij nauw aan bij het in het Instituut gegeven en baanbrekende onderwijs in land- en tuinbouw. Archiefgegevens en oude prentkaarten tonen zeer duidelijk aan dat het park toen als didactische verzameling en als proeftuin voor de modelboerderij dienst deed. Het park was voorzien van educatieve bordjes met identificatie van de soorten (wetenschappelijke benaming, aangevuld met de Franse en Nederlands naam), zoals dat ook het geval is bij de wandversieringen van de gaanderij die op het park uitkijkt. Als zodanig functioneerde het park als een model binnen het landbouwonderwijs en dit zowel in binnen- als buitenland. De gerenommeerde landbouwschool leverde immers tot aan de Tweede Wereldoorlog goed gekwalificeerde gediplomeerden met de meest diverse nationaliteiten uit Europa en de rest van de wereld af.

Na de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog volgde een snel herstel tijdens de wederopbouw vanaf 1919, zodat het parkgeheel in het interbellum zijn volle glorie bereikte met onder meer ook diverse machtige bomen op de beide speelplaatsen. De groenaanleg en de bomen werden in 1960 van de beide speelplaatsen verwijderd en vervangen door grootschalige verharding. Op de voormalige speelplaats van het Pensionaat ging het onder meer om een grote plataan en linde en op die van de Normaalschool ging het onder meer om een monumentale linde en perken met aucuba, laurier en witte klimrozen. Daar bleef enkel een klein perk aansluitend op de kerkwand bewaard. Het beeld van Sint Jozef - patroon van België en van het onderwijs - uitgevoerd in kunststeen dat al rond 1900 deze speelplaats sierde, kreeg hierin een plaats. Het is, inclusief de originele sokkel, nog steeds aanwezig. Het beeld is zonder veel twijfel vervaardigd door het befaamde Brusselse huis Blaton-Aubert aangezien een nagenoeg identiek ontwerp is opgenomen in een productcatalogus van deze firma.

Het gietijzeren beeld van een engelbewaarder met kind dat rond 1900 al de grote speelplaats sierde kreeg later een plaats in het parkbos. Het bevindt zich op het moment van de bescherming (2013) op een heuvel, links aan het einde van de dreef die op de Lourdesgrot uitgeeft. Het beeld zelf is - op de verflaag na - nog volledig intact en staat op een achthoekige blauwe hardstenen plint. Op één van de verspreide stukken van de sokkel is centraal een merkplaatje van de befaamde ijzergieterij Van Aerschot uit Herentals aangebracht. In dit geval gaat het om werk van Leonard Van Aerschot, wat wijst op een ontstaansdatum kort na 1896.

Het gietijzeren hek met poort dat rond 1900 al het park van de grote speelplaats afsloot is nog goed bewaard en draagt twee merkplaatjes van de ijzergieterij August Van Aerschot uit Herentals. Deze merkplaatjes zijn van het zelfde model als het plaatje aangebracht op de draagstructuur van de Mechelse Vleeshal en wijzen op een ontstaansdatum van voor 1896. Ook het hekwerk dat een kleinere speelplaats aan de badkeldervleugel van het park afsluit draagt een identificatieplaatje van een gieterij. Gezien de aangebrachte verflagen is de uitvoerige belettering van dit plaatje nog moeilijk leesbaar, maar gezien de plaatsnaam ‘Herenthals’ erin te herkennen valt, stamt ook dit hekwerk zonder veel twijfel uit de ateliers van de Herentalse gieterij Van Aerschot.

Op de voormalige ‘grote speelplaats’ zijn onder de gaanderij, naast de Feestrefter en Alpenzaal, ook nog twee van de oorspronkelijke gietijzeren tafels met granitoblad bewaard.

De oorspronkelijke parkaanleg, zoals in de jaren 1910-1911 onder leiding van Felix Brouwers gerealiseerd, was goed doordacht in zijn tweeledige functie als sierpark en didactische tuin voor de leerlingen. Dit leidde tot zeer gevarieerde aanplantingen van bloemen, heesters en bomen met alle tinten van groen voor alle seizoenen. De geleding in de hoogte was duidelijk bestudeerd om het nodige reliëf in het parkbeeld te brengen. Grasvelden van siergras en bloemperken met laagboeiers of bodembedekkers wisselden af met een middelhoog niveau van sierstruiken en bloemen tussen hoge bomen. De groep sierstruiken omvatte zowel vroeg- als laatbloeiers. Van de eerste soort waren onder meer deutzia, forsythia, mahonia, magnolia, sering, sierkers en sierpruimelaar. Bij de laatbloeiers waren dit onder meer acacia, aucuba, groene en rode hazelaar, ligustrum, oranjebloesem, rhododendron, skimmia, symphoricarpos en weigelia aangeplant. Het bomenbestand telde zowel inheemse als uitheemse soorten waaronder ahorn, Amerikaanse notelaar, berk, beuk, catalpa of trompetboom, ceder, cipres, es, Japanse notenboom, hulst, linde, tulpenboom, meidoorn, mispelaar, moerbei, Noorse esdoorn, olm, spar en sierspar, taxus, levensboom, naast enkele fruitbomen waaronder hoogstammige appelaars en perelaars. Het geheel werd jarenlang deskundig onderhouden door een ploeg onder leiding van de gediplomeerde hovenier Alfons Aertgeerts. Een deel van dit groenbestand werd aangeleverd door de gerenommeerde boomkwekerij Gijsemans uit Putte.

Een rijk prentkaarten- en fotoarchief laat toe de ontwikkeling van dit parkgebied in detail in kaart te brengen. Een schetsplan uit 1993 en diverse notities uit de periode 1997 van de hand van zuster Joanna Jans geven een goed beeld van de parkaanleg en de dan nog aanwezige aanplantingen. Het park zelf was toen echter al geleidelijk aan verarmd en dit vanaf de jaren 1980. De kweekserre verdween in 1983 (er kwam tijdelijk een educatief natuurreservaatje). Verdwenen waren ook een treuriep, twee monumentale treurwilgen aan elk van de parkvijvers, een zilverlinde geplant in het jubileumjaar 1941, een vederahorn, twee arancaria’s en meerdere oude coniferen, vaak na zware stormen of ten gevolge van ziekten.

Het Sint-Ursula-Instituut werkt al vanaf 1996 in samenwerking met Studiegroep Omgeving uit Antwerpen-Berchem aan de geleidelijke uitvoering van een masterplan waarin de belangrijkste verschuivingen en evoluties op functioneel, pedagogisch en (brand)technisch vlak worden geschetst. Dit leidde tot een respectvolle aanpassing van het complex aan de hedendaagse normen en eisen op deze gebieden met onder meer plaatsing van een nieuwe lift en realisatie van compartimentering, nieuwe sanitaire installaties, fietsenstallingen en brandweertoegang. In dit kader wordt ook nagedacht over een grondige herinrichting van de speelplaatsen met opnieuw aandacht voor groenaanleg. Hierin liggen kansen om de oorspronkelijke maar sinds de jaren 1960 verbroken eenheid tussen de beide grote speelplaatsen en het wandelparkgedeelte te herstellen.

In 1998, na de erfpachtoverdracht van dit groengeheel aan de school, onderging het park zeer ingrijpende maar grotendeels noodzakelijke aanpassingswerken onder leiding van tuinarchitect Peter Joos uit Sint-Niklaas en gesuperviseerd door het toenmalige bestuur Monumenten & Landschappen. Een nieuwe (brandweer)toegang en diverse nieuwe structuren zoals fietsenstallingen, moderne toiletpaviljoenen en een overdekking aan de Sint-Cecilazaal ontsluiten nu een deel van het vroegere park dat door de afbraak van de serre deels zijn authentieke charme al langer had verloren. Deze structuren zijn met respect voor het gebouwencomplex ingepast. Bij de werken werden echter veel wortelstelsels beschadigd en bovendien werden veel beuken te hoog opgekapt zodat de stam in het zonlicht kwam. Heel wat bomen stierven dan ook af. De daling van de grondwatertafel en het vergroten van de verharde oppervlakten - onder meer voor de noodzakelijke realisatie van een brandweertoegang aan de achterzijde van het complex - heeft dit proces nog verder beïnvloed.

De site is eigendom van de vzw Instituut van de ursulinen van Onze-Lieve-Vrouw-Waver, deels in volledige eigendom, deels in erfpacht van vzw Wintertuin, deels in erfpacht van de vzw Onderwijsinrichting van de Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver.

Beschrijving

Het domein van het instituut van de ursulinen (met een oppervlakte van ongeveer 10 hectare) ligt in het centrum van Onze-Lieve-Vrouw-Waver dat door het complex gedomineerd wordt. Het dakenspel met zijn torens bepaalt de zichtlijn tot in de verre omtrek en verleende de gemeente de bijnaam ‘Torekenswaver’.

Gebouwen en wintertuin

Het complex van het monumentale klooster- en schoolgebouwen is gegroepeerd rondom drie rechthoekige binnenplaatsen, onderling verbonden door gangen en overdekte galerijen op een uitgestrekt domein. De Engels aandoende en bakstenen schoolvleugels van twee tot vier bouwlagen met overwegende neogotische inslag worden gekarakteriseerd door verticaliserende lisenen, bekronende kantelen en markante torens, zoals onder meer de zandstenen torens van het normaalschoolgebouw, geïnspireerd door het Lierse belfort. Natuursteen is gebruikt voor neogotische driepasmotieven op borstweringen en friezen en voor het parement van de gelijkvloerse verdieping van de kloostergevel (Bosstraat) met neogotische vensters met glas-in-loodramen. De centrale ingangstravee heeft een korfboogdeur onder bovenlicht met neogotisch maaswerk tussen smalle flankerende spitsboogvenstertjes, het geheel bevindt zich onder een driezijdig uitspringende erker op spitsbogen. De hogere, natuurstenen neogotische kerk staat loodrecht op Bosstraat aan de noordzijde, de unieke wintertuin in art-nouveau-stijl is parallel met de straat ingeplant aan de zuidzijde van het complex tussen ‘beschermende’ vleugels met een, als een open veranda of zomertuin aansluitende, sierlijke smeedijzeren rondbooggalerij met dezelfde decoratieve elementen als de buitenconstructie van de wintertuin.

De eclectische interieurs in diverse stijlen zijn grotendeels gaaf bewaard: neogotiek, neo-empire, neoclassicisme, art nouveau en art deco met onder meer monumentale gangen zoals de zogenaamd empire-, piano-, kerk- en bloemengang, trappen, refters en spreekkamers. Verspreid over het complex zijn muurschilderingen, sjabloonschilderingen, marmerimitaties, glas-in-loodramen, geëtst glas, lambriseringen, stucwerk, parket- en tegelvloeren en deels bewaard mobilair zoals tafels, stoelen, enkele schoolbanken en schoolborden, terug te vinden. Bij de decoratie van het interieur stonden symboliek en didactische doeleinden centraal.

De neogotische Sint-Ursula-spreekkamer is versierd met geschilderde gobelins waarop taferelen uit het leven van de heilige zijn afgebeeld.

De wintertuin, oorspronkelijk loodrecht op de Bosstraat opgericht tussen de pianogalerij (1898-1899) en het spreekkamergebouw, vormde het visitekaartje van de internationaal georiënteerde en vooruitstrevende kostschool. Na kritisch bronnenonderzoek van kadastergegevens en kloosterkronieken wordt 1900 als bouwjaar van dit functionele art-nouveau-ensemble vooropgesteld. Door het ontbreken van de oorspronkelijke plannen of andere documenten zijn de namen van de architect en de glazenier van het kunstwerk tot nu toe onbekend. Uit de studie van het iconografisch materiaal wordt afgeleid dat de symboliek van de oorspronkelijke oriëntatie, namelijk het morgenraam in het oosten en het avondraam in het westen, een mythe is. Het staat volgens de literatuur vast dat het avondraam naar het oosten en het morgenraam naar het westen gericht was; vanuit technische standpunt is dit te verklaren door de logische plaatsing van het donkere avondraam aan de vrijstaande ooststraatzijde en het heldere morgenraam aan de westgevel met de beperkte lichtinval door de achterliggende vleugel. Ook de mondelinge overlevering dat de glasramen van de wintertuin voor de Eerste Wereldoorlog in veiligheid werden gebracht, wordt door de literatuur na een grondige ontleding van verslagen en foto's zeer onwaarschijnlijk geacht. Vermoedelijk werden de wintertuin door de ligging achter het hogere spreekkamergebouw ten dele beschermd tegen de projectielen en bleven het metalen skelet en het glas-in-lood behouden, in de zijgalerijen echter was de tegellambrisering nagenoeg volledig verdwenen, evenals de oorspronkelijke monumentale tegeltableaus.

Bij de wederopbouw en de restauratie van de gebouwen onder leiding van Edward Careels werden zowel de pianogalerij als de wintertuin van plaats veranderd. De pianogalerij werd gedemonteerd en zonder glazen koepel herbouwd achter de zuidvleugel. De wintertuin werd, volgens mondelinge overlevering, in 1919 op rolletjes gezet, gedraaid en parallel met de Bosstraat, met aanpassingen heropgebouwd tussen drie hoge vleugels; de zuidmuur werd doorbroken door het plaatsen van twee kleine vensters in de zijgalerijen en vijf glas-in-loodramen die één landschapstafereel vormen. De werken waren voltooid in 1921, de aankleding in 1922. Vermoedelijk voerde het Brusselse atelier De Rom de restauratie van het glaswerk uit. In hoeverre de wintertuin beschadigd werd tijdens de Tweede Wereldoorlog staat niet vast, al lijken een deel van de beschadigingen van de schilderijen in de zijgalerijen van die tijd te dateren.

De rechthoekige ontvangstruimte in art nouveau vormt een harmonieus geheel van lijnen, licht en kleur met aan drie zijden omlopende zijgalerijen. Het skelet bestaat uit gietijzeren kolommen en muurconsoles die onderling verbonden zijn door stalen spanten onder een dubbele, tonvormige overkoepeling. De nauwelijks zichtbare, beschermende en isolerende buitenkoepel van mat glas bevindt zich boven een decoratieve binnenkoepel die door spanijzers verdeeld wordt in achttien segmenten opgevuld met geel, blauw, rood, bruin en groen getint glas in lood. De koepelconstructie is opgevat met niet-dragende wanden van hout en geëtst glas met florale art-nouveau-omlijstingen tussen de ijzeren kolommen met groen getinte marmerbeschildering. De decoratie van de koepel met hoofdzakelijk florale motieven vormt een organisch geheel met de constructieve structuur die zelf uitermate decoratief werd opgevat, onder meer de gietijzeren consoles uitgewerkt als bloemstukken. Deze structuur vormt de leidraad voor de versiering van de koepel waarbij de planten- en bloemenslingers als het ware omhoog klimmen langs de spanten. In elk paneel omlijsten Oost-Indische kersslingers met bloemen, zogenaamde kapucijntjes, een centraal niet gedecoreerd gedeelte van geel glas in een maaswerk van lood. In de middensegmenten werden telkens twee zwaluwen toegevoegd. De zuid- en noordzijde werden uitgewerkt als half-roosvensters met symbolische afbeelding van de ‘Morgenstond’ en de ‘Avond’. Het morgenvenster toont een bergmeer met opkomende zon en op de voorgrond een reiger, irissen en planten. Aan de andere zijde reflecteert de maan op het water met waterlelies en een overvliegende uil. Een aaneenschakeling van gestileerde bloemknoppen omlijst beide roosvensters. In de buitenmuur onder het morgenvenster suggereren vijf kleurige glasramen, aangebracht bij de heropbouw, een doorkijk op een landschap met een meer. Dubbele deuren leiden naar de aan drie zijden omlopende zijgalerijen met een tegellambrisering en volledig beschilderde muren met afbeeldingen van Belgische provincies en steden en twee taferelen uit het toenmalige Belgisch Congo, uitgevoerd in 1922-1923 door J.B. Walgrave, (zie opschrift op het redegezicht van Antwerpen).

De wintertuin wordt door weelderige planten op authentieke, betegelde staanders verdeeld in zithoekjes. Decoratieve houten stoelen, tafels met blad van marbrite, verlichtingsarmaturen en de smeedijzeren kroonluchters als hangende rozenboeketten vormen het meubilair uit de bouwperiode. De bevloering met decoratief patroon bestaat uit veelkleurige keramische tegels van La Céramique Nationale Welkenraedt. De centraal opgestelde fontein in veelkleurige majolica bevindt zich voor een monumentale kurktronk met palmen en wordt omgeven door marmeren bustes van de bijbelse vrouwen Sara, Rebecca, Rachel en Ruth, gesigneerd A. Piazza. De zware verwarmingselementen met art-nouveau-ornamenten zijn van gietijzer.

De empire-getinte ‘Alpenzaal’ is genoemd naar de schilderingen op doek met Zwitserse landschappen, gesigneerd J.B. Walgraven (1924).

De zogenaamde ‘Feestrefter’ is versierd met landschapsschilderingen op doek en afbeeldingen van streekeigen landbouwproducten. De lambriseringen zijn vervaardigd door de kunstschrijnwerker A. Van den Eynde uit Aalst.

De zogenaamde ‘Normalistenrefter’ met neoclassicistisch cassettenplafond omvat een beeld van Sint-Jozef en didactische spreuken gesjabloneerd op doek.

De ‘La Fontaine-refter’ is genoemd naar de in tere pasteltinten uitgevoerde afbeeldingen op doek van de bekende fabels van Jean de la Fontaine. De ruimte is gedecoreerd met tweekleurige rocaille-plafonds, geëtste ramen en houten lambrisering. De tafels hebben een marmeren blad op koperen poten, de stoelen zijn van het type Thonet van Belgisch fabricaat.

De rijkelijk met stucwerk gedecoreerde hal omvat de ‘Eretrap’: drie steektrappen met bordes omgeven door rondbogen op zuilen en pijlers. Het centraal opgesteld Onze-Lieve-Vrouwebeeld van witte marmer is gesigneerd B. Tuerlinckx, 1923.

De bovenverdieping omvat de rechthoekige, neoclassicistische kapel van zeven traveeën met latere zijbeuken en een aansluitende neogotische achterkapel, heden ingericht als schoolmuseum. De kapel heeft een cassettenplafond, schilderingen op doek en neogotisch meubilair.

De originele ‘piano-Sint-Ceciliagalerij’ bestaat uit een lange, smalle gang met links en rechts wanden van hout en geëtst glas tussen gietijzeren kolommen die de ruimte verdelen in kleine muzieklokaaltjes van telkens een buffetpiano en twee krukjes. Bovenaan is een stucwerk-fries met in paneeltjes namen van beroemde componisten aangebracht. Achteraan in het neoclassicistische portiek staat een beeld van Sint-Cecilia van Carraramarmer van 1900. De oorspronkelijke glazen koepel verdween bij de verplaatsing van de galerij en het bouwen van klaslokalen.

Aan de noordzijde van het complex, boven een feestzaal, bevindt zich de georiënteerde neogotische kerk naar ontwerp van Edward Careels van 1909-1912. De driebeukige kruiskerk met basilicale opstand en drie geledingen is geïnspireerd door de Lierse Sint-Gummaruskerk en toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart. De kerk bestaat uit een hoog oprijzend schip van vier traveeën, een breed transept van twee traveeën en een driezijdig afgesloten koor in klaverbladvorm gevormd door een kooromgang van drie zeshoeken, een massieve westtoren van vijf geledingen onder plat dak met neogotische balustrade en een hogere ronde traptoren ten zuiden. Het natuurstenen kerkgebouw heeft decoratieve en constructieve kordons, omlijstingen en balustrades, markerende steunberen en leien bedaking. De kerk heeft spitsbogige meerlichten met gotische visblaastracering en steekbogige benedenvensters van de onderliggende feestzaal. De westkorfboogdeur onder neogotische fries en drielichtvenster is gevat in een geprofileerde omlopende spitsboogomlijsting met hogels en kruisbloem onder een hoog neogotisch spitsboogvenster met visblaastracering. De op de tweede bouwlaag gelegen kerkruimte is intern toegankelijk via de zogenaamde kerkgang met muurschilderingen van het Lago Maggiore en het Heilig Land. Het monumentaal interieur heeft een drieledige opstand: spitsbogen op natuurstenen zuidelijke opstand; spitsbogen op natuurstenen zuilen met koolbladkapiteel onder triforium met vierpasmotieven op de borstwering en een galerij met driepasvormige spitsbogen, voorts brede spitsboogvensters met flamboyant maaswerk en glasramen vervaardigd door de firma Osterrath. De kruisribgewelven op colonnetten vertrekken van de kapitelen. De bepleistering met voegenbeschildering is bewaard gebleven. De natuurstenen spiltrap met rijk uitgewerkte neogotische borstwering leidt naar het doksaal met indrukwekkend glasraam door J. Huet (1960); de wentelspil is bekroond met een beeld van Zuster Ignace Claes door J. Gerrits (1912).

Het neogotisch mobilair omvat onder meer een opengewerkt Sint-Ursula-altaar met beeld van de heilige omgeven door pleuranten van 1924, door Bruno Gerrits vervaardigd uit monoliet van Carrara. Het omlopend koor met koperen altaren is gemaakt door de Luikse firma Wilmotte en werd ingezegend in 1936. De marmeren kerststal van 1927 is van de hand van B. Gerrits. De kruisweg van 1925 door B. Gerrits omvat een iconografische verwerking van de gebouwen van het instituut.

Onder kerk ligt een zogenaamde ‘crypte’, bestaande uit een souterrain met zware arduinen zuilen met knopkapitelen en enkele muurschilderingen.

Beplanting

Bij de overgang van de speelplaats van de vroegere normaalschool naar het park, aan het Sint-Michielsgebouw, staat een oude iep (Ulmus). Het gaat hier om het laatste exemplaar van deze soort in het park. De andere exemplaren zijn gesneuveld door de iepenziekte, een besmettelijke schimmelziekte overgedragen door de iepenspintkever die haar eitjes legt in de bast van iepen. In de onmiddellijke buurt daarvan staat een Libanonceder (Cedrus libanii). Centraal in het park staat een trompetboom (Catalpa). Deze boom won enkele jaren voor de bescherming (2013) de wedstrijd ‘merkwaardigste bomen van onze gemeente’, georganiseerd door de milieuraad. Oorspronkelijk stammend uit Oost- en Noord-Amerika werd deze boom veel aangeplant in parken en lanen wegens de attractieve bladeren, bloemen en peulvormige vruchten. Ondanks de snoei en de beschadiging van de wortels gaat het nog steeds om een prachtexemplaar. Verder zijn op te merken: een kleine, nieuw aangeplante tulpenboom ter vervanging van de boom die sneuvelde aan de grootste vijver; een Japanse notenboom (Ginkgo biloba) (oud exemplaar is stervend, maar er is ook een nieuwe aangeplant) en verschillende esdoornsoorten die mooi verkleuren in de herfst. Vermeldenswaard zijn ook de mispels (Mespilus germanica), waarvan nog enkele mooie oude exemplaren overeind staan, een moerbeiboom (Morus)>) waarvan de bladeren vroeger nog gebruikt werden om zijderupsen te kweken in het kader van het land- en tuinbouwonderwijs en mooie schubconiferen (Thuja).

Calvariegroep

De nog steeds aanwezige eind 19de-eeuwse gietijzeren calvariegroep sluit aan bij de vanaf de jaren 1830 in religieuze middens sterk aanwezige identificatie met de lijdende Christus. Ook de naam die het kloosterdomein van Onze-Lieve-Vrouw-Waver bij de stichting in 1841 meekreeg - met name “Gethsemani” of “hof van olijven”- verwijst expliciet naar dit lijdensaspect. Dergelijke calvariebergen waren dan ook typisch voor klooster- en pensionaatdomeinen. Het geheel is hier opgebouwd in zijn meest voorkomende opstelling en bestaat uit een Christus aan het kruis, met links en rechts daarvan de meer dan levensgrote beelden van Maria en Johannes de Evangelist. De drie beelden zijn van een goede sculpturale kwaliteit en werden elk op aparte, maar onderling met elkaar verbonden gietijzeren sokkels geplaatst. Het geheel werd eveneens vervaardigd door de ijzergieterij August Van Aerschot in Herentals en stamt dus uit de periode voor circa 1896. Het Christuscorpus is namelijk identiek aan dat van het kerkhofkruis van de Abdij van Averbode en de Heilige Johannes is verwant aan deze van de calvariegroep op het kerkhof van Berchem, twee realisaties die aan Van Aerschot zijn toegewezen. De beelden van Maria en de Heilige Johannes van het calvarie-ensemble hier in het instituut dragen verder elk een identificatieplaatje van de ijzergieter en hoewel dit vandaag totaal onleesbaar is, wijzen de vorm van en de belettering op de plaatjes eveneens naar August van Aerschot. Ze lijken identiek te zijn aan dat van de calvariegroep te Berchem met de vermelding ‘IJzergieterij - smederij / Aug. Van Aerschot. Herenthals’. Het kruis met sokkel was in Onze-Lieve-Vrouw-Waver vroeger donkerkleurig getint, zodat het corpus van de Christus hiermee sterker contrasteerde. Het geheel is nog in goede staat, maar de groenomgeving is zodanig verarmd dat dit karakteristieke ensemble nog nauwelijks tot zijn recht komt. Een identieke calvarieberg staat opgesteld in het oorspronkelijke moederhuis van de Belgische ursulinen in Tildonk waar hij met zekerheid eveneens tussen 1880 en 1900 werd geplaatst.

Tuinprieel

Tegen de domeinmuur aangebouwd in de hoek van het wandelpark met het paviljoen van de Villa naast de perelaar en onder een wingerd bevindt zich de zogenaamde gloriette voorzien van zitbanken. Het is een markant voorbeeld van cementrustiek, geheel opgebouwd met namaaktakken en balken. Deze techniek werd reeds toegepast door de Romeinen en opnieuw opgenomen ten tijde van de renaissance, eerst in Italië en daarna ook in Engeland waar dergelijke elementen in landschapstuinen werden geplaatst. Via de Engelse tuinconcepten kwam deze techniek ook bij ons in de mode. Een gloriette of tuinprieel is een luchtige zitplaats in de tuin. De constructie bestaat minimaal uit een reeks houten palen, die een houten raamwerk dragen waarop klimplanten groeien. In duurdere uitvoeringen - zoals hier in het instituut - kan het prieel ook zijn opgebouwd uit duurzame materialen die eventueel een volledige dakbedekking dragen. De juiste bouwperiode of producent van dit tuinprieel (vroeger een geliefkoosd plekje voor de zusters en leerlingen om te lezen of te studeren) zijn voorlopig onbekend. Het bewaarde iconografische materiaal maakt echter duidelijk dat het huidige prieel rond 1919- 1920 gerealiseerd werd ter vervanging van een kleinere en meer open constructie die zeker al op het domein aanwezig was in de periode 1912-1914. Ook de ursulinen van Tildonk beschikten over een dergelijk tuinpaviljoen in cementrustiek.

Sint-Jozefkapel

In de Engelse tuin bevond zich verder ook de nu verdwenen zogenaamde Sint-Jozefskapel, een tumulusachtige structuur die de oorspronkelijke begraafplaats van de congregatie binnen de eigen domeinmuren markeerde. Deze grafkelder, die vanaf 1850 als begraafplaats diende, was bolvormig met een binnenhoogte van 1,75 tot 2 meter en met aan drie zijden telkens vijftien compartimenten. Aan de buitenkant was het heuveltje begroeid met dennen. Bij de ingang was een beeld van Sint-Jozef geplaatst en aan de achterkant een beeld van de Moeder van Smarten. Tussen 1855 en 1878 werden hier acht zusters begraven. In 1878 legde de wet Bara het verbod tot begraven buiten de gemeentelijke begraafplaatsen op zodat van dan af de zusters op de gemeentelijke begraafplaats - die zich eerst rond de dorpskerk bevond - bijgezet werden.

Rusthuis

Opzij van het Engelse wandelpark, aansluitend op de weg aan de chemieklas - een losstaand gebouw uit de jaren 1950 - vertrekt een kastanjedreef (Castanea sativa) die waarschijnlijk even oud is als het park. Naast vooral tamme kastanjes zien we in het begin zowel een wilde kastanje als een mooie lijsterbes, en onderweg staat nog een fraaie acacia.

Rechts van deze kastanjedreef ligt het in 1978 gebouwde Huize Sint-Angela, het rusthuis van de Ursulinen, op het moment van de bescherming (2013) uitgebaat door de vzw Borgerstein. In dit tussen 2006 en 2008 gerenoveerde geheel met een 60-tal kamers bevindt zich een stemmige moderne kapel met wandhoge glasramen naar ontwerp van glazenier Christine Vanoppen (Hasselt, 1962). Elders in het gebouw bevindt zich een ingetogen houtsculptuur met voorstelling van de Heilige Angela Merici, stichteres van de congregatie, van de hand van de Blaasveldse beeldhouwer Herman De Cuyper (1904-1992). Ter gelegenheid van de renovatie van het rusthuis werd in 2008 ook nog een monumentale keramieksculptuur in ongeglazuurde terracotta door de bekende keramiste en beeldhouwster May Claerhout (Pittem, 1939) onthuld. Om plaats vrij te maken voor de bouw van dit rusthuis in 1978 werd de zeer bijzondere muziekkiosk in cementrustiek, rond 1900 geschonken door de aannemer Merckx, gesloopt. De milde gever was vermoedelijk de bekende uit Bornem-Buitenland afkomstige bouwmeester-schrijnwerker Victor Merckx-Verellen, die onder meer voor de wereldtentoonstelling van 1894 in Antwerpen de wijk ‘Oud-Antwerpen’ oprichtte.

Serres

Links van de kastanjedreef liggen in de open ruimte die zich daar ontplooit de laatste resten van tuinbouwactiviteit met twee oude serres - een langwerpige lage Mechelse serre of koolserre en een hogere kas, een vroeg ‘warenhuis’ met slechts één kap - die beide in 1968 in de kadastergegevens zijn opgenomen. Ze getuigen van de belangrijke groenteteeltactiviteit, niet alleen binnen het domein, maar in de gehele regio. Ooit stonden er immers enkele honderden in de streek, maar vandaag zijn beide types zeldzaam geworden. Het geheel van de beide serres wordt aangevuld met een merkwaardige rechthoekige tuinbergplaats in cementrustiek (3,10 meter breed met centrale dubbele toegangsdeur, 4,50 meter lang en 2,80 meter hoog) onder een plat dak. Enkele in cement geboetseerde boomstammen lijken de constructie te dragen terwijl de cementrustieke uitvoering op de muren een opbouw uit plankenhout imiteert. Al deze elementen getuigen van de vroeger belangrijke land- en tuinbouwactiviteiten binnen het domein om te voorzien in de eigen voedselvoorziening, net als de warmoesgronden voor open luchtteelten en de weilanden voor het houden van koeien en (koets)paarden. Ook op dit gebied verdwenen verschillende waardevolle erfgoedelementen, zoals één van de twee sierlijke grote houten modelkippenhokken en enkele andere kleine elementen. Dit gebeurde onder meer omwille van de voor een goede werking van de school noodzakelijke aanleg van sportvelden. De resterende elementen zijn echter vrij uitzonderlijk.

Sint-Pieterskapel

Bij de aanleg van een nieuwe toegang met bijhorende parking aansluitend op de voormalige modelboerderij verdween in november 1978 ook de opvallende Sint-Pieterskapel met koepel in pauselijke tiaravorm, een op 29 juni 1911 ingehuldigde gift van al wie meewerkte aan de bouw van de dan nagenoeg voltooide kloosterkerk onder leiding van provinciaal architect Eduard Careels. Het kwetsbare beeld uit de kapel kreeg half februari 1980 met zijn sokkel wel opnieuw een plaats in het domein, maar overleefde een zware storm in het voorjaar van 1990 niet.

Parkbos

Op het einde van de kastanjedreef ligt een klein parkbos met onder meer de Lourdesgrot. Dit bosje is op de oudste foto’s van het domein nog te zien als een jong bos en moet dus iets ouder zijn dan de grot. Vooral zomereik, maar ook plataan en esdoorn beheersen hier de boomlaag, terwijl de voorjaarsbloeiers dit bos in de lente tot een schitterende plek maken. Ook hier werd minstens een deel van de aanplanting oorspronkelijk geduid door middel van kleine zinken identificatieplaatjes (11,5 x 5 centimeter) die rond de stam konden worden aangebracht en waarvan er nog enkele in situ zijn terug te vinden.

Lourdesgrot

De Lourdesgrot behoort als verschijnsel tot de meest typische uitingen van de Mariaverering tijdens de tweede helft van de 19de eeuw, sterk gestimuleerd door de diverse verschijningen van Maria aan Bernadette Soubirous (1844-1879) tussen 11 februari en 16 juli 1858 aan de grot van Massabielle langs de rivier Gave de Pau in Lourdes. Eén van de eerste Lourdesgrotten in de Benelux was deze in Houthulst uit 1860. De Lourdesgrot van het Instituut werd in 1887 door de leerlingen aan moeder Ursule Verheyden als geschenk aangeboden ter gelegenheid van haar 25-jarig jubileum als algemeen overste van het klooster. Het is een vrij natuurgetrouwe weergave van het origineel, heeft op het hoogste punt een hoogte van 6 meter en op het langste punt een lengte van 9,20 meter met aan de linker zijde nog een lage uitloper van nog eens 1 meter. De binnenruimte - van 4,20 meter breed, 3 meter diep en 2,80 meter hoog - wordt aan de voorzijde afgesloten met een verzorgd hekwerk van 4 meter lang, centraal voorzien van een dubbel openslaande toegangspoort onder een ijzeren boog. De grotconstructie zelf werd gebouwd door het befaamde en in cementconstructies gespecialiseerde Brusselse huis Blaton-Aubert. Van dit bedrijf, in 1865 opgericht door Adolphe Blaton-Aubert (1835-1905), is bekend dat het naast andere grotachtige constructies - zoals voorgesteld op een tentoonstelling te Brussel in 1888 - heel wat Lourdesgrotten heeft gebouwd, ook voor particulieren. Nochtans zijn vandaag nauwelijks andere dergelijke constructies van dit bedrijf gerepertorieerd. Enkel de qua vorm verwante Lourdesgrot uit 1876 op het Turnhoutse begijnhof is met zekerheid ook door hen gebouwd. Bij vergelijking van de beschikbare foto-opnames blijkt de Turnhoutse grot op het technische vlak toch sterk verschillend te zijn aangezien ze volledig in cementrustiek lijkt te zijn opgebouwd en niet, zoals hier in het Instituut, deels is opgebouwd met echte rotsblokken. De totale kostprijs voor het bouwsel bedroeg 3.010 frank (2.250 frank voor de grot zelf; 410 frank voor het ijzeren afsluithek en 350 frank voor de zitbanken). Het Mariabeeld werd door E.H. Directeur Op de Beeck geschonken en werd mogelijk bij een ander bedrijf aangekocht aangezien het niet in de ons bekende catalogus van Blaton-Aubert voorkomt. Op de plechtige inzegening van de grot, op 13 april 1887, waren meer dan 150 oud-leerlingen aanwezig. In de loop der jaren werd het interieur verrijkt met diverse ex voto’s, paternosters en andere objecten. Een deel ervan bevindt zich nog steeds in situ, de meest waardevolle elementen worden bewaard in de archiefruimte van de zusters. Het geheel is en dit lijkt vrij uitzonderlijk in de Benelux opgebouwd uit echte rotsblokken aangevuld met cementrustiekwerk. Er is een ingebouwde offerblok en het geheel werd ook aangesloten op een in de onmiddellijke buurt geboorde waterput, zodat er zelfs - zoals in Lourdes - bronwater kon lopen. De veelheid aan zitbanken, bloembakken en andere kleinere cementrustieke elementen zoals een drietal paddenstoelen en het drietal boomstronkelementen die hier in de omgeving ter aanvulling van het decor werden geplaatst, zijn van hoge kwaliteit en vandaag nog in goede tot zeer goede staat. Minstens een deel ervan is met zekerheid eveneens vervaardigd door het huis Blaton-Aubert.

Een in deze context eerder onverwacht element is ongetwijfeld het kunststenen sculptuurpaar van rustende herten die zich hier beiden, maar wel wat apart van elkaar, in de omgeving ‘ophouden’. Oorspronkelijk lagen ze dan ook in het Engelse wandelpark opgesteld. Ondanks het (deels) ontbreken van het karakteristieke gewei, zijn deze sculpturen in redelijke staat. Ook deze beide elementen zijn nagenoeg zeker afkomstig uit de ateliers van Blaton-Aubert. Een identiek paar is namelijk terug te vinden in de handelscatalogus van dit bedrijf.

Picknikhal

Nagenoeg even kwaliteitsvol maar zonder veel twijfel indrukwekkender en uitzonderlijker is de monumentale picknickhal. Deze nagenoeg 10 meter hoge constructie van twee verdiepingen op een hoge keldersokkel, werd rond 1910 gebouwd door John Mariën & Zoon, cementbewerker uit Heist-op-den Berg. De signatuur is onopvallend maar toch leesbaar aangebracht op één van de horizontale boomstronkelementen in het centrale binnengedeelte. Hier kwamen de internen voor een picknick of een Vlaamse kermis, kortom voor recreatie binnen het domein. De leerlingen en hun begeleidsters konden er rusten op de vele vaste cementrustieke rustbanken met houten zitten die volledig rondom in de binnenruimte werden geplaatst. Het geheel is opgebouwd uit een rechthoekig en volledig onderkelderd volume van 16 traveeën van elk circa 3 meter breed met in het midden aan beide zijden telkens een door cementrustieke leuningen gemarkeerde traptoegang. Dit middengedeelte wordt aan de zijde van het instituut bovendien nog gemarkeerd door een lager uitspringend vierkantig volume op de breedte van één travee met opengewerkt fronton. Het rechthoekige geheel is op zijn toegangsniveau zowat 33 meter lang en 4,15 meter breed. Het telt aan beide zijden van de centrale toegangstravee telkens 5 traveeën. De breedte en diepte van de centrale vierkante uitsprong is eveneens circa 3 meter, zodat de totale overdekte breedte van de hall op dat punt circa 7,20 meter bedraagt. Deze middentravee loopt aan beide zijden uit in trapconstructies. Aan de zijde van de uitsprong gaat het om een trap van 6 meter lang met twee grote treden. De trapconstructie aan de tegenoverliggende zijde overbrugt een hoger niveauverschil, is 11 meter lang en telt een vijftal treden met bijkomende tussentreden. De hoogte van het rechthoekige hoofdvolume bedraagt aan de zijkanten 3 meter vanaf het toegangsniveau tot de onderzijde van de bovenliggende vloer gemeten. Het plafond is volledig in beton uitgevoerd, maar zeer overtuigend uitgewerkt met een afwisselende nervenstructuur in nabootsing van een plankenvloer. In de centrale travee is deze vloer onderbroken waardoor de dakconstructie van het bovenliggende niveau zichtbaar is ter hoogte van de aansluiting van de uitsprong. Dit dak situeert zich op een meetbare hoogte van 4,15 aan de draagbalk tot 5,70 meter. Op het hoogste niveau liggen de steunbalken voor het dak op 7,60 meter en situeert de nokhoogte zich op 8,25 meter. De nokhoogte van de centrale vierkante uitsprong langs de zijde van het instituut ligt op circa 5,60 meter. Het toegangsniveau zelf ligt op minimaal 1,20 m boven het maaiveld met een volledige half ondergrondse, goed toegankelijke, verlichte en verluchte kelder van circa 1,80 meter hoog (drie toegangen en aan de diverse zijden verschillende kleine ramen). Dit brengt de totale hoogte van de constructie op zijn hoogste punt tot minimaal 9,50 meter. De staat van het geheel is over het algemeen vrij goed te noemen. Eén hoek van het dak is door stormschade afgescheurd en plaatselijk zijn er zones van beginnend betonrot waar te nemen. Op het eerste niveau van deze constructie staat eveneens - voorlopig? - het houten eendenhuisje dat in de jaren 1990 van zijn vijvereiland werd verwijderd opgesteld samen met een ander houten vogelverblijfje.

Van bij de picknickhal is een oude doorgang met poort in de domeinmuur zichtbaar. Het is een poort met een bijzonder betekenis, aangezien het gaat om een doorgang die enkel werd gebruikt bij begrafenissen van overleden zusters. Via deze poort had de lijkstoet namelijk een nagenoeg directe toegang tot de privéconcessie van de congregatie op het achterliggende gemeentelijke kerkhof ingericht rond 1905. Men hoefde enkel de Kerkhoflei over te steken.

Mariakapel en Bethlehem- en Nazarethhuisjes

In de hoek gevormd door deze Kerkhoflei met de Bosstraat bevinden zich drie andere vermeldenswaardige bouwkundige elementen. Nagenoeg in de hoek - met een toegangsdeur vanuit de Bosstraat - bevindt zich, op een kleine grondenclave, eigendom van de gemeente Sint-Katelijne-Waver, de parochiale Mariakapel. Oorspronkelijk stond deze kapel omringd met lindeboompjes in het midden van de weg. Bij het kasseien van de weg in 1868 kreeg ze een plaats tegen de kloostermuur. In de jaren 1950-1951, bij de verbetering en verbreding van de Bosstraat, werd ze in de muur ingebouwd. In 2006 werd het geheel van circa 1,90 meter breed op 2,5 meter diep grondig gerenoveerd, met behoud van het toenmalig uitzicht. De huidige kapel wordt nog steeds - naar eeuwenlange traditie - door de buurt in stand gehouden. Ze vormt één van de nog levende centra van de locale Mariaverering, zeker in de meimaand, en is daardoor op zijn manier een stuk plaatselijk erfgoed.

Aansluitend daarbij, maar enkel goed zichtbaar binnen in het domein, staan de Betlehem en Nazareth-huisjes, opnieuw twee realisaties in cementrustiek, beide gemaakt door Tondeleir Frères, uit Antwerpen. Het Bethlehemhuisje is de oudste constructie, opgericht rond 1900. Het cementrustieke geheel werd in de kersttijd gebruikt om hier een ‘levende kerststal’ te ensceneren. Bij die gelegenheden werd aanvankelijk, en wellicht tijdelijk, een tekstbanderol met opschrift ‘Bethleem’ en een zespuntige goudkleurige ster aangebracht. Rond 1912 is deze benaming er meer permanent aangebracht. Tussen twee parallel geplaatste horizontale staven of kabels is de benaming ‘Bethlehem’ - met een extra letter H -opgebouwd uit losse witte letters, met daarboven nu een 5-puntige ster, zichtbaar. De begroeiing op het schuin oplopend dak is ook verdwenen. Vandaag is deze aanduiding niet meer aanwezig. Wel zien we nog een mooi vormgegeven en zorgvuldig gedetailleerde kribbe en een paar platformpjes als staanplaatsen voor Jozef, Maria en de engelen. Rood glas in een nu volledig open holte aan beide zijden van de constructie zorgde vroeger voor sfeervol licht. De realisatie draagt goed zichtbaar op de monumentale gemodelleerde boomstam die het dak schraagt de signatuur van de makers ‘Tondeleir Frères Anvers’. Het is onduidelijk of het hierbij gaat om een voorloper van het cementrustiekbedrijf Tondeleir, later gevestigd in Mortsel Oude-God. De maximale buitenmaten van deze constructie bedragen bij benadering een lengte van 5 meter en hoogte van 4 meter. De toegang is nagenoeg 3,45 meter breed en 2,25 meter hoog. Binnen loopt de hoogte onder dak op van 2,70 tot 3,80 meter.

In een sterk verwante stijl gebouwd en ook met het Bethlehemhuisje verbonden door een ‘open’ rotsconstructie van circa 9,40 meter lang is het Nazareth-huisje. De bouwdatum hiervan is niet bekend. Nagenoeg zeker kwam het tot stand in de periode 1912-1914 aangezien het deels bewaard gebleven oorspronkelijke geëtste vensterglas een karakteristieke art nouveau-ornamentering heeft. Ook dit huisje fungeerde net als de gloriette vooral als een aangename rustplaats in de schaduw. De zeer realistische nabootsing van druipsteengehelen geeft het interieur een zeer verrassend grotachtig aspect. Dit Nazareth-huisje heeft een centrale toegang van circa 2 meter breed en heeft boven en naast deze toegangspartij ruim beglaasde vaste raamdelen in ijzeren vattingen die het binnengedeelte goed verlichten. Het binnengedeelte zelf ligt onder een oplopend dak en is centraal met een hoogte van 3,15 tot 3,85 meter ook iets hoger dan de beide lagere zijden met hun hoogte van 2,80 tot 3,65 meter. De lengte van het geheel bedraagt binnenin circa 10,40 meter op een diepte van 3,55 meter. De muurdikte bedraagt aan de voorzijde zowat 40 centimeter. In het interieur bevindt zich nog steeds de oorspronkelijke lange, in de grond verankerde tafel met houten tafelblad op gietijzeren voetsteunen.

Dit geheel van Bethlehem en Nazareth blijkt zonder meer uniek te zijn in de Nederlanden. Het is net als de andere cementrustieke constructies op het domein in redelijke staat, maar vertoont het voor dit type constructies gebruikelijke betonrot en behoeft toch op vrij korte termijn instandhoudingwerken om verder verval tegen te gaan. In de onmiddellijke omgeving van dit geheel staan twee tafels met rond granito blad op gietijzeren voet opgesteld. Hier bloeien ook nog kapucijntjes (Oost-Indische kers) waarvan het motief ook in de wintertuinkoepel gebruikt is. Verder staat hier eveneens een opvallende paardenkastanje.

Villa en modelhoeve

In 1924-1925 werd een ‘Vrije Hoogere Normaalschool voor Landbouwkundig Onderwijs’ opgericht. Het is een zelfstandige normaalschool met een gespecialiseerde opleiding in de landelijke huishoudkunde en waar men jonge meisjes wilde voorbereiden op hun toekomstige taak als huisvrouw. Voor deze opleiding richtte men tussen de modelhoeve, de tuin en het park een speciaal paviljoen in. Het bestaande Academie-gebouwtje met waslokalen, een schrijnwerkerij en stallingen en op de verdieping een leslokaal voor ‘toegepaste kunst’ werd er vanaf 1923 tot 1926 voor verbouwd. Het werd een stijlvolle constructie met torentje in cottage-stijl, die de benaming ‘Villa’ kreeg. De officiële benaming was ‘Pavillon de l’Immaculée Conception’ (P.I.C). Door het grote succes van de afdeling met talrijke buitenlandse studenten werd het gebouw vergroot in 1928 en 1937. In 1930 behaalde men naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling in Antwerpen een prestigieuze ‘Grote Prijs’ met de aanschouwelijke voorstelling van de cursus kaasbereiding. In 1935 is men door het gedaalde leerlingenaantal gedwongen om de opleiding ietwat te heroriënteren en om te vormen tot een Huishoudkundig Regentaat. Deze opleiding evenaart in de daaropvolgende jaren het succes van de landbouwhogeschool door een modern leerprogramma met vakken als ‘huishoudrationalisatie’ en ‘huishoudelijk boekhouden’, beïnvloed door de Amerikaanse ‘home economics’ met hun ‘scientific management’. Na de specialisatie tot zuiver huishoudkundig onderwijs werd het gebouw door de Aalsterse architect en kunstschrijnwerker Alfred Van Den Eynde (1877-1950) vernieuwd met moderne voorzieningen, zoals de rationeel ingerichte Deense oefenkeuken, was-, strijk- en naailokalen. Het gebouw werd ingehuldigd in 1939. Het torentje verdweenin 1964 en in 1971-1972 werden op de bovenverdieping de open chambretten verbouwd tot individuele kamertjes.

De hoeve werd in de jaren 1915-1917 onder leiding van Frans Van Rompay herbouwd op de grens van het domein aan de zijde van de Vinkenhofstraat, vanaf de oprichting van de ‘Vrije Hoogere Normaalschool voor Landbouwkundig Onderwijs’ in 1924 fungeerde de hoeve als modelhoeve ter ondersteuning van het landbouwonderwijs. Er was een varkensstal, een paardenstal, een koeienstal met elektrische melkerijinstallatie en een boterkelder. Na de afbouw van de landbouwopleiding bleef de hoeve grotendeels in functie voor de eigen voedselproductie, een functie die geleidelijk beperkt werd in de tweede helft van de 20ste eeuw, waardoor de lokalen andere bestemmingen krijgen (fietsenstalling, verenigingslokalen, bergruimten…)

De Villa en de modelhoeve vormen een L-vormig volume aan de zuidwestelijke zijde van de site. De schoolvleugel is een baksteenbouw met souterrain en drie bouwlagen onder leien bedaking met diverse muuropeningen. De drie toegangsdeuren bevinden zich in de noordelijke gevel die geritmeerd wordt door enkele hoger opgaande traveeën, ijzeren balkonnetjes en een torenvormige laatste travee van vier bouwlagen. De oostelijke puntgevel met gekleurde speklagen heeft een balkon op derde bouwlaag en een bordes. Het interieur omvat deels bewaarde tegelvloeren, trapzalen, deuren met glas-in-loodmedaillons en de rationeel ingerichte Deense oefenkeuken.

De aansluitende L-vormige modelhoeve van twee bouwlagen onder leien bedaking is een baksteenbouw met brede, getoogde muuropeningen. De zuidvleugel wordt geritmeerd door hoger opgaande traveeën, waarvan twee torenvormig. De westvleugel loopt evenwijdig aan de Vinkenhofstraat. De parkgevel is gedcoreerd met boogvormig verbonden lisenen.

Tussen het hoofdcomplex en de Villa werd naar ontwerp van architect Alfons Van Braekel een scheikundelabo (1953) opgericht in een sobere baksteenarchitectuur met rechthoekige muuropeningen en een pannen zadeldak.

Vinkenhof

Even buiten het domein, in de onmiddellijke nabijheid van de modelhoeve, tegenover de Vinkenhofschool (architect A. Van Braekel, 1954) aan de gelijknamige Vinkenhofstraat 36-44, bevindt zich het ensemble van vijf aaneengesloten arbeiderswoningen die de straat zijn naam gaven. De vijf huisjes met hun door palm omhaagde voortuintjes werden door de ursulinen vermoedelijk al rond 1857 voor hun lekenpersoneel - zowel werkmannen als opzieners - gebouwd.

Het asymmetrisch uitgewerkte samenstel van drie lagere en twee hogere woonhuizen kreeg de idyllische benaming ‘Vinkenhof’ mee, zoals vandaag nog steeds in een opschrift in de vrij verzorgd uitgewerkte gevelcementering is aangegeven. Alle raam- en deuromlijstingen werden voorzien van een sierlijk gemodelleerde sluitsteen die samen met de ingegraveerde belijning de gevel ritmeren. Nederlands onderzoek geeft aan dat dergelijke cementbepleistering rond 1854 in de vakpers positief werden beoordeeld omwille van de goede waterkerende eigenschappen ervan. Wel werd deze techniek vrij duur bevonden en raakte hij rond 1875 uit de mode. Dit lijkt er op te wijzen dat deze verzorgde en vandaag zeldzaam geworden gevelbekleding zonder veel twijfel stamt uit de tweede helft van de 19de eeuw en mogelijk zelfs dateert van bij de oprichting van het ensemble.

Het ensemble zelf bevindt zich van bij de oprichting van de domeinmuur als het ware in een kleine buitenenclave op het domein, aangezien de muur achter het kleine complex doorloopt. Enkele doorbrekingen lieten echter de snelle toegang van het lekenpersoneel tot het domein toe. Het vormt daardoor een vrij unieke getuigenis van de vroegere sociale verhoudingen rond het instituut.

Binnentuin aan de Bosstraat

Een laatste landschappelijk vermeldenswaardig element is de binnentuin aan de Bosstraat tussen de zogenaamde spreekkamervleugel die toegang geeft tot de wintertuin en de voormalige normaalschoolvleugel met de huidige schooltoegang voor bezoekers. Vanaf 1853 speelplaats, met een centraal toiletpaviljoen en van de Bosstraat afgesloten door een muur met poort, kreeg dit gebied rond 1900 een meer representatieve functie. Als bezoekerstuin voor de vele vaak buitenlandse ouders en oud-leerlingen die geregeld op het domein verbleven, functioneerde de binnentuin van dan af - uiteraard samen met de veel grotere Engelse tuin en het parkbos - als een aangename zomerse pleisterplaats. Hij vormde daardoor als het ware een tegenhanger voor de wintertuin in de warme periodes van het jaar wanneer de zonnewarmte het verblijf in de wintertuin onaangenaam maakte.

De indeling van de binnentuin is dan nog vrij eenvoudig: enkele grotere struiken en enkele smal opschietende coniferen rond kleinere cirkelvormige perken sierden de rand van de tuin terwijl centraal een wat groter perk met monumentale tuinvaas de aandacht trok. De dan nog volledig open gaanderij van de huidige Empiregang - een constructie naar ontwerp van architect Henri Meyns uit 1893 - fungeerde met zijn zitbanken als schaduwrijke koele rustplek. Een vrij grote kindercarrousel of draaimolen - waarvan momenteel nog één ijzeren zetel in het archief wordt bewaard - zorgde verder voor vertier van de meegekomen kinderen. Een weelderige begroeiing aan de straatzijde schermde het straatgeluid af.

Na een aanpassing van de straatmuur rond de jaren 1913 - met een verlaging van de muur en toevoeging van gietijzeren elementen tussen de verschillende geledingen - werd langs de straatzijde een luchtige, witgeschilderde metalen constructie opgesteld. Ze diende wellicht als geleiding voor klimplanten met de bedoeling opnieuw een groen geluidsscherm naar de straat toe te vormen.

Deze indeling werd - afgaande op het bewaarde fotomateriaal - nauwelijks verstoord door de vernietigende bombardementen van eind september 1914. De wederopbouwactiviteiten, waarbij de binnentuin deels als werf is ingericht en een veranderde smaak, leidden wellicht tot een gehele herziening van het concept.

Een schetsontwerp van provinciaal architect Eduard Careels toont voor het binnentuintje een schetsmatige strak geometrische tuinaanleg gedomineerd door een beeldengroep van de Heilige Ursula die door een zuster ursuline het grondplan van het heropgebouwde instituut aangeboden krijgt. Het geheel was voorzien op een sokkel met aan beide zijden een zuil met bolbekroning - wellicht voorzien met elektrische verlichting. Op de sokkel was een opschrift voorzien: “HET KLOOSTER VAN OLV. WAVER AAN DE HE URSULA OPGEDRAGEN 1921”.

Na de wederopbouw kreeg de binnentuin uiteindelijk een veel minder formele indeling, hoewel de opbouw vrij symmetrisch werd uitgewerkt. Centraal werd een klein vijvertje aangelegd. Naar de - aanvankelijk nog steeds open - gaanderij toe werd langs weerszijde van de vijver een tuinvaas op sokkel geplaatst. Het model was daarbij wat slanker dan het meer robuuste exemplaar van voor 1914. De oude tuinvaas werd vermoedelijk verplaatst naar de Engelse wandeltuin waar in de jaren 1930 alleszins een identiek exemplaar is te zien. In de twee hoeken van de binnentuin aan de zijde van de galerij, werd telkens een vaste zitbank in cementrustiekwerk neergezet. In de zomerperiodes werd ter aanvulling een hele reeks losse zitbanken - met witgeschilderde zit en rug op gietijzeren onderstellen - geplaatst. Na het sluiten van de galerijbogen met de huidige - maar dan nog geverniste in plaats van witgeschilderde - transparante vleugeldeuren met glas in fotopanelen, kwamen deze banken vóór de arduinen traptreden te staan, telkens afgewisseld met een sierboompje in verplaatsbare plantenbakken opgesteld vóór elke steunpijler.

Zeker vanaf de jaren 1930 stond in het midden van de vijver een kabouter onder een paddenstoel opgesteld. De aanplanting kreeg een grotere diversiteit mee met enkele hoog opschietende bomen naast lagere aanplantingen binnen een groot cirkelvormig of ovalen perk. Het concept sloot door dit alles beter aan bij het achterliggende Engelse landschapspark.

Een foto uit de late jaren 1950 maakt duidelijk dat de binnentuin niet al te lang daarvoor een nieuwe transformatie onderging. Mogelijk is dit gebeurd omwille van de uitbreiding en modernisering van de centrale verwarming waarbij aan beide zijden van de tuin - ondertussen verwijderde - grote stookolietanks werden ingegraven. De muur aan de straat is dan op drie plaatsen doorbroken. Dit vergrootte aanzienlijk de toegankelijkheid van het geheel, maar nam wel een deel van de intimiteit van het geheel weg. Naast de oude centrale toegang - die voorzien werd van een nieuwe dubbele gietijzeren poort - zijn er nu twee bijkomende doorgangen telkens aansluitend op de beide gebouwenvleugels loodrecht op de straat. Ook deze nieuwe doorgangen zijn voorzien van identieke dubbele gietijzeren poorten. Het metselwerk van de muur zelf lijkt volledig vernieuwd te zijn, maar de gietijzeren ornamenten tussen de diverse pijlers zijn vermoedelijk wel hergebruikt.

Rondom de gehele tuin en aansluitend op de straatmuur en de diverse gebouwen is een breed pad van vorstbestendige stoeptegels van Belgisch fabricaat (Louis Escoyez Tertre) gelegd. Deze tegels van het model ‘strié’ werden bij de recente restauratiefase deels herlegd, deels aangevuld met bijpassende nieuwe tegels van een verwant, maar licht afwijkend model.

In de binnentuin bleef de vijver behouden - al verdween wel de kabouter met zijn paddenstoel -, net als één van de cementrustieke zitbanken (in redelijke staat) en één van de bloemenstaanders in gegoten kunststeen. Ook heel wat ‘rots’elementen liggen nog verspreid over de binnentuin.

De groenaanleg was eind jaren 1950 duidelijk vernieuwd tegenover de situatie in 1935. De planten zijn rond 1960 immers zichtbaar anders en ook veel kleiner tegenover 25 jaar daarvoor.

De aanplantingen met onder meer diverse coniferen en lauriersoorten, maar ook ligustrum- en viburnumheesters, taxus, jeneverbes, schijnhulst, forsythia, scimia en tot voor kort ook mahonia - afgestorven door de werfactiviteiten in de binnentuin tijdens de recente restauratiewerken - lijken dan ook grotendeels niet veel ouder te zijn dan 50 jaar. De diversiteit van de aanplanting geeft een afwisselende indruk, ondanks recente schade door de verwijdering van de ingegraven stookolietanks, de fundering voor de tijdelijke werfkraan en geregelde stormschade. Een vakkundige gedeeltelijke heraanleg, zeker van de lege plekken, is dan ook aangewezen onder meer met het oog op een betere ontsluiting van dit gedeelte tijdens de vele geleide bezoeken en evenementen die in de aansluitende gebouwen doorgang vinden.

Nog een bijzonder element in de binnentuin is de gietijzeren waterpomp van de Antwerpse Fabrique spéciale de pompes W. Garvens succ. A. Bischoff et Cie, Rue Van Artevelde 17. De pomp is gemerkt door de ijzergieter en ook voorzien van het wapenschild van de stad Antwerpen. De pomp zelf is het laatst overgebleven exemplaar binnen de site.

  • Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen, Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg Antwerpen, Cel Monumenten en Landschappen, Beschermingsdossier.
  • Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen, Beschermingsdossier 4.001/12035/101.1, Park en domein van het Instituut der religieuzen (M. Baeck, 2013).
  • BAECK M. 1991: Gethsemani 1841-1991. Het instituut der Religieuzen ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Monumenten en Landschappen 10.6, 21-44.
  • BAECK M. 1993: De wintertuin van het instituut der Religieuzen Ursulinen te O.-L.-V.-Waver, Onze-Lieve-Vrouw-Waver.
  • VANDEN BEMDEN Y., CAEN J., BERCKMANS W., MALLIET A. & LAMBRECHTS L. 1992: Glas in lood, Monumenten en Landschappen, Cahier 1, Brussel, 130-132.
  • Mondelinge informatie verkregen van Eerwaarde Zuster Joanna Jans, v.z.w. Wintertuin.

Bron     : -
Auteurs :  Baeck, Mario, Steyaert, Rita
Datum  : 2015


Relaties

  • Is deel van
    Bosstraat
    Bosstraat (Sint-Katelijne-Waver)

  • Omvat
    Personeelswoningen Vinkenhof
    Vinkenhofstraat 36, 38, 40, 42, 44 (Sint-Katelijne-Waver)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Klooster- en scholencomplex zusters ursulinen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/86231 (Geraadpleegd op 19-08-2019)