Klooster en kapel Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Alternatieve naam vzw College Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn
Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Eeklo
Deelgemeente Eeklo
Straat Zuidmoerstraat
Locatie Zuidmoerstraat 125, Eeklo (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Adrescontrole Eeklo (adrescontroles: 05-06-2008 - 05-07-2008).
  • Inventarisatie Eeklo (geografische inventarisatie: 01-05-2001 - 31-05-2002).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Klooster en kapel Onze-Lieve-Vrouw-ten-Doorn

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

omvat de bescherming als monument Klooster Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn: congregatiekapel en deel klooster
gelegen te Zuidmoerstraat 125 (Eeklo)

Deze bescherming is geldig sinds 30-04-2004.

omvat de bescherming als monument Klooster Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn: kapel en deel klooster
gelegen te Zuidmoerstraat 125 (Eeklo)

Deze bescherming is geldig sinds 07-12-1983.

Beschrijving

Klooster en kapel van Onze-Lieve-Vrouw Ten Doorn, thans vzw College Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn. Het huidige klooster- en scholencomplex met kapel van Onze-Lieve-Vrouw Ten Doorn is een indrukwekkend ensemble waarvan de geschiedenis teruggaat tot het midden van de 15de eeuw en die innig verbonden is met de stad. Deels beschermd als monument bij MB van 07.12.1983 en 30.04.2004.

Historiek

Volgens de legende werd in 1448 in een bloeiende doornstruik een beeldje van Onze-Lieve-Vrouw gevonden dat op miraculeuze wijze steeds terugkeerde naar zijn oorspronkelijke locatie. Kort nadien stichtten enkele grauwzusters van Sint-Omaars in Noord-Frankrijk er een klooster met kapel. Een voorstelling hiervan binnen een rechthoekige ommuring is gekend door de kaart van P. Pourbus van 1562. Onder het Calvinistisch bewind in 1578 vluchtten de zusters met het miraculeuze beeldje naar Gent en werd het klooster verwoest. In 1649 krijgen de paters minderbroeders recolletten van de bisschop van Brugge de toestemming zich te vestigen in Eeklo, eerst in een privéwoning in de huidige Patersstraat. In 1664 kunnen de paters recolletten uit Brugge het vervallen complex van de zusters penitenten van Gent, de vroegere grauwzusters, aan de Zuidmoerstraat kopen. De paters verbleven eerst in een huis aan het Wallestraatje (thans Kloosterdreef) waar ze een noodkapel oprichtten. De kruisplanting gevolgd door de funderingen van de nieuwe kapel en het kloosterpand vonden reeds plaats in 1664. De bouwwerken werden uitgevoerd door broeders-metsers, -schrijnwerkers en –schaliedekkers. In 1665 was de refter klaar en op 25 oktober 1666 werd de eerste mis in de oostelijke helft van de kapel opgedragen. In 1667 was de oostelijke kloostervleugel klaar, de zuidelijke kloostervleugel was pas in 1670 voltooid.

In 1682-84 konden de werkzaamheden aan de kapel hervat worden en werd de westelijke helft en voorgevel gerealiseerd. De westelijke kloostervleugel werd afgewerkt in 1685. Het doksaal dateert van 1717 en is nog voorzien van het wapenschild van weldoener advocaat Jan Veltganck. In 1729 werd het oude kloosterhuis gesloopt en vervangen door een nieuwe vleugel met grote en kleine ziekenkamer. Volgens archiefdocumenten werd een nieuw torentje geplaatst boven het hoogzaal in 1758. Bij de afschaffing van het klooster van de grauwzusters in Gent, wordt het miraculeuze beeldje in 1785 teruggebracht naar de kapel in Eeklo. Na de verkoop van het recollettenklooster in 1797 krijgt het beeldje een veilig onderkomen bij devote bewoners van de stad om in 1828 terug te keren naar de kapel. Intussen was deze in 1820 op lijfrente aangekocht door kanunnik Triest voor de zusters van Liefde die er pas vanaf 10 mei 1832 definitief hun intrek zouden nemen. Intussen hadden het klooster en de kapel dienst gedaan als rechtbank, tempel van de vrede, gevangenis en waren aan een dringende restauratie toe. Bewaarde rekeningen van 1832-33 vermelden verschillende Eeklose ambachtslieden die er werkzaam waren onder leiding van timmerman-aannemer J.B. Cornelis. De restauraties duurden een gans jaar. Wijding van de gerestaureerde kapel op 25 mei 1833. In de plaats van de geplande ziekenzorg legden de zusters zich toe op het onderwijs. De eerste klassen en het pensionaat vonden een onderkomen in het kloostergebouw. In 1843 werd een tweede tuin en weilanden aangekocht. De aankleding van de kapel, volgens de annalen tot dan zeer pover, werd aangevat met onder meer nieuwe marmeren altaren en een marmeren lambrisering, een nieuw tabernakel, een preekstoel, de beelden van Onze-Lieve-Vrouw tussen Sint-Vincentius en Sint-Bernardus en tenslotte de apostelbeelden op sokkel. Vanaf de jaren 1860 werden de oude gebouwen aangepast en de eerste nieuwe schoolgebouwen opgericht. Nieuwe restauratie van de kapel onder leiding van architect J. Bruyenne (Doornik) in 1866, uitgevoerd door de firma Beernaert (Gent) en verdere aankleding van het interieur door talrijke schenkingen.

In de loop der jaren groeide Ten Doorn uit tot een bloeiende scholengemeenschap voor meisjes met vanaf de jaren 1870 een gestadige aangroei van het gebouwenpatrimonium. De eerste uitbreidingen gebeurden aan de noordzijde aansluitend bij het oude kloosterpand aan de Zuidmoerstraat, om geleidelijk de achterliggende gronden en tuinen in te nemen.

Het 17de-eeuwse klooster van de paters minderbroeders of recolletten omvatte de kapel met in het zuiden eraan palende pandhof op vierkante plattegrond en een in L-vorm aangebouwde, aan de noord- en westzijde aansluitende vleugel die een binnentuin aflijnden. Door de bouw van een zuidvleugel in 1884 werd dit tweede binnenhof gesloten. Op de bovenverdieping van de noordvleugel werd in 1884 een kleine kapel voor de Mariacongregatie van de leerlingen gebouwd, de zogenaamde congregatiekapel in een verzorgde neogotische stijl. J.B Bethune (1821-1894), die het Maria-altaar leverde in 1884 wordt als mogelijke ontwerper van de kapel aangegeven. J.B. Bethune, de geestelijke vader van de Sint-Lucasscholen en één der prominentste ontwerpers uit de tweede helft van de 19de eeuw werd in 1873 reeds door de zusters gevraagd het programma van de jubileumstoet te maken en wordt in 1884 bedankt voor het ontwerp van het altaar door zijn nicht, zuster in het klooster.

Circa 1900-02 wordt het klooster grondig aangepakt. De toegang tot de kapel van Onze-Lieve-Vrouw Ten Doorn wordt verplaatst naar de eerste travee van de noordgevel en tegen de westgevel wordt een nieuwe kloostertoegang gebouwd met op de bovenverdieping een uitbreiding van het doksaal van de oude kapel. In 1924 wordt dit nog verder vergroot waardoor twee vensters van de erachter liggende congregatiekapel verduisterd werden.

De oude noord- en westvleugel krijgen vermoedelijk in dezelfde periode een ervoor gebouwde circulatiegang en nieuwe gevels aan de binnentuinzijde. Circa 1900 ook worden de muur rechts van het voorpleintje, de bakstenen straatmuur voor de kapel, het ijzeren, thans witgeschilderde straathek en de hekken ter afsluiting van het voormalige kerkhof geplaatst. Alle nieuwbouw en aanpassingswerken sinds de jaren 1960 werden uitgevoerd door het Architectenburo De Vloed (Melle). De renovatie van het klooster startte in 1990. De kapel werd in verschillende fasen zowel exterieur als interieur gerestaureerd in de periode 1999-2005.

Beschrijving

Kapel Onze-Lieve-Vrouw Ten Doorn. Ten overstaan van de straat schuin ingeplante kapel met ten zuiden aanleunend pandhof en ten noorden het vroegere kerkhof, van de straat afgesloten door een hoge bakstenen muur, geleed door spaarvelden en toegankelijk via een ijzeren hek en geplaveide voorhof. Georiënteerde eenbeukige kapel op rechthoekige plattegrond, van vijf traveeën met iets smaller koor van drie traveeën en driezijdige sluiting. Opgetrokken uit bak- en zandsteen, thans naar oorspronkelijke toestand rood gekaleid voor het schip en rood met geaccentueerde witte voegen voor het koor met contrasterende grijsgeschilderde zandstenen hoekstenen en vensteromlijstingen. Noordgevel met in 1900 toegevoegd toegangsportaal met bekronende neobarokke topgevel en rondboogpoort in zware geprofileerde omlijsting, onder waterlijst. Fraai bovenlicht met gesmeedijzeren vulling met leliemotief tussen doornen, gesigneerd: "P. Vandeputte/ Eekloo 1923". In top opschrift: "Geloofd zij/ Jezus Christus/ Amen". Erboven deels gedicht steekboogvenster en gelijkaardige hooggeplaatste vensters onder waterlijstje. Hoog koor geaccentueerd door versneden rood- en witgeblokte steunberen waartussen omlijste steekboogvensters met ijzeren roeden en glas-in-loodramen onder waterlijstje. Afdekkend leien zadeldak met achtzijdig klokkentorentje met hoge naaldspits boven de eerste travee.

Ruime kapel enkel aan de noordzijde verlicht door steekboogvensters met decoratieve glas-in-loodramen en twee vensters met figuratieve glas-in-loodramen in het koor. De zuidzijde is voorzien van steekboognissen waarin monumentale schilderijen op doek met de "Zeven smarten van Maria" opgehangen zijn. Tussen de vensters of nissen en de marmeren lambriseringen werden omlijste vierkante of ruitvormige muurschilderingen met grisailles, teksten en symbolen voorzien. Overwelving met kruisribgewelven gescheiden door brede gordelbogen en ondersteund door verdiepte pilasters met composietkapiteel en verrijkt met apostelbeelden op sokkel met engelenhoofdjes. Westelijke travee met in 1717 toegevoegd doksaal op gedrukt tongewelf verrijkt met fijn stucwerk en centraal wapenschild van de schenker Jan Veltganck van een invloedrijke Eeklose familie. Muurboog met centraal verguld Lam en chronogram dat verwijst naar de Apocalyps of Openbaring van Johannes: "Laudentur septem signacula agni", (prijs de zeven tekenen van het Lam) het gevormde jaartal 1717 verwijst naar de oprichting van het koor. Zwikken met stucversiering en bekronende balustrade in smeedijzer, geplaatst in 1923 door kunstsmid P. Vandeputte naar ontwerp van A. Oosterlinck. Op de bovenverdieping werd het doksaal vergroot met één travee onder een kruisribgewelf en uitgebreid circa 1924 met een travee onder halfkoepelvormig gewelf met geprofileerde ribben en verlicht door getoogde vensters met glas-in-loodvulling. Zwart- en witmarmeren vloer met centraal stermotief.

Mobilair: Schilderijen: zeven monumentale schilderijen op doek door Ernest Wante (1872-1966) waarvan vier in schip van circa 1900 en drie in koor, van 1924. Onderaan iedere episode uit het leven van Maria is een scène uit de geschiedenis van de Mariadevotie in Ten Doorn weergegeven. Grisailles met "Het huwelijk van Maria en Joseph" en "De Heilige Familie", van 1932.

Beeldbouwwerk: miraculeus beeldje van Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn, volgens de legende in 1448 op wonderlijke manier in een doornstruik gevonden, vermoedelijk uit 13de of begin 14de eeuw, gekleed houten beeldje in koperen rozenkrans, op het Onze-Lieve-Vrouwaltaar. Beeld van Onze-Lieve-Vrouw staande op wolken in een krans van zonnestralen tussen Sint-Bernardus en Sint-Vincentius a Paulo boven hoofdaltaar, midden 19de eeuw; veertien beelden van de apostelen en evangelisten, in gegoten plaaster, witgeschilderd, op sokkel, midden 19de eeuw.

Meubilair: hoofdaltaar, witmarmeren altaar op sokkel van vijf treden, van 1907 met gesculpteerde panelen links en rechts van het tabernakel, werk van Geernaert (Gent), en vooraan het Laatste avondmaal; Noordelijk zijaltaar van Onze-Lieve-Vrouw, naar verluidt vernieuwd in 1903, witmarmeren tafel in neorenaissancestijl met verguld houten retabel met bekronende tekst: "Het dankbare Eecloo aan O.L.Vrouw Ten Doorn", uit de jaren 1920; zuidelijk zijaltaar van Sint-Jozef, witmarmeren altaar in neorenaissancestijl, vernieuwd in 1903 met recenter witmarmeren beeld van Sint-Jozef.

Communiebank in neorenaissancestijl van 1881, gesculpteerd hout met voorstellingen uit het Oud en Nieuw Testament, door beeldhouwer K. Smitz (Eeklo); oorspronkelijk ingewerkte en opgehangen preekstoel in neobarokstijl, uit midden 19de eeuw, gesculpteerd hout met op de kuip voorstelling van de vier evangelisten tussen getorste zuilen, en eindigend op een pijnappel, voorheen voorzien van een neogotisch klankbord en beeld van Heilige Petrus onderaan, later verlaagd en voorzien van een trap links.

Biechtstoelen: twee ingewerkte biechtstoelen in het koor, van circa 1900, en één rijkelijk gesculpteerde neobarokke biechtstoel, uit midden 19de eeuw. Kruisweg in gegoten plaaster, in zwartgeschilderde omlijsting met bekronend schelpvormig medaillon en kruis, gewijd in 1870 en afkomstig van het atelier Delanier (Gent). Twee koperen kandelaars op marmeren sokkels naast hoofdaltaar, van 1932. Toegangsportaal en lambriseringen met dubbele deur met gebrandschilderde panelen, van 1900. Glasramen: 8 decoratieve glasramen, vermoedelijk uit laatste kwart 19de eeuw en twee figuratieve glas-in-loodramen, gesigneerd en gedateerd: "J. Dobbelaere, Brugge, 1900", gerestaureerd in 1997. Rondom de kapel, boven de marmeren lambrisering, uit midden 19de eeuw, en achteraan onder het doksaal, talrijke witmarmeren danktegels waarvan de oudst gedateerde van 1903 en talrijke uit de jaren 1920-30. Twee vitrines met ex-voto’s, geplaatst in 1869 links van het miraculeuze beeldje.

Gedenkplaat als "Blijvende dankhulde van het Eeklose volk aan zijn machtige Beschermster", geplaatst in 1948 voor de 500ste verjaardag van het beeldje.

Kloostertoegang. Tegen de westgevel van de oude kapel wordt circa 1900 een nieuwe kloostertoegang gebouwd in de vorm van een poorttravee met bovenverdieping afgewerkt met een puntgevel. Rekeningen vermelden betalingen aan architect F. Van Wassenhove en aan aannemer J. Cambien voor de uitgevoerde werken. De rondboogpoort in arduinen omlijsting met sluitsteen en latei toont in het boogveld een banderol met verguld opschrift: "Institut N.D. aux Epines" "O.L.V. ten Doorn Inrichting". Erboven prijkt een arduinen rondboognis met beeld van Onze-Lieve-Vrouw en opschrift: "Ave Maria". Een klimmende boogfries lijnt de topgevel af. Achter de poort bevindt zich een brede gang met gestuct plafond, links een dubbele deur die toegang geeft tot de oude kapel, rechts een portiersloge en dubbele deur naar een spreekkamer. Aan het einde van de gang geeft een dubbele deur met glas-in-loodvulling toegang tot de noordelijke vleugel aan de tweede binnentuin. Links geeft een overwelfde 17de–eeuwse gang met kruisribgewelven verbinding met de oude pandhof. Op de bovenverdieping werd het doksaal van de oude kapel vergroot en uitgebreid circa 1924 met een travee.

Het oude kloosterpand. Ingeplant ten zuiden van de kapel met noordelijke pandgang aanleunend tegen het koor en deel van het schip. Verankerde, thans deels lichtgeelgeschilderde bakstenen vleugels met twee bouwlagen onder leien zadeldaken met kleine dakkapelletjes, opgetrokken op vierkante plattegrond. Sinds 1896 reeds is de binnenhof overkoepeld ter hoogte van de eerste bouwlaag en ingericht als refter. De eerste dakconstructie op gietijzeren zuilen van de "S. A. de Construction et des ateliers de Willebroeck-Bruxelles" werd inmiddels vervangen door een nieuw plat dak met lichtkoepels. Buitengevels geritmeerd door hoge rechthoekige vensters in vlakke omlijsting, op arduinen dorpels; nieuw schrijnwerk. Sober witgeschilderde 17de-eeuwse kloostergangen met fijne kruisriboverwelving, zwartmarmeren vloeren en brede korfboogvensters met wit glas-in-loodvulling uitziend op het vroegere binnenhof. In één raam aan de westzijde van de pandgang werden zes geschilderde brandglasramen herplaatst waaronder de twee bovenste oude medaillons zijn, uit het oorspronkelijke pand. Ze stellen de : "H. Laurentius" voor met jaartal "1685" en opschrift: "Laureys.Van.Damme" en "Catharina en de zalige Johana van Valois met het Kind Jezus" en opschrift: "Ioanna.Catharina.Pétit.Huysv. van.Lauw. Van.Damme". Deze waren een gift van L. Van Damme, toen schepen en later burgemeester van Eeklo. Ze werden bij de afschaffing van het klooster door de overste geschonken aan de afstammelingen van de familie Van Damme die ze later terugschonk. Omgeven door een nieuwe tekst werden ze samen met nieuwe medaillons van de families Van Damme (1851) en notaris Van der Weenen (1843) in de vensters van het kloosterpand geplaatst bij de overkoepeling.

In de noordelijke pandgang geeft een deur toegang tot de kapel. De deur met 19de–eeuwse glas-in-loodramen met voorstelling van "Saint-Vincent de Paul" en "Saint-Bernard", belangrijke heiligen voor de zusters van Liefde, is gevat in een fraaie gesculpteerde barokke deuromlijsting. Een 17de–eeuwse overwelfde gang leidt in het westen naar de tweede pandgang. Aan de oostzijde, achter de pandgang bevond zich de sacristie en de refter, aan de zuidzijde een trap en de ontvangstkamers en aan de westzijde de kapittelzaal. Refter en kapittelzaal werden in 1901 verbouwd tot spreekkamers. De bovenverdieping had eveneens een overwelfde gang aan de binnenhof zijde die toegang gaf tot de cellen. Recent werd de bovenverdieping volledig gerenoveerd.

Zogenaamde congregatiekapel op de bovenverdieping van de oude zuidvleugel van het klooster.

Kapel voor de Mariacongregatie van de leerlingen van Ten Doorn werd gebouwd door Moeder Chantal, overste van het klooster van 1884 tot 1924. Eenbeukige bovenkapel op rechthoekige plattegrond met vijf en een halve travee, overwelfd door een houten drielobbig gedrukt tongewelf met ongebruikelijke bovenlichten boven het koor waardoor een bijzonder intiem karakter gecreëerd wordt. Houten trekbalken op geprofileerde consoles ritmeren de kleine ruimte. Noordzijde verlicht door vier spitsboogvensters met neogotische tracering en glas-in-loodramen. Aan de zuidzijde waren oorspronkelijk drie identieke spitsboogvensters. Ze werden verbouwd tot deuren bij de toevoeging van de gang aan de binnentuinzijde circa 1900.

Kleine maar zeer intieme kapel door de homogene en stijlvolle neogotische stoffering. Gepleisterde en geschilderde wanden gedecoreerd met polychrome sjablonenbeschilderingen, in het koor met bloem- en leliemotieven, op een plint van imitatietegels. Overige wanden met geometrisch motief met imitatiestenen met gestileerd lelie of bloemmotiefje.

Mobilair: Beeldhouwwerk: polychroom houten beelden van Sint-Juliana en Sint-Agnes op sokkel: links en rechts van het hoogaltaar, een Heilig Hartbeeld en Sint-Jozefbeeld van gepolychromeerd gips op de scheiding van koor en schip.

Schilderijen: kopie van het schilderij "De boodschap aan Maria" van 1924, achteraan in de kapel, hier geplaatst in 1988. Kruisweg bestaat uit ingelijste foto's naar Theophile Lybaert. Glasramen, aangebracht na 1903, stellen heiligenfiguren en wapenschilden voor: aan de noordzijde van links naar rechts respectievelijk Sint-Vincentius-a-Paulo en Sint-Bernardus, Sint-Franciscus Xaverius en Sint-Mauritius, Sint-Theresia en Sint-Joanna Francisca de Chantal, Sint-Stephanus en Sint-Donatus. In de deuren aan de zuidzijde: de aartsengelen Gabriël, Michaël, Raphaël en de engelbewaarder, lelie tussen doornen en fontein als Mariasymbolen, Mariamonogram, symbolen van de vier evangelisten, hart, anker en kruis als symbolen van liefde, hoop en geloof, biddende en musicerende engelen, pelikaan, Lam Gods, IHS-monogram als Christussymbolen.

Meubilair: prachtige neogotische hoogaltaar naar ontwerp van de befaamde neogotische bouwmeester J.B. Bethune uitgevoerd door zijn medewerkers Leopold en Leonard Blanchaert en gepolychromeerd door Adrien Bressers uit de kunstenaarskolonie van Maaltebrugge. Het altaar bestaat uit een tombe en retabel met centraal Madonnabeeld en reliëfs met Maria-emblemen: gesloten hof, toren van David, spiegel, zon, poort des hemels, morgenster, maan, rozenkrans en een koperen tabernakel. Eiken communiebanken en een bidstoeltje behouden, vroegere zitbanken vervangen door stoelen.

Het tweede binnenhof, ook kloostertuintje van Sint-Jozef genoemd, heeft een vierkante plattegrond met aangelegde geometrische tuin met buxushaagjes, waterpartij, Sint-Jozefbeeld en gerecupereerd klokkentorentje van het vroegere internaat, hier geplaatst na verbouwingen in 1990. De oostwand wordt gevormd door de achtergevel van de voormalige kapittelzaal van het oude klooster, een verankerde bakstenen vleugel met twee bouwlagen onder een leien zadeldak geritmeerd door verkleinde rechthoekige vensters onder dubbele ontlastingsboog. De noord- en westvleugels behouden de laat 17de–eeuwse en vroeg 18de–eeuwse kern van de vroegere ziekenkamers met kruisriboverwelving met ervoor opgetrokken kleurrijke bakstenen gevels geritmeerd door rondboogvormige vensters en deurvensters onder booglijst op imposten, op de bovenverdieping voorzien van een neogotische roedeverdeling. Een muizetandfries lijnt de gevels af. Het interieur van de gangen wordt gemarkeerd door talrijke deuren met behouden origineel schrijnwerk met glas-in-loodvulling, fijne decoratieve roedeverdelingen of waaiers en geëtst glas. De zuidvleugel, opgetrokken in 1884 wordt geritmeerd door gevelhoge bakstenen pilasters met geprofileerde imposten verbonden door steekbogen. Dito bovenvensters en verbouwde bredere benedenvensters doorbreken de spaarvelden. Achter de zuidelijke pandgang vormt een ruime spreekkamer met behouden wandkasten en gerecupereerde glas-in-loodramen de overgang tussen beide zuidvleugels.

De achtergevel van de westvleugel ziet uit op de Kloosterdreef en verraadt door zijn zware muurankers, enkele zandsteenblokken en de getoogde en rechthoekige vensters in gepleisterde en witgeschilderde omlijstingen de oude kern van het vroegere patersklooster.

De schoolgebouwen. Binnen het immense terrein van het huidige Ten Doorn, begrensd door de Zuidmoerstraat in het noorden, het vroegere Blekerijstraatje en de Dullaert in het oosten, de Leikensweg in het zuiden en de Kloosterdreef in het westen, zijn de verschillende schoolgebouwen gelokaliseerd in een fraai aangelegde tuin. Deze ontstonden naar mate er nieuwe afdelingen kwamen in de school. De oudste, de lagere schoolgebouwen (1864, 1871) uitgebreid voor de normaalschool (1891-1894, in 1979 gesloopt) en het pensionaat (1882, 1909) werden ingeplant aan de Zuidmoerstraat en de Kloosterdreef, aansluitend bij het oude klooster. Voor de latere nieuwe afdelingen werden de gebouwen vrijstaand ingeplant in de tuin zoals het zogenaamde Sint-Paulus- (1910) en Sint-Theresiagebouw (1913), het Sint-Pietersgebouw (1938) met nieuwe keuken en labo's, de hoeve (1937) aan Dullaert en een modern humanioracomplex (1977) in de zuidoosthoek met ingang in Dullaert. Aan het einde van de Kloosterdreef, aan de westzijde van het terrein werd in 1978 Maria-ten-Doorn gebouwd, een nieuw klooster voor zusters op rust.

Lagere school en kleuterschool: In L-vorm opgetrokken imposante vleugels van veertien traveeën en twee en een halve bouwlaag aan de Zuidmoerstraat en eenendertig traveeën lange vleugel aan het vroegere Blekerijstraatje parallel met Dullaert. Verankerde bakstenen vleugels op lage hardstenen plint, volgens het kadasterarchief opgericht in 1899 en 1903, aan de straatzijde geritmeerd door rechthoekige, vlak omlijste vensters op hardstenen dorpels en bewaard schrijnwerk; horizontaliserende geprofileerde puilijst en architraaf en blinde venstertjes onder de kroonlijst. Dwarsvleugel met getoogde venster. Speelplaatsgevels met respectievelijk hoge rechthoekige vlak omlijste vensters (ontpleisterd op de bovenverdieping) en toegevoegde verdieping en fraai uitgewerkte gevels geritmeerd door bakstenen pilasters en spaarvelden afgewerkt met baksteenfriezen waartussen brede korfboogvensters met bewaard schrijnwerk voor de dwarsvleugel. Begane grond met talrijk deuren en gevelbrede luifel op ijzeren schoorstukken; toegevoegde halveverdieping.

Voormalig kostschoolgebouw, thans eerste graad. Westvleugel grenzend aan de Kloosterdreef en aansluitend bij de kloostergebouwen, volgens het kadasterarchief opgericht in verschillende bouwfasen: de noordelijke vleugel in 1894 en 1899, de uitbouw en zuidelijke verlenging in 1909. Dit laatste gedeelte werd in 1962 verhoogd met een overkragende bouwlaag op betonnen pilasters aan de straat- en speelplaatszijde.

Noordvleugel aan de speelplaatszijde geritmeerd door pilasters en getoogde spaarvelden waartussen steekboogvensters, verkleind op de bovenverdieping en toegevoegde halve verdieping tussen vroegere getrapte dakvensters. Gevelbrede luifel op ijzeren schoorstukken voor de begane grond. Centrale uitbouw met trappenhuis, met drie bouwlagen en leien schilddak, in de zijgevel gedateerd "anno 1909". Gemarkeerd middenrisaliet met rondboognis waarin twee glas-in-loodramen ter verlichting van het trappenhuis: op het eerste bordes een getoogd raam geplaatst ter ere van de 25 jaar overste van Mère Chantal (1884-1909) met voorstelling van de hoogtepunten van haar carrière, op het tweede bordes een drielicht met voorstelling van Onze-Lieve-Vrouw tussen twee heiligen.

Interieur met mooie hardstenen bordestrap met gesculpteerde houten trappaal en gesmeed ijzeren leuning en tegen de muur een hoge plint van faiencetegels afgewerkt met een groene boord en fries met art nouveau bloemmotieven.

Speelplaats ervoor met behouden rij houten banken met typische ijzeren voeten, een pergola, een overdekte zitruimte, twee rijen leilinden en een rij kastanjebomen.

Het vroegere gebouw voor het onderhoudspersoneel en het zogenaamde Sint-Theresiagebouw: thans lagere school: vrijstaande dwarsvleugel in de tuin. Volgens het kadasterarchief werd de noordelijke vleugel opgericht in 1896, in 1913 sluit het nieuwe Sint-Theresiagebouw naar plannen van architect J. Haché, hierbij aan. De in 1902 gebouwde watertoren (aannemer Cambien) tussen beide werd gesloopt in 1967. Noordvleugel van tien traveeën en twee en een halve bouwlagen onder leien zadeldak, opgetrokken uit donkere baksteen op een grijze gecementeerde plint. Voorgevel geritmeerd door bakstenen pilasters met uitgewerkt kapiteel en getoogde spaarvelden doorbroken door verbrede, omlijste vensters op arduinen dorpels en bakstenen dropmotief; gekoppelde vensters in de halve verdieping.

Sint-Theresiagebouw: imposante schoolvleugel ten zuiden aansluitend bij het oudere gedeelte, volgens het kadasterarchief en de bouwplannen van architect J. Haché, van 1913. Opgetrokken op T-vormige plattegrond, met drie bouwlagen onder snijdende pannen zadeldaken. Eclectische baksteenarchitectuur gekenmerkt door gele bakstenen speklagen, en sterk geritmeerd door lisenen, Brugse traveeën en spaarvelden. Traditionele trapgevels werken de zijgevels en risalieten af. De dwarsvleugel van zeven traveeën wordt gemarkeerd door een middenrisaliet met trapgevelbekroning en Brugse travee eindigend in een rondboognis met beeld van Sint-Theresia op sokkel. De begane grond werd uitgebouwd met een gevelbrede veranda onder plat dak. Grotendeels behouden witgeschilderd schrijnwerk.

Het Sint-Paulusgebouw, thans administratief gebouw: vrijstaand gebouw in de tuin, opgetrokken in eenzelfde eclectische stijl als het Sint-Theresiagebouw, volgens het kadasterarchief en bouwplannen van 1910 naar ontwerp van architect J. Haché. Kleurrijke baksteenbouw van oranje baksteen met gele bakstenen speklagen en een plint, vensterdorpels en lateien, kordon- en waterlijsten van hardsteen. Sterk symmetrische opbouw op U-vormige plattegrond met naar het noorden gerichte voorgevel, drie bouwlagen en afdekkende snijdende pannen zadeldaken. Dwarsvleugels en middenrisaliet met trapgevelbekorning. Gevels voorts geritmeerd door getoogde spaarvelden waarin getoogde en rechthoekige vensters met bewaard witgeschilderd houtwerk; gekoppelde twee- en drielichten op doorgetrokken dorpels op de bovenverdieping van de zijgevels. De achtergevel werd op dezelfde wijze geconcipieerd met uitspringende zijrisalieten en een smal middenrisaliet met trapgevelbekroning, in het middenrialiet met typische Brugse travee eindigend in een rondboognis met Sint-Paulusbeeld door Verwilghen (1911) en huisnaam "St.-Paul" in het boogveld.

Het oorspronkelijk rijkelijke interieur met onder meer een houten schouw en wandkast in art-nouveaustijl, binnenschrijnwerk, tapijttegelvloeren, een hardstenen trap met ijzeren leuning en betegelde plint bleef grotendeels behouden.

Het Sint-Pietersgebouw, vroegere humanioraklassen: ten zuiden van het Sint-Paulusgebouw in L-vorm opgetrokken klassenvleugel, volgens bewaarde plannen naar ontwerp van architect Ray Rooryck (Gent) van 1937, op een gevelsteen links van de ingang gedateerd "anno 1938" met deels onleesbaar opschrift: "me posuit/ (eveerus) Van Rechem.../...". Functionele bakstenen vleugel met vier bouwlagen en laag pannen zadeldak. Gemarkeerd centraal toegangsportaal in de westgevel met drie deuren in een arduinen omlijsting onder luifel, vooraf gegaan door een bordes van drie treden. Begane grond met brede drie- en vijflichten en vrij kleine vierkante vensters op de bovenverdiepingen. Haakse vleugel onder plat dak. Behouden typisch interbelluminterieur met ruim verlichte circulatiegangen aan de voorzijde met bewaarde tegelvloeren met kleurrijke, rode, witte, grijze en zwarte tegels met geometrisch motief, hoge betegelde pinten, zwartmarmeren trappen met art-decoleuning en origineel binnenschrijnwerk. Tezelfdertijd werd de tuin ervoor heraangelegd met brede geplaveide lanen door tuinarchitect Jean Canneel-Claes. Ten zuiden aansluitende recentere vleugel met twee bouwlagen en plat dak.

De nieuwbouw naar ontwerp van het architectenbureau De Vloed (Melle) ten oosten van deze vleugel omvat nieuwe Centrale keuken en een eetzaal opgericht in 1981 ter vervanging van het in 1959 als polyvalente zaal heropgerichte paviljoen van de "Expo '58" en nieuwe labogebouwen (1971).

De voormalige hoeve tenslotte, haaks ingeplant op Dullaert, in het zuidoosten van het huidige domein van Ten Doorn, werd gebouwd in 1937-38 in typisch regionalistische baksteenstijl. Langgestrekt gebouw met één bouwlaag, gestut door afgeschuinde steunberen, onder verspringende steile pannen zadeldaken tussen aandaken met vlechtingen. Twee dakvensters met tuitgevelbekroning boven de ingangstraveeën. Vierkante blokramen met roedeverdeling. Op de plaats van de moestuin werden in 1977 de nieuwe humanioragebouwen opgericht.

Verharde paden verbinden de verschillende gebouwen. Tussenin zijn grasperken aangelegd, met parkbomen en struiken en enkele beelden. Een Heilig Hartbeeld op sokkel staat voor het Sint-Paulusgebouw en een grote Lourdesgrot in kunstbeton met calvarie achteraan bij het kostschoolgebouw. De buste van Carolus Linnaeus (1933) werd in 1996 herplaatst bij de ingang van Dullaert. Het zuidwestelijke deel van het domein wordt nog grotendeels ingenomen door een landschapstuin met slingerpaden, graspartijen en bomen.

  • Generalaatsarchief van de zusters van Liefde van Jezus en Maria, Gent, Fonds Eeklo
  • Vlaams Ministerie van RWO, Agentschap R-O Vlaanderen, R-O Oost-Vlaanderen, Onroerend erfgoed, archief.
  • Jardins modernes, architecte-jardiniste : Jean Canneel-Claes, (L’art de batir, 1944, nr. 1-2, p. 55-58).
  • LAMPAERT L., De Geschiedenis van Eeklo, Eeklo, 1967-1973, p. 109-111, 154-158.
  • VAN CLEVEN J., Neogotisch Eeklo en de Eeklose begraafplaats, Eeklo, 1990.
  • VAN HOECKE R., De zusters van Liefde in ten Doorn (1822-1965), Eeklo, 1998.
  • VAN HOECKE R., De annalen van Ten Doorn (1-13), (De Eeklose Dobbelgebakkene, IV-VII, 1995-1998).
  • VERSCHUERE A., De Minderbroeders te Eeklo, 1649-1949, Mechelen, 1949.

Bron: -

Auteurs: Bogaert, Chris & Lanclus, Kathleen

Datum tekst: 2002

Relaties

maakt deel uit van Zuidmoerstraat

Zuidmoerstraat (Eeklo)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.