Lo

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ plaats

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Lo-Reninge
Deelgemeente Lo
Straat
Locatie Lo (Lo-Reninge)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie Lo-Reninge (geografische inventarisatie: 01-07-2002 - 31-12-2003).
Links

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Lo, stad van 1173 inwoners (2002) en 1520 ha. Ingevolge K.B. van 10 juni 1969 en wet van 11 juli 1970 werd Pollinkhove bij Lo gevoegd; Ingevolge een tweede K.B. van 17 september 1975 en de wet van 30 december 1975 werd Reninge (samengesteld uit Reninge en Noordschote) eveneens bij Lo gevoegd, vandaar de naam Lo-Reninge voor de fusiegemeente. Lo is gelegen in de provincie West-Vlaanderen binnen de driehoek Veurne-Ieper-Diksmuide, met ten noorden: Alveringem (Alveringem), ten oosten: Nieuwkapelle (Diksmuide), ten zuidoosten: Reninge (Lo-Reninge) en ten zuiden en ten westen: Pollinkhove (Lo-Reninge). Landbouw- en woongemeente; industrieterreinen ontbreken te Lo. Lo maakt deel uit van de grachtenrijke polders met voornamelijk kleigronden. De belangrijke verkeersweg Hoogstade-Lo-Kaaskerke (N364) loopt dwars in oost-west-richting door het stadscentrum. De belangrijkste waterwegen zijn de Lovaart, de Slopvaartgracht (ten noorden) en de Grote Beverdijkvaart (ten zuidwesten). De in de 12de eeuw aangelegde Lovaart begint ter hoogte van de Fintele aan de IJzer (gehucht zie onder Pollinkhove), en mondt uit in Veurne in het kanaal Veurne-Nieuwpoort. De Grote Beverdijkbeek regelt de ontwatering van het gebied ingesloten door de Veurne-Ambachtdijk en de Groene dijk ten noorden van de IJzer (het zuidelijk gedeelte van Lo en noordelijk gedeelte van Reninge). De Slopgatvaart regelt de ontwatering van het noorden van Lo.

De naam Lo gaat etymologisch terug op het Germaanse "lauha" en is te verklaren als 'een plaats die hoger gelegen is dan zijn omgeving'. In het poldergebied kan Lo de betekenis hebben van 'bosje op zandige verhevenheid' (M. Gysseling). Volgens andere auteurs is Lo afgeleid van 'Loa' wat verklaard wordt als een 'verhevenheid of bosje, omringd van a of water, als soort schorre in waddengebied'. De stad Lo behoorde tot de Franse revolutie tot de kasselrij Veurne-Ambacht. Kerkelijk behoorde de stad Lo tot 1559 tot het bisdom Terwaan; van 1559 tot 1801 tot het bisdom Ieper; van 1801 tot 1834 tot het bisdom Gent en sedert 1834 tot het bisdom Brugge. Naast de Sint-Pietersabdij van Lo (tiendeheffer) bezaten ook de abdijen van Corbie en Clairmarais gronden te Lo.

ONTSTAAN VAN HET LANDSCHAP

Het grondgebied van Lo behoort tot de kustvlakte, die het resultaat is van een geleidelijke stijging van de zeespiegel in de Holocene periode door het smelten van het ijs van de laatste IJstijd. De zee overspoelde de laaggelegen kustvlakte en zette er zand en slib af, waardoor deze geleidelijk aan ophoogde. Door opslibbing en de vorming van duinengordels werd de invloed van de zee tijdelijk beperkt en kon veen ontstaan. Later brak de zee opnieuw door en kon het proces van ophoging via een net van watergeulen zich geleidelijk aan verder zetten. Omstreeks 2000 voor Christus was het grondgebied van Lo een bebost zandleemschiereiland dat zich aftekende in een uitgestrekt veengebied. Deze landschappelijke 'randsituatie', met zijn natuurlijke rijkdommen, zoals: veen, zout en wild, vormde een belangrijke factor in de bewoningsgeschiedenis van de streek van Lo. Op het eind van de 3de eeuw ondergaat het landschap rond Lo door de zeedoorbraak van de zogenaamde Duinkerke II-transgressie een ingrijpende wijziging. Het plateau van Lo wordt, behoudens een aantal hoger gelegen delen, met klei overdekt en twee actieve geulen, de oorspronkelijke IJzergeul en Alveringemgeul die ten oosten van het Plateau van Izenberge vloeide, omsloten het gebied. Hierdoor werd het landschap een schorrengebied dat na afwatering en bedijking door de mens tot een vruchtbaar landbouwgebied werd omgevormd.

De vondst van een gepolijste bijl uit het midden- of laat-Neolithicum (3500 à 1700 voor Christus) is het oudst aanwijsbare spoor van menselijke aanwezigheid op het grondgebied van Lo.

ROMEINSE PERIODE

Behalve de mogelijke aanwezigheid van een aantal Romeinse wegen door Lo, getuigen sporen van een vroeg-Romeinse centuriatio of verkaveling op de pleistocene eilandjes rond deze stad op een belangrijke agrarische activiteit in deze periode. Vermits dit verkavelingsschema bovendien ook te volgen is in het stratennet en de basispercelering van de stad Lo (hoofdstraten en vierkant marktplein) blijkt het middeleeuwse Lo wel degelijk een Romeinse stempel te dragen. Op basis van een toponymisch onderzoek zou het bestaan van een Romeins 'diverticulum' worden aangetoond van Aartrijke tot Lo, dit via Aartrijke-Eernegem-Ichtegem-Koekelare-Vladslo-Beerst- Kaaskerke-Oudekapelle-Nieuwkapelle-Lo. Vanaf Lo zou dit 'diverticulum' verder doorlopen via de Ooststraat, de Weststraat en de Hogebrugstraat, volgens een bepaald auteur ook via de Romanestraat op Pollinkhove. De nederzetting Lo vindt zijn oorsprong wellicht in één of meerdere landelijke nederzettingen die er al in de vroege Middeleeuwen gevestigd waren, in de overgang tussen de kustvlakte (schapenteelt en veenontginning) en het zandleemgebied (akker- en bosbouw). De precieze evolutie van een prestedelijke kern tot een echte stad, met als belangrijke economische en militaire troef de goede ontsluiting van wegen en waterlopen (IJzergeul en Alveringemgeul), is echter moeilijk te traceren.

ELFDE EEUW

Over de stichting van de Sint-Pietersproosdij - de latere augustijnerabdij - is weinig geweten. De overlevering van de Benedictijnen van Sint-Mauer schrijft de stichting toe aan een zekere Thomas omstreeks 1050. De aanwezigheid van een grafelijke residentie werpt een nieuw licht op het ontstaan van de Sint-Pietersproosdij: er zijn aanwijzingen dat de Sint-Pietersproosdij alsook de kerk gegroeid zijn uit een castrale kapel, waarbij wellicht door Filips van Lo op het eind van de 11de eeuw een kapittel van seculiere kanunniken werd gesticht. Wat er ook van zij, zowel Filips van Lo (zoon van Robrecht de Fries en vader van Willem van Lo) als Willem van Lo (geboren voor 1104) kunnen tot de belangrijkste weldoeners worden gerekend.

MIDDEN VAN DE ELFDE EEUW

Door de aanleg van de Oude Zeedijk wordt een definitieve ontsluiting van het westelijk poldergebied van de IJzergolf mogelijk. Hierbij neemt geleidelijk aan het economisch belang van de nederzetting Lo toe. Het tracé van de Oude Zeedijk kan gereconstrueerd worden via het toponiem 'Oude Zeedijkstraat'. Het is echter niet uitgesloten dat de zogenaamde 'Reningheersdijk' nog ouder is, waarvan het tracé op het grondgebied van Lo verliep langs de straten Hazewind-Noordhoek-Rozendale. 1089: eerste vermelding van Lo in een akte, waarbij graaf Robrecht II van Vlaanderen de bezittingen van het Sint-Donaaskapittel van Brugge in de 'Westhoek' opsomt. De vermelding "in parrochia lo" laat echter vermoeden dat er in 1089 sprake is van een georganiseerde parochie. 1093: Filips van Lo schenkt zijn tol- en opstalrechten aan de jonge proosdij.

TWAALFDE EEUW

1119: Jan van Waasten (1099-1130), bisschop van Terwaan (Lo behoorde tot 1559 tot het bisdom Terwaan) verzoekt het kapittel de regel van Augustinus aan te nemen. 1164: "Flandria Generosa (Chronicon Comitum Flandriae et continuationes)" vermeldt dat Willem van Ieper of van Lo rond 1164 in zijn versterkte residentie te Lo overleed. Topografisch en toponymisch onderzoek wijst op het bestaan van een versterkte motteversterking in het noordwestkwadrant van de stad, waar de middeleeuwse stadsgracht eveneens een opvallende knik vertoont. Het zou gaan om een omgrachte motte met de typerende opperhof-neerhofindeling. Volgens een recente hypothese zou deze versterking gegroeid zijn als onderdeel van een verdedigingsgordel in de tweede helft van de 9de eeuw aangelegd tegen de Noormanneninvallen. Begin van de 12de eeuw: Lo wordt opgedeeld in twee aparte juridische entiteiten waarbij de as van de huidige Oost- en Weststraat (mogelijk teruggaand op een Romeins 'diverticulum') de grens vormde. Het zuidareaal of het Zuidover viel onder de bevoegdheid van de graaf van Vlaanderen, het noordareaal of het Noordover onder de bevoegdheid van de proost. Elk gebied beschikte over zijn eigen baljuw, burgemeester en schepenbank. Deze opdeling zorgde regelmatig voor betwistingen, bv. over het onderhoud van de kloosterkerk die ook als parochiekerk fungeerde, of over de aanstelling van de stadsmagistraten. In 1520 wordt een nieuwe overeenkomst afgesloten: de proost en de graaf blijven elk hun burgemeester en schepenen benoemen, maar het opperste, middelste en lager gerecht van de stad zal voortaan geregeld worden door een gemengd college. Midden van de 12de eeuw: door de aanleg van de Lovaart wordt Lo, samen met Veurne aangesloten op de handelsas Ieper-Nieuwpoort. Dit kadert in het ambitieuze infrastructuurplan van Filips van den Elzas om het Vlaamse hinterland een goede verbinding met de zee te geven. 1167: volgens sommige auteurs kreeg Lo in 1167 stadsrechten van Filips van den Elzas. Dit is in tegenspraak met de hypothese dat Lo nooit een stadskeure ontvangen heeft, maar in de 14de eeuw wel als een stad optrad.

DERTIENDE EEUW

1213-1214: de vroegste stadsversterkingen kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden met het conflict van 1213-1214 tussen de Franse koning Filips de Schone en zijn leenman, graaf Ferrand van Portugal. De versterking bestond wellicht uit een gracht met een achterliggende aarden wal en houten poorten. 1220: de augustijnerabdij van Sint-Pieters wordt door Paus Honorius III in zijn recht als tiendeheffer voor het grondgebied van Lo bevestigd. 1231: bisschop Adam van Terwaan geeft de toestemming aan de abdij om de werking van het onlangs opgerichte hospitaal verder te zetten. Auteur H. Vandergucht plaatst in zijn "Loo illustre" van 1907 de stichting echter in het laatste kwart van de 17de eeuw. 1251: onder impuls van de stad Ieper en met de steun van gravin Margareta van Constantinopel worden belangrijke aanpassings- en verbeteringswerken uitgevoerd aan de waterwegen. Hierbij wordt wellicht de loop van de IJzer tussen Diksmuide en de Fintele gekalibreerd en werd ter hoogte van de Fintele een overdracht gebouwd (cf. gehucht Fintele onder Pollinkhove). In hetzelfde jaar verleende Margaretha van Constantinopel ook toelating om ten oosten van de Ieperlee een vaart te graven van Boezinge (Ieper) tot aan de "Knokke" te Reninge (de huidige vaart IJzer-Ieper). Zo ontstaat de handelsas Veurne(-Nieuwpoort)-Lo-Ieper die vanaf de 13de eeuw een belangrijke rol speelt in de groei van Lo. 1269: door de uitbreiding van de abdij wordt een stuk van de omwalling opgenomen in het noordoostkwadrant.

1289: de vermelding "Vulre Strate" (Volderstraat) wijst op het bestaan van een lakennijverheid, later wordt deze naam niet meer vermeld.

VEERTIENDE EEUW

1340: hoogtepunt van de lakennijverheid.

1364: Hendrik van Lo trekt samen met de Gentse tegenstanders van graaf Lodewijk van Maele op tegen de stad Atrecht. 1382: de stad Lo wordt bezet door de Engelsen, gesteund door de Gentenaren. Na 1385: het type stadspoort zoals de bewaarde Westpoort - een doorgang geflankeerd door twee ronde hoektorens, die iets vooraan in de wal geplaatst zijn - moet in Vlaanderen iets na het midden van de 14de eeuw gedateerd worden. Wellicht houdt dit verband met de versterkingsgolf onder de Bourgondische hertogen (Filips de Stoute) naar aanleiding van de dreigende Engelse inval in Kust-Vlaanderen na 1385 en begin 15de eeuw. Ook steden zoals Veurne, Nieuwpoort en Ieper krijgen in die periode hun eerste stenen omwalling. Te Lo worden wellicht enkel de vier poorten versteend.

VIJFTIENDE EEUW

1435: na de Kasselrijen van Sint-Winoksbergen en Cassel te hebben veroverd, belegeren en plunderen de Engelsen ook de stad Lo (Kasselrij Veurne). De kerk wordt in brand gestoken. 1438: pestepidemie te Lo. Mogelijk ook pest in 1455. 1444: Jan en Filips, graven van Lo, worden, daar ze samenspanden met de Gentse rebellen, verbannen en verbeurd verklaard. Vanaf 1446: wekelijkse markt op het Marktplein van Lo. 1468, 1478, 1481, 1489: belegering van Lo door Franse troepen. 1469: Lo telt bij benadering 661 inwoners. Dit eerder lage aantal is wellicht te wijten aan een besmettelijke ziekte in 1455, mogelijk de pest. 1492: stichting van het klooster van de Grauwzusters te Lo, dit vanuit het Nieuwpoortse huis van de Franciscaanse derde orde. Stuwende krachten zijn kanunnik de Vooght, verbonden aan het Sint-Walburga-kapittel, en zuster Maria Poret, de eerste overste. In 1493 kopen de zusters het huis en erf van David De Mol in de Zuidstraat van Lo. Met toestemming van Maximiliaan van Oostenrijk wordt hierop een kleine kapel, eetzaal, slaapplaats en torentje met klok opgetrokken. Het op vandaag bewaarde blok van kapel, doksaal, keuken en mogelijk ook de haakse uitbouw (zuidoostelijke vleugel) gaan wellicht terug op deze fase. 1499: eerste vermelding van brouwerij " 't Damberd".

ZESTIENDE EEUW

1537: de abdij verwerft van Nicolas de Jonghe een ommuurd terrein in de Mondstraat te Ieper. Dit wordt uitgebouwd tot refuge van de abdij. Midden 16de eeuw: de lakennijverheid dooft uit. 1559: door de herindeling van de bisdommen, ressorteert Lo onder het bisdom Ieper. 1565: bouw van het stadhuis door meestermetser Joos Staessin. 11 augustus 1566: de Beeldenstormers vernietigen de abdij en de kerk van Lo. De kanunniken trekken zich terug in hun refugehuis te Ieper. Lo zal veel te lijden hebben onder de godsdiensttroebelen en de daaropvolgende repressie. 1578: in de maand mei liggen diverse compagnies ruiters van de Staten (anti-Spaans) onder bevel van Guillielmus vanden Cathulle, heer van Assche, in garnizoen te Veurne en te Lo. De geusgezinde soldaten plunderen naast de abdij van Eversam (Stavele) ook deze van Lo. In december 1578 vestigen de malcontenten zich onder leiding van de heer van Montigny te Lo, laten er versterkingen opwerpen en plunderen de streek. 1580: in het strijdgewoel wordt Lo ook geteisterd door een felle brand. 1578-1582: in deze periode zou de stad ongeveer twintig aanvallen van zowel Spanjaarden als calvinisten te verduren hebben, met ontvolking als gevolg. Op last van de hertog van Anjou en de Prins van Oranje worden de poorten ontmanteld, zodat Lo, op de Westpoort en de stadsmuur na, een 'open stad' wordt. Wellicht wordt ook het kasteel dat op de plaats van de motte werd gebouwd door de Geuzen vernield. 1584: Lo wordt heroverd door de Spaanse landvoogd Alexander Farnese, hertog van Parma. 1596: Lo heeft te lijden onder de expeditietochten van het garnizoen van de Verenigde Provinciën vanuit Oostende.

ZEVENTIENDE EEUW

1604-1637: de Sint-Pietersabdij kent een grote expansie onder het prelaatschap van Remi de Zaman (1604-1637). In 1608 laat hij een nieuwe benedenkerk (een hallenkerk) bouwen en restaureert hij de bibliotheek. Aan het eind van zijn ambtsperiode liet hij wellicht nog een nieuwe hoeve en een gastenhuis bouwen. In 1621 wordt de Proosdij van Sint-Pieters officieel verheven tot abdij. In 1630 wordt de kapelanie gebouwd. Het huidige gemeentehuis gaat hierop terug, doch werd na de Eerste Wereldoorlog heropgebouwd. Circa 1642: Sanderus beeldt in "Flandria Illustrata" Lo af, onder meer met afbeelding van de "kerck van het Clooster ende de Prochie", het klooster (de abdij), het "Stadt-huys ofte Halle", het gasthuis, de Grauwe zusters en " 't Sieck-Huys van 't Clooster". Het hospitaal of gasthuis aan de oostzijde van de Markt - volledig verwoest tijdens de Eerste Wereldoorlog en op die plaats niet heropbouwd - moet op dat moment reeds gebouwd zijn, dit in tegenspraak met een bron die 1686 opgeeft als bouwdatum. Circa 1648 zou een schilderij met afbeelding van de gebouwen van de Sint-Pietersabdij gemaakt zijn, volgens de literatuur zou dit werk zich nog in de pastorie van Lo bevinden, (het voormalige abtsgebouw). Een plaatsbezoek aan de pastorie in augustus 2003 leerde echter dat het schilderij aldaar een kopie is uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Het is niet bekend waar het origineel zich bevindt. Tweede helft van de 17de eeuw: Lo wordt beurtelings veroverd en heroverd door de Fransen en Spanjaarden gedurende de Frans-Spaanse oorlogen. Als onderdeel van Veurne-Ambacht behoort Lo sedert de Vrede van Aken (1668) tot Frankrijk. De stad wordt geplunderd in 1645, 1646, 1648, 1651, 1658, 1672, 1683, 1688. Bovendien breekt in 1666 en 1669 de pest uit.

ACHTTIENDE EEUW

1710: bouw van de duiventoren, volgens de overlevering opgericht door de monniken als geschenk voor de pas verkozen abt Patricius Fraeys. 1713: door het Verdrag van Utrecht ressorteert Lo onder de Oostenrijkse Nederlanden. 1717: verovering van Lo door de Fransen, vanaf 1725 behoort Lo opnieuw tot de Oostenrijkse Nederlanden. 1782: bouw van de prelatuur of abtswoning, deels bewaard als de huidige pastorie aan de Noordstraat nummer 1, doch onderging wijzigingen na de oorlogsschade tijdens de Eerste Wereldoorlog. 1791-1802: tijdens de Franse Revolutie en de verovering en bezetting van onze gewesten die daarmee gepaard gaat, wordt Lo opnieuw belegerd. In 1793 worden 8000 soldaten van het keizerlijke leger in de stad ingekwartierd. 1796, 1797: de wet van 1 september 1796 nationaliseert de goederen van alle geestelijke instellingen. De augustijnerabdij wordt in 1797 aangeslagen en verkocht. Enkel de kerk, de prelatuur (de huidige pastorie), de kapelanij, enkele huizen in de Noordstraat, de duiventoren en enkele hoevegebouwen worden van de sloop gered. Waar de abdij op de Ferrariskaart (1770-1778) nog een aaneengesloten complex vormt, toont het primitief percelenplan (ca. 1835) enkel nog vrijstaande gebouwen (de kerk, de voormalige prelatuur enzomeer). Ook de goederen van het klooster van de Grauwe Zusters worden aangeslagen. Lo verliest in deze periode het statuut van stad. Ook de opdeling in Noord- en Zuidover valt weg.

NEGENTIENDE EEUW

1813: opmaak van een uitzonderlijk vroeg kadasterplan. Een afbeelding van dit plan is opgenomen in "Loo illustre, son origine, notice historique..." van 1907 door H. Vandergucht. 1836: oprichting van de gemeenteschool.

1848: een eerste restauratie van de Westpoort en het stadhuis. vóór 1849: een gedeelte van de stadsgracht tussen de steenweg naar Diksmuide (de huidige Ooststraat) en de abdijhoeve (Noordstraat) wordt gedempt. 1861: op de kaart van het Militair Cartografisch Instituut (1861) zijn een viertal molens aangegeven in de onmiddellijke omgeving van de stadsomwalling van Lo, waarvan drie aan de Lovaart. 1866-1869: de gedrongen Romaanse vieringtoren van de Sint-Pieterskerk wordt vervangen door een nieuwe neogotische toren met stenen spits naar ontwerp van architect M. Van Ysendyck (Schaarbeek). 1868: er wordt een nieuwe gemeenteschool gebouwd. 1870: een gedeelte van de gracht tussen de Lovaart en de Westpoort wordt gedempt en bouwklaar gemaakt (cf. Hogebrugstraat). 1881: twee jaar na de liberale wet Van Humbeek, die de neutraliteit van het gemeentelijk onderwijs oplegde, wordt de katholieke jongensschool bij het klooster van de Grijze Zusters toegevoegd. 1885: start van de firma Jules Destrooper, de huidige koekjesfabrikant. 1892: oprichting van een stedelijke brandweerdienst.

TWINTIGSTE EEUW

1900: Lo telt 1787 inwoners en 437 woningen. 1905: aan de Ooststraat wordt een nieuw patronaatsgebouw gebouwd door toedoen van priester M. Mouraux. 1906: restauratie van het stadhuis naar ontwerp van architecten J. Vinck (Veurne) en J. Naert (Brugge), uitgevoerd door aannemer Henri Vermander (Lo) en de schilder A. Wybo (Veurne) die onder meer ook de glasramen levert. 1910: riolering van de hele gemeentekom, gasverlichting in 1912. 1911-1913: ingrijpende restauratiewerken aan de Sint-Pieterskerk onder leiding van architect Jules Coomans (Ieper). Coomans restaureert in 1913 ook de duiventoren.

EERSTE WERELDOORLOG

In oktober 1914 neemt het Belgische leger zijn stellingen in aan de westzijde van de IJzer en achter de Ieperlee. Eind oktober wordt de strook tussen de IJzer en de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide onder water gezet, waardoor het front zich op de lijn Nieuwpoort-Diksmuide-Ieper-Armentiers stabiliseert. Lo ligt dus in het niet bezette deel van België. 20 december 1914: eerste Duits bombardement op Lo. 17 april 1915: Duitse vliegtuigen bestoken Lo met granaten. Balans van de verwoestingen eind juli 1915: het kerkdak is beschadigd, huizen in de Hogebrugstraat, de Weststraat en op de Oude-eiermarkt zijn vernield, de pastorie is zwaar beschadigd. Op de markt zijn drie huizen geteisterd; het gasthuis ligt volkomen in puin; de Ooststraat is bijna volledig vernield. juli 1915: Lo wordt het actieterrein van de zogenaamde "Mission Dhuicque". Eugene Dhuicque kreeg vanaf 20 mei 1915 van P. Poullet, Minister van Wetenschappen en Kunsten, de opdracht om de kunstvoorwerpen in het niet bezette België te redden, de noodzakelijke maatregelen te treffen om hetgeen restte van de vernielde monumenten te vrijwaren en tenslotte in het geval van herovering van bezet gebied onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen voor de goede bewaring van de kunstvoorwerpen. Op 8 augustus 1915 wordt deze opdracht omgezet in een "Mission permanente du Ministère des Sciences et des Arts", die al snel naar Dhuicque genoemd wordt. Behalve het in veiligheid brengen van de belangrijkste kunstvoorwerpen van de kerk, zoals de koorstoelen, de preekstoel, het orgel enzomeer worden onder deze missie ook diverse monumenten, zoals het stadhuis, de Sint-Pieterskerk, het klooster van de Grijze Zusters, het hospitaal (gasthuis), de duiventoren en de pachthoeve van de abdij, opgemeten en geregistreerd voor hun verwoesting.

De toren van de Sint-Pieterskerk wordt op 12 november 1915 opgeblazen door de Belgische genietroepen. De kerk, het stadhuis, het gasthuis, het klooster van de Grijze Zusters, de pastorie, de huizen in de omgeving van de markt (voornamelijk ten zuiden van de kerk), en in de Ooststraat worden door de Duitsers gebombardeerd. De meeste molens in de streek verdwijnen tijdens de Eerste Wereldoorlog. De zogenaamde "Gasthuismolen", een houten staakmolen aan de Zuidstraat wordt echter slechts in 1919 afgebroken.

WEDEROPBOUW

1919-1920: de ideeën van H. Lacoste (Doornik) omtrent de heraanleg van Lo worden door toedoen van de Hoog Koninklijke Commissaris De Groote sytematisch gereduceerd. Een eerste plan (1919) voorziet rondom de historische stadskern een prestigieuze wandelboulevard die - behoudens aan de oostzijde - grotendeels het tracé van de vroegere stadsomwalling volgt. Lacoste wil het radiaalpatroon van de historische stad vervolledigen met nieuwe invalswegen vanuit het centrum naar de omliggende gehuchten. Hij verzet zich tegen de wederopbouw van een aantal huizenrijen rondom de kerk, zodat deze vrij komt te staan. Dit project wordt echter in grote mate gereduceerd tot licht gewijzigde rooilijnen voor enkele hoofdstraten (Hogebrugstraat, Weststraat, Breydelstraat, Ooststraat en Oude-eiermarkt) zie rooilijnenplan 1920. De stadsuitbreiding binnen en buiten de 'boulevard' wordt geschrapt. Van de nieuwe wegen wordt enkel het oostelijk deel van de ringweg behouden, doch niet uitgevoerd. Toch blijft het oorspronkelijk concept om de kerk vrij te maken deels behouden. Het huizenblok ten zuiden van de kerk wordt niet heropgebouwd zodat de kerk nu min of meer vrijstaat aan de marktzijde. De huizen ten zuiden van de kerk worden wel behouden aan de Breydelstraat. De Ooststraat, de Breydelstraat en Oude-eiermarkt worden verbreed. Het verwoeste gasthuis aan de oostzijde van de markt met zijn 17de-eeuwse kern (cf. Mission Dhuicque) wordt vervangen door een huizenrij. Ter hoogte van de Ooststraat (buiten de historische stadsomwalling) verkopen landeigenaars akkers als landbouwgrond, waarop ruime huizen verrijzen. Rijen kleine, ongezonde woningen in de Oude Eiermarktstraat (zie primitief percelenplan), Sint-Jan en de Moeredijk (niet gesitueerd) worden niet heropgebouwd. Ten zuidoosten van de historische stad verkoopt het Armenbestuur landerijen als bouwgrond voor de nieuwe Gasthuiswijk, waar de minder begoede bevolking zich vestigt. Het gasthuis wordt ook in deze wijk herbouwd en kan aanvankelijk een twaalftal gezinnen huisvesten (zie Gasthuisstraat).

Bij de wederopbouw van Lo zijn voornamelijk volgende architecten betrokken: Jules Coomans (Ieper) voor de Sint-Pieterskerk en het voorliggende kerkhof, C. Pil en H. Carbon (Oostende) voor de onderpastorie en de omheiningsmuur van de pastorie en het kerkhof, en voor burgerhuizen (Hogebrugstraat en Markt), en J. Vinck (Veurne) voor het stadhuis.

BOUWKUNDIG ERFGOED

1939: bij K.B. van 20.2.1939 worden de Westpoort, het stadshuis en de Sint-Petruskerk beschermd als monument. 1957: bij K.B. van 06.07. 1957 wordt de duiventoren beschermd als monument. 1994: bij M.B. van 23.11.1994 wordt de historische stadskern beschermd als stadsgezicht. 2001: bij M.B. van 29.11.2001 wordt het klooster van de Grauwe zusters beschermd als monument. 2001-2002: heraanleg van de historische stadskern naar ontwerp van ingenieur G. Verschaeve en B. Van de Broecke-De Groote.

Het bouwkundig erfgoed van de gemeente Lo wordt in de eerste plaats getypeerd door het gegeven dat Lo een historisch vestingstadje is. Dit gegeven vindt men nog steeds terug in de bewaarde Westpoort en de deels bewaarde omwalling. De openbare en religieuze gebouwen bevinden zich dan ook binnen deze oorspronkelijke omwalling. De afbakening van het stadsgezicht (M.B. 23.11.1994) is gebaseerd op de historische omwalling, met een uitbreiding ter hoogte van de Hogebrugstraat - de oudste panden gaan hier eveneens terug tot de 17de eeuw - tot aan de Lovaart.

De Westpoort - een bakstenen poortgebouw met korfbogige doorgang onder schuinaflopende kantelen, geflankeerd door twee gesloten achthoekige torens - vormt het enige restant van de vroegere stadversterkingen van het middeleeuwse Lo. Dit type stadspoort gaat terug op de tweede helft van de 14de eeuw en kan in verband worden gebracht met de versterkingsgolf onder de Bourgondische hertogen naar aanleiding van van de dreigende Engelse inval in Kust-Vlaanderen na 1385. Ook de zogenaamde "Caesarsboom" bij de Westpoort is een erg bepalend element voor de geschiedenis van de stad Lo. Deze boom is genoemd naar de 17de-eeuwse legende waarbij Julius Caesar tijdens zijn doortocht naar Brittannië zijn paard aan deze Taxus zou hebben vastgebonden en zich bij de boom te rusten gelegd hebben. De openbare en religieuze gebouwen binnen de oude vestingstad gaan in hoofdzaak terug op de 16de en de 17de eeuw. Weliswaar dient opgemerkt te worden dat de meeste van deze gebouwen aanzienlijke schade opliepen tijdens de Eerste Wereldoorlog en dus herstel en restauratie ondergingen in de wederopbouwperiode.

Het stadhuis in regionale renaissancestijl gaat terug op 1565-1566 (zie de jaarankers "1566"). Het belfort werd in 1999 ingeschreven op de Lijst van het Werelderfgoed van de Unesco Conventie. Reeds in de tweede helft van de 19de eeuw deed het stadhuis ook dienst als afspanning.

De Sint-Petruskerk is een laatgotische hallenkerk die tot 1797 zowel dienst deed als augustijner abdijkerk van de Sint-Pietersabdij (koorgedeelte) en als parochiekerk (schip). In 1866-1869 wordt de gedrongen Romaanse vieringtoren vervangen door een nieuwe neogotische toren met stenen spits naar ontwerp van architect M. Van Ysendyck (Schaarbeek). In 1911-1913 worden ingrijpende restauratiewerken uitgevoerd naar ontwerp van architect Jules Coomans (Ieper). Genoemde architect zal na de Eerste Wereldoorlog ook de wederopbouw leiden.

Het klooster van de grauwe zusters gaat als stichting terug op het einde van de 15de eeuw. De kapel gaat in kern terug op het einde van de 15de eeuw. Midden 16de eeuw kent het klooster een belangrijke uitbreiding zie muurankers "1550" en "1560", laatst genoemde in traptoren.

Een erg belangrijk element voor de (stads)geschiedenis van Lo vormt de voormalige Sint-Pietersabdij. De Sint-Pieterskerk, de pastorie en de kapelanie, en de duiventoren getuigen nog van deze aanwezigheid. De pastorie - een beeldbepalend gebouw van twee bouwlagen - gaat terug op het voormalig abtsgebouw van de Sint-Pietersabdij. Iets verderop in dezelfde straat getuigt de duiventoren van 1710 - volgens metselaarstekens - van de belangrijke plaats die de augustijnerabdij innam te Lo.

Daarnaast worden de straten van de stad met aaneengesloten lintbebouwing getypeerd door een aantal gaaf bewaarde 17de-eeuwse of 18de-eeuwse panden. Voor de 17de eeuw wordt onder meer verwezen naar het hooghuis van de voormalige brouwerij " 't Damberd" aan de Hogebrugstraat nummer 1. De rechter zijgevel aan de omwalling - een vrij gesloten bakstenen trapgevel met bekronende uitkragende topzuil - is typisch voor de baksteenarchitectuur in de voormalige kasselrij Veurne. Voor de 18de eeuw kan onder meer verwezen worden naar de 18de-eeuwse burgerhuizen aan de Zuidstraat nummers 1-3 en de pastorie aan de Noordstraat nummer 1 (zie hoger). Merkwaardig is dat binnen de stadskern van Lo (aan de zuidzijde van de Hogebrugstraat, nummer 32) een hoeve gelegen is met 17de- of 18de-eeuwse kern. Daarnaast worden deze straten gekenmerkt door 19de-eeuwse burgerhuizen. Van groot belang zijn de 19de-eeuwse neoclassicistische brouwerswoning en enkele winkelpuien in de Hogebrugstraat (Hogebrugstraat nummer 4 en nummer 16). De Ooststraat wordt als enige stadsstraat gekenmerkt door wederopbouwarchitectuur voornamelijk getypeerd door kleine burgerhuizen.

Het Vateplein (Markt) - een rechthoekig grasplein afgezoomd met paardekastanjes - met de Vatevijver en de stadspomp met monumentale arduinen zuil getuigen van een vroeger gemeenschappelijk stadsleven. De Vatevijver - alsdusdanig reeds aangeduid op de Ferrariskaart van 1770-1778 - zou oorspronkelijk een veedrinkplaats geweest zijn.

Het oorlogsgedenkteken op de Markt dateert van 1923 en werd ontworpen door de beeldhouwer Antoon Van Parys (Deinze). Het beeldhouwwerk - met in het blok een versregel van Verschaeve - van een vrouw die met afgewend hoofd in de verte staart, richting IJzer werd in 1928 als expressionisme omschreven.

Het landelijk gebied van Lo wordt gekenmerkt door verspreide hoevebouw. De belangrijkste historische hoeve is gelegen aan de Zavelhoek nummer 3. Het hooghuis van deze hoeve gaat blijkens de laat-gotische typologie terug op de 15de of de 16de eeuw. Evenals bij de hoeve op de Kiviethoek nr. 1 is hier sprake van een hoeve met een structuur van een omwald opperhof met boerenhuis en een aantal kleine nutsgebouwen en een niet omwald neerhof met schuur en stalling.

Het boerenhuis van de hoeve op Kruisstraat nr. 4 dateert uit de 18de eeuw. Deze hoeve bewaart tevens een gave dwarsschuur met geïncorporeerde stalling, met beplankte langsgevels. Het rijkelijke boerenhuis op Kiviethoek nummer 1 werd circa 1865 gebouwd ter vervanging van een ouder exemplaar.

Een aantal dwarsschuren met beplankte langsgevels zijn bewaard, doch dit type schuren wordt zeldzaam. Van de zogenaamde 'mikke', een type kleine bergschuur dat voorheen typisch was voor de streek van Lo-Reninge is geen enkel voorbeeld bewaard op het Lo-Reningse grondgebied. Een voorbeeld van dergelijke schuur werd ontmanteld en heropgebouwd in het openluchtmuseum van Bokrijk. De rosmolens die in de 19de eeuw in deze streek vrij courant waren zijn op één exemplaar na verdwenen (zie Kiviethoek nummer 1). Tevens werd een rosmolen overgebracht naar genoemd openluchtmuseum.

Het landelijk gebied wordt tevens gekenmerkt door een aantal weg- en veldkapellen. De kapel en de beschaduwende lindebomen bij de erftoegang van de hoeve aan de Reningesteenweg nummer 12 zijn erg markerend in het verder boomloze landschap tussen de IJzer en de Beverdijkvaart, aansluitend bij de Reningse IJzerbroeken.

  • BAUWENS J., Lo, in Gidsenkring Westhoek Infoblad, jg. 36, nr. 2, 2000, p. 13-25.
  • BECUWE F., DEWILDE M., Bijdrage tot de bouwgeschiedenis van de Sint-Pietersabdij van Lo, in Lo, Parel van de Westhoek, 1089-1989, s.l., 1990, p. 27-35.
  • CORNETTE P., Een bijdrage tot de geschiedschrijving van Lo, s.l., 1982.
  • DALLE G., De bevolking van Lo, 1796-1856, in Lo, Parel van de Westhoek, 1089-1989, s.l., 1990, p. 45-50.
  • DE BAEKE S., Terugblik: Lo, Pollinkhove, Reninge, Noordschote, Beelden die spreken, Veurne, 1992.
  • GYSSELING M., De naam ‘Lo’, in Lo, Parel van de Westhoek, 1089-1989, s.l., 1990, p. 7.
  • MATTHYS R.J., Lo tijdens de eerste wereldoorlog 1914-1918, s.l., 1959.
  • NAERT U., De ‘heirweg’ Lo-Aartrijke: een Romeinse diverticula?, in Noortover, jg. 3, nr. 1, 1990-1991, p. 1-16.
  • NOTEBAERT A., NEUMANN C. e.a., Inventaris van het archief van de Dienst der Verwoeste Gewesten, Algemeen Rijksarchief, Brussel, 1986.
  • NOTERDAEME K., Wedstrijd tussen de landelijke gemeenten van de arrondissementen: Veurne-Diksmuide, Lo, 1952.
  • SCHOUTENS S., Het klooster der Grauwzusters te Loo, Hoogstraten, 1906.
  • SMETS M. (redactie), Resurgam, De Belgische wederopbouw na 1914, Gent, 1985.
  • STIJNEN H. e.a., Het verwoeste gewest 15/18. Mission Dhuicque, Brugge, 1985.
  • TERMOTE J. e.a., Wandelen in versterkte steden. Historische stadsversterkingen in Kent, Côte d' Opale en West-Vlaanderen, Ieper, 1999, p. 105-110.
  • TERMOTE J., VANACKER J., Het landschap rond Lo en het ontstaan van de stad, in Lo, Parel van de Westhoek, 1089-1989, s.l., 1990, p. 11-19.
  • VANACKER J. , 1089: ‘In parrochia lo...’, in Lo, Parel van de Westhoek, 1089-1989, s.l., 1990, p. 9- 10.
  • VANACKER J., Lo in de Late Middeleeuwen, in Lo, Parel van de Westhoek, 1089-1989, s.l., 1990, p. 21-27.
  • VAN AERSCHOT-VAN HAEVERBEECK S. e.a., De Westhoek. Tussen de IJzer en het kanaal van Duinkerke, Afdeling Monumenten en Landschappen, 1995.
  • VAN BUGGENHOUT J., Geschiedenis van onze parochies, Lo, in Bachten de Kupe, jg. 25, nr. 1, 1983, p. 57-64.
  • VANDERGUCHT H., Loo illustre, son origine, notice historique..., Veurne, 1907.
  • VAN HOLLEBEKE L., Cartulaire de l’abbaye de St. Pierre à Loo, 1093-1794, Brussel, 1870.

Bron: Vanneste P. met medewerking van Missiaen H. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Lo-Reninge, Deelgemeenten Lo, Noordschote, Pollinkhove en Reninge, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL14, (onuitgegeven wekdocumenten).

Auteurs: Missiaen, Halewijn & Vanneste, Pol

Datum tekst: 2005

Relaties

maakt deel uit van Lo-Reninge

Lo-Reninge (West-Vlaanderen)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat 2de Genielaan

2de Genielaan (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Ashoop

Ashoop (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Blauwvoet

Blauwvoet (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Gasthuisstraat

Gasthuisstraat (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Gravestraat

Gravestraat (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Hazewind

Hazewind (Lo-Reninge)

omvat Historische stadskern van Lo

Lo (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Kiviethoek

Kiviethoek (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Kruisstraat

Kruisstraat (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Lolege

Lolege (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Noordhoek

Noordhoek (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Noordstraat

Noordstraat (Lo-Reninge)

omvat Omgeving Alveringem, Sint-Rijkers en Lovaart nabij Fortem

Alveringem (Alveringem), Lo, Pollinkhove (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Ooststraat

Ooststraat (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Rabbelaresteenweg

Rabbelaresteenweg (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Reningesteenweg (Lo)

Reningesteenweg (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Rozendale

Rozendale (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Rozestraat

Rozestraat (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Schaerdeke

Schaerdeke (Lo-Reninge)

omvat Stadskern Lo

Breydelstraat, Gravestraat, Hogebrugstraat, Markt, Noordstraat, Ooststraat, Oude-eiermarkt, Rozestraat,...

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Turkeyen

Turkeyen (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Zavelhoek

Zavelhoek (Lo-Reninge)

Geen afbeelding beschikbaar

omvat Zuidstraat

Zuidstraat (Lo-Reninge)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.