erfgoedobject

Sociale woonwijk Westerkwartier

bouwkundig geheel
ID: 122176   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/122176

Juridische gevolgen

Beschrijving

Sociale woonwijk, tussen 1922 en 1980 grotendeels gerealiseerd door huisvestingsmaatschappij De Oostendse Haard, naar ontwerp van architecten als G. Hendrickx en C. Colassin (Brussel), H. Michel en L. Jacquet (Luik), Groep Planning (Brugge) en A. Raoux, A. Daniëls, R. Meyer en P. Felix (Oostende).

Het stratenpatroon volgt het dambordschema van Victor Besme (1899) en gedurende meer dan een halve eeuw werd grotendeels vastgehouden aan eenzelfde tuinwijkinplanting: losse huizengroepen omheen vanaf de straat toegankelijke binnenterreinen, meestal als gemeenschappelijke groenruimte met aansluitend omhaagde privétuinen. De bebouwing betreft voornamelijk laagbouw eengezinswoningen (of duplexen), type enkelhuis met één à twee bouwlagen en twee traveeën, veelal volgens spiegelbeeldschema. De architecturale uitwerking van de woningen weerspiegelt de veranderingen in stijl en bouwtechnieken.

Bouwgeschiedenis: algemeen

Reeds voor de Eerste Wereldoorlog speelde het stadsbestuur van Oostende met het idee om sociale woningen te bouwen. In 1913 bezocht een delegatie (met stadsingenieur A. Verraert) woningen van de Gentsche Maatschappij der werkerswoningen met het oog op de bouw van een wijk voor vissersgezinnen. Aanvankelijk liet men zijn oog vallen op grond van Ostend Phare Extension (OPEX)aan de Spuikom maar omdat dit teveel voorbereidende werken vergde, werd gestart in het Westerkwartier (ten westen van de Stuiverstraat, ten zuiden van de Nieuwpoortsesteenweg, ten oosten van de Elisabethlaan en ten noorden van de Leffingestraat), waar zich goedkope grond bevond, zij het van slechte kwaliteit en ver van het centrum (vandaar de volksnaam Siberië).

In 1921 werd de sociale huisvestingsmaatschappij De Oostendse Haard opgericht en een wedstrijd uitgeschreven voor 198 woningen met zes winkels. In het wedstrijdprogramma – dat enkel sloeg op de gevels en groepering per straat – vroeg De Oostendse Haard aangename, aantrekkelijke, nette en gerieflijke huizen, aangesloten op elektriciteit, gas en water, met voldoende zon, ruime achterplaatsen en tuinen, brede en afwisselende straten met bomen en bloemperken, en afwisselende gevels qua stijl, lijn en kleur. Van de drie ingezonden voorstellen zouden er twee gerealiseerd worden, met name die van de Oostendse architecten Achille-Emille Raoux en André Daniëls.

Hierop werd in 1922-1923 een nieuwe, nationale architectuurwedstrijd georganiseerd die betrekking had op de gevels en het algemeen liggingsplan voor alle gronden van de maatschappij. De jury met het stadsbestuur, De Oostendse Haard, André Daniëls, stadsingenieur A. Verraert, de architect van de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken (NMGWW) Adolphe Puissant en Huib Hoste (afgevaardigde van de architecten) concludeerde dat de wedstrijd niet het verhoopte resultaat had opgeleverd. Vijftien architecten hadden deelgenomen (waaronder Louis Herman De Koninck). Georges Hendrickx en Charles Colassin (Brussel) werden bekroond met de eerste prijs, Henri Michel en Louis Jacquet (Luik) met de tweede, en ook Alex Vermeulen (Gent) en Jean De Ligne (Brussel) kregen een vermelding. Hendrickx en Colassin mochten een deel van hun plan realiseren (150 van de 1.050 huizen), evenals Michel en Jacquet (50 huizen) onder coördinatie van Hendrickx en Colassin.

De gefaseerde aanleg vanaf 1922 tot begin jaren 70, opgevat naar de heersende principes over sociale en fysieke hygiëne, resulteerde in een stratenpatroon dat grosso modo het dambordschema volgt van het plan van Victor Besme uit 1899 voor de westelijke stadsuitleg. De overwegend rechthoekige bouwblokken die hiervan het gevolg zijn, leverde de volkse wijknaam Den Blok op. Een rechtstreekse aansluiting bij de Elisabethlaan (een drukke ringweg) ontbreekt. Opvallend is dat gedurende meer dan een halve eeuw grotendeels vastgehouden werd aan eenzelfde tuinwijkinplanting: losse huizengroepen omheen vanaf de straat toegankelijke binnenterreinen, meestal als gemeenschappelijke ruimte met aansluitend omhaagde privétuinen (haagliguster). De bebouwing betreft voornamelijk laagbouw eengezinswoningen (of duplexwoningen), type enkelhuis met één à twee bouwlagen en twee traveeën, veelal volgens spiegelbeeldschema. De architecturale uitwerking van de woningen weerspiegelt de veranderingen in stijl en bouwtechniek.

De eerste fase (1922-1925): De Oude Blok of ‘t Bolsjevistenkwartier

De eerste fase (1922-1925) van Achille-Emille Raoux (en uitgevoerd door de aannemers Coussee & Bostoen uit Roeselare) omvat 198 huizen in drie bouwblokken, begrensd door de Dokter Verhaeghe-, Overvloed-, Gelijkheid- en Spaarzaamheidstraat, en van elkaar gescheiden door de Werkzaamheid- en Verenigingstraat; het middelste in twee verdeeld door de Bruidstraat. Daarnaast werden tussen 1926 en 1928 aan de oostelijke zijde van de wijk (Broederlijkheidsstraat 34-58) nog dertien gelijkaardige huizen opgetrokken door aannemer Auguste Reynders (Oostende). Zeven huizen hiervan waren ook in opdracht van De Oostendse Haard (nummer 42-54), de overige zes (nummer 34-40 en 56-58) van de Brusselse organisatie Foyer du Mutilé die met giften van Canadese organisaties en privépersonen deze huizen optrok voor oorlogsverminkten. Op deze huizen bevonden zich oorspronkelijk marmeren platen met de namen van de schenkers (nummer 56 "Presented by George Chahoon").

Elk van de drie bouwblokken bestaat uit zes of acht ten opzichte van de rooilijn verspringende rijen van zes tot dertien enkelhuizen. De hoeken blijven onbebouwd omdat hoekhuizen vanuit hygiënisch standpunt als ontoereikend werden gezien (door het gebrek aan licht en lucht). Centraal bevinden zich bredere straatgedeelten met een centraal grasperk en bomen. Binnen het bouwblok bevinden zich private, met ligusterhagen afgeboorde achtertuintjes en een openbare groenzone. De geplande gemeenschapsvoorzieningen zoals een wasplaats en douches werden niet uitgevoerd. De huizen hebben één à twee bouwlagen en meestal twee traveeën, onder meer volgens spiegelbeeldschema. Het straatbeeld is gevarieerd door de verschillende venstertypes, ornamenten, dakvormen (mansarde- en zadeldaken, al dan niet met dakkapellen) gevelvormen (lijstgevels, onderbroken door risalietvormende schouder-, tuit- of klokgevels) en de verspringende rooilijn. De planindeling van de huizen is geïnspireerd op de burgerwoning met pronkkamer. Het originele, art-decogetinte schrijnwerk is slechts heel fragmentair bewaard (bijvoorbeeld Verenigingstraat 104 en Werkzaamheidstraat 98).

De tweede fase (1925-1929)

De tweede fase (1925-1929) omvat de uitvoering van de wedstrijdontwerpen "Y mieux vivre" van Georges Hendrickx en Charles Colassin, en "Pax" van Henri Michel en Louis Jacquet, uitgevoerd onder leiding van eerstgenoemden. In 1925 keurde de NMGWW de plannen van Hendrickx en Colassin goed voor 38 huizen met 42 wooneenheden en de plannen van Michel en Jacquet voor 28 huizen (Oostendse Haardstraat 34-54, Gelijkheidstraat 167-177 en Overvloedstraat 25-45). Deze huizen werden gerealiseerd door Christiaens en Bonheure. In 1928 keurde de NMGWW plannen van Hendrickx en Colassin en Michel en Jacquet goed voor 39 bijkomende huizen met 43 wooneenheden aan de Gelijkheidstraat. Deze werden gerealiseerd door Lingier (Bredene).

Deze bouwfase bestaat uit twee geometrisch onregelmatige woonblokken en twee gebroken straatwanden ten westen van de Overvloedstraat (en een aparte woninggroep aan de Broederlijkheidstraat 42-54). Door deze onregelmatige inplanting worden verschillende pleintjes gevormd, ontstaan interessante perspectieven en wordt een zekere beschutting geboden tegen de wind. Langs deze straten staan vooral aaneengesloten rijen enkelhuizen met twee bouwlagen onder zadeldaken maar ook twee appartementsgebouwtjes van drie bouwlagen op straathoeken: Oostendse Haardstraat 19-21 met muurankers "D.O.S.H." (verwijzend naar De Oostendse Haard) en Dokter Verhaeghestraat 128-130 met bas-reliëfvoorstellingen van een schip en meeuwen. Dit laatste gebouw werd in 2014-2016 gerenoveerd met respect voor de erfgoedwaarde. De binnenterreinen worden hier volledig ingenomen door achtertuinen die weliswaar ook ontsloten worden door doorsteken. De architectuur is art deco- en cottage-getint met licht variërende lijstgevels, afwisselend gebruik van rozige baksteen en cement, deurluifels, accentuerende puntgevels en dakkapellen onder gebogen kroonlijst en witgeschilderd schrijnwerk. Overvloedstraat 31 heeft behouden houtwerk (kozijnvenster met kleine roeden, rolluikkast op begane grond en ruitvormig beglaasde deur met rechte luifel). Wat planindeling betreft, is de woonkamer afwisselend voor- en achteraan geplaatst omwille van de oriëntatie (lichtinval). Aan de Oostendse Haardstraat staan bergiepen.

De derde fase (1937-1939)

De derde fase (1937-1939) van architect André Daniëls is opgevat als een kopstuk van de verkaveling en bestaat uit een drieledige huizenrij aan de Nieuwpoortsesteenweg 295-323 met een ten opzichte van de rooilijn inspringend centraal gedeelte, voorzien van een voortuin, en links en rechts aansluitende hoekpanden (Goedheidstraat 1-3 en Dokter Verhaeghestraat 119-121). Laatst genoemde is de pendant van de ertegenover gelegen hoek (Dokter Verhaeghestraat 156-158 en Nieuwpoortsesteenweg 325-327) met ertussen een pleintje waar winkel- en hoekpanden een drieledige, bakstenen toegangspoort tot de Oostendse Haardstraat flankeren. Dergelijke wijkbegrenzing is typisch voor de tuinwijkgedachte. Het straatbeeld wordt bepaald door lijstgevels van gele baksteen met gecementeerde bovenverdieping en horizontaal belijnde muuropeningen op begane grond. Aan de Nieuwpoortsesteenweg 309 fungeert een risalietvormende puntgevel als centraal, verticaal accent. Nieuwpoortsesteenweg 311 bevat behouden houtwerk zoals luiken. Deze woningen hebben een klassieke planindeling (met pronkkamer) en ruime private tuinen die toegankelijk zijn via doorsteken.

Vierde fase (1948-1967) De Nieuwe Blok

Na de oorlog breidde architect Daniëls de wijk aan de noordelijke zijde uit met verschillende woninggroepen. Van 1948 tot 1950 werden 36 woningen gerealiseerd in het bouwblok Werkzaamheid-, Dokter Verhaeghe-, Vereniging-, Goedheidstraat. De inplanting is gelijkaardig aan die van de bouwfase uit 1922-1925 met open hoeken en verspringende huizenrijen waartussen toegang tot gemeenschappelijk binnengebied met aansluitende private achtertuinen. Ook de architecturale vormgeving sluit aan bij de naburige bouwfase van 1922-1925 met sober baksteentraditionalisme en een afwisseling van lijst- en puntgevels. Vernieuwing speelt zich voornamelijk af in het interieur met het verdwijnen van de pronkkamer en de introductie van een (weliswaar minimale) badkamer en een van binnenuit toegankelijke WC. Het bouwblok tussen de Spaarzaamheidstraat, Verenigingstraat, Dokter Verhaeghestraat en Goedheidstraat werd in twee bouwfasen (1957 en 1966) bebouwd met in totaal 47 woningen in een vergelijkbare inplanting en architectuur (met één huizenrij per straat en duplexen op de uiteinden). Deze huizen werden uitgevoerd door de Oostendse aannemer D. Blontrock en waren bedoeld voor bewoners van de Arsenaalstraat en Gistelsesteenweg die onteigend werden omwille van de aanleg van een autosnelweg. In 1967 ten slotte ontwierp Daniëls nog een complex met één winkel en zeven appartementen van vier bouwlagen onder een plat dak op de hoek van de Nieuwpoortsesteenweg en de Goedheidstraat 2.

Vijfde fase (1956/1959)

In 1956 breidde de Oostendse Haard de wijk uit in de noordoostelijke hoek met een reeks sociale woningen naar ontwerp van de Oostendse architect René L. Meyer aan de Dokter Verhaeghestraat 81-95, Werkzaamheidstraat 37-55 en Goedheidstraat 13-23 (uitgevoerd door aannemer O. Van Slambrouck uit Torhout). De vierde straat van dit bouwblok (Overvloedstraat) was reeds in 1940 bebouwd met de parochiekerk Sint-Godelievekerk (zonder nummer) en aangevuld met private huizen (nummer 2-32). De huizengroepen met sociale woningen staan opnieuw ingeplant met open hoeken en voetpaden naar het binnengebied. Aan de Werkzaamheidstraat staan traditionele bakstenen woningen van één bouwlaag onder een zadeldak met gevelbrede klimmende dakkapellen. Opvallend is het grote vensteroppervlak en de verdiepte erker met voordeur in de zijgevel, wat een zekere beschutting biedt. De gezinswoningen van twee bouwlagen onder zadeldak aan de Goedheidstraat en Dr. Verhaeghestraat hebben een modern karakter door de bekleding van de bovenverdieping met rechthoekige betonpanelen, het grotere vensteroppervlak, en de asymmetrische, horizontale gevelverdeling.

In 1959 bouwde dezelfde architect een qua inplanting en architecturale vormgeving vergelijkbaar huizenblok van 36 woningen aan de Werkzaamheid-, Rode Kruis-, Vereniging- en Gelijkheidstraat voor de in 1951 opgerichte, Oostendse bouwmaatschappij De Gelukkige Haard. Aannemers De Picker & Peel uit Zarren waren verantwoordelijk voor de uitvoering. Aan de Werkzaamheidstraat en Verenigingstraat werden ook bel-etagewoningen voorzien met garage in het souterrain, volledig bekleed met betonpanelen.

In 1956-1957 ontwierp de Oostendse architect Paul Felix een bouwblok van 52 woningen aan de Spaarzaamheid-, Gelijkheid-, Broederlijkheid- en Dokter Verhaeghestraat (uitgevoerd door aannemer D. Blontrock uit Oostende). Hij volgde hierbij de gebruikelijke inplanting van kleine woninggroepen die toegang mogelijk maakt tot een binnengebied met private tuinen. Hij voorzag echter geen woningen aan de Gelijkheidstraat omdat deze een noordelijk georiënteerde tuin zouden hebben. De woningen bestaan zowel uit gezinswoningen als duplexwoningen voor bejaarden (Dr. Verhaeghestraat 66-74) en veel aandacht werd besteed aan privacy (onder andere door gesloten achtergevels). De architecturale vormgeving is eenvoudig maar zorgvuldig en goed geproportioneerd, en werd door Huib Hoste geprezen omdat die een rechtstreekse vertaling was van de plattegrond. Aan de Spaarzaamheidstraat (102-112) werd rond de millenniumwissel een huizengroep gesloopt en vervangen door een hedendaagse nieuwbouw van Que Mas. Ook de duplex bejaardenwoningen aan de Dr. Verhaeghestraat werden tussen 2014 en 2016 gesloopt voor vervangingsbouw (naar ontwerp van architect Van Belle).

Zesde fase (1961)

De Oostendse architect Jan Tanghe behield voor zijn bouwblok Overvloed-, nieuwe Golven-, Spaarzaamheid- en Gelijkheidstraat de kenmerkende inplanting met open hoeken en toegangswegen tussen de huizenrijen naar gemeenschappelijke groenruimte uitgevend op omhaagde achtertuinen. In dit ontwerp werden echter ook voortuinen voorzien (behalve aan de Gelijkheidstraat). Qua woningtypologie bestaat het geheel uit 14 duplexwoningen en 20 eengezinswoningen van twee bouwlagen (uitgevoerd door aannemer A. De Picker uit Zarren). De architectuurtaal is uitgesproken modern met een ritmische opeenvolging van uitspringende bakstenen inkompartijen ten opzichte van verdiepte gecementeerde gevelvlakken, onder licht hellend dak. Het interieur wordt gekenmerkt door een vooruitgeschoven inkomportaal met fietsenberging.

De zevende fase (1970): De Bunkertjes

De zevende fase (1970) van Groep Planning (Jan Tanghe en Willy Canfyn) omvat het bouwblok Overvloed-, Schelpen-, Werkzaamheid, Gelijkheidstraat. Het bestaat uit 56 woningen (50 bejaardenwoningen in duplex, zes bel-etage gezinswoningen) en een gemeenschapslokaal (ondertussen ook omgebouwd tot gezinswoning) en werd gerealiseerd door aannemer weduwe Verbeke-Debruyne uit Bredene. De inplanting sluit aan bij die van de vorige bouwfasen in deze wijk (woninggroepen met open hoeken en toegangen naar een gemeenschappelijk binnengebied). Afwijkend is dat de inplanting van de woningen veel grilliger is (woningen verspringen ten opzichte van elkaar), dat het groene binnengebied volledig publiek is (oorspronkelijk was een centrale vijver voorzien) en dat deze groenzone ook doorloopt aan de voorzijde van de woningen. Dit project toont Jan Tanghes persoonlijke affiniteit met de hedendaagse Engelse architectuurtheorie en -praktijk (zoals universiteitscolleges) waarin de nadruk gelegd werd op het verstrengelen van architectuur en stedenbouw en wat aansluit bij het structuralisme.

De architecten besteedden veel aandacht aan de eenvoudige structuur van de woningen en het uitzicht vanuit de woning. De architectuur bestaat uit analoge, maar niet identieke modules van twee à drie bouwlagen onder plat dak met typerende kubistisch uitgebouwde trappenhuizen en een brutalistisch materiaalgebruik van zichtbare beton en baksteen (vandaar de volksnaam De bunkertjes). Schrijnwerk is in donker geschilderd hout. In 1977-1978 bouwde Groep Planning naast dit geheel nog twee appartementen in een gelijkaardige vormgeving (Gelijkheidstraat 174).

Vanaf eind jaren 1970

Eind jaren 1970 zijn de gronden van De Oostendse Haard in het Westerkwartier nagenoeg volgebouwd. Op resterende stroken, aan de zijde van de Elisabethlaan, worden in 1980 twee appartementsgebouwen met 54 appartementen en halfondergrondse garages opgericht met toegang aan de Schelpenstraat 2-8 en de Golvenstraat 2-12, naar ontwerp van de Oostendse architect August Duchateau. In dezelfde sociale context wordt vanaf 1981 tussen beide appartementen het provinciaal dienstencentrum De Schelpe gebouwd, naar ontwerp van architect A. Lemahieu (Schelpenstraat 18-20). In 1998 werd het appartementsgebouw aan de Schelpenstraat uitgebreid met 24 appartementen (nr. 10-16) naar ontwerp van Maes-Debusschere.

Evaluatie

Deze wijk werd binnen de thematische inventarisatie van het sociale woningbouwpatrimonium zeer hoge tot uitzonderlijke erfgoedwaarde toegekend (top van de selectie).

Het Westerkwartier in Oostende is als geheel uniek voor Vlaanderen omdat men gedurende een halve eeuw (1920-1970) vasthield aan eenzelfde stedenbouwkundig model met bouwblokken van gegroepeerde laagbouw, open hoeken en een semipubliek groen binnengebied (stedenbouwkundige waarde). Bovendien biedt het een overzicht van de veranderende architectuurtaal in deze periode, gaande van het regionalisme en de art deco uit het interbellum, over het baksteentraditionalisme en modernisme van de jaren 50-60 tot het structuralisme en brutalisme van de jaren 70 (architecturale waarde).

Essentiële elementen die de erfgoedwaarden van deze verschillende fasen ondersteunen zijn de inplanting (rond publiek toegankelijke groene binnengebieden met aansluitend omhaagde privétuinen), de algemene architecturale volumetrie (laagbouw) en de uniformiteit per bouwblok. In tweede instantie dragen ook de algemene materialiteit (vaak geelrode baksteen en rode pannendaken), het silhouet en de volumewerking van zowel voor- als achtergevel bij tot deze erfgoedwaarde.

De bouwfase van 1970 heeft een bijzonder hoge erfgoedwaarde, eerst en vooral architecturaal en stedenbouwkundig. Reeds onmiddellijk na de bouw werd dit complex erkend als een voorbeeldproject, zowel door de Nationale Maatschappij voor Huisvesting als door de toenmalige architectuurwereld. En ook in recente standaardpublicaties aangaande sociale huisvesting blijft men deze waarde erkennen. De reden voor deze hoge waardering is meervoudig. Het project betekende eerst en vooral een mijlpaal in het vroege oeuvre van Groep Planning, een multidisciplinair studiebureau op het gebied van architectuur, stedenbouw en ruimtelijke planning dat opgericht werd in 1966 en tijdens het laatste kwart van de twintigste eeuw uitgroeide tot één van de belangrijkste bureaus in België.

Voor de ruimere geschiedenis van de sociale huisvesting in Vlaanderen is dit project belangrijk omdat het één van de eerste realisaties was waarin men zich afzette tegen de grootschalige hoogbouwwijken die de voorgaande decennia waren opgetrokken in lijn met het functionalistische gedachtegoed van CIAM en het economische denken. In plaats daarvan kwam met dit project de nadruk te liggen op eigenschappen als identiteit, herkenbaarheid, leefbaarheid en kleinschaligheid. Dergelijke kwaliteiten werden verkregen door een lagere densiteit, door laagbouw, een doordachte inplanting en een gevarieerde schakeling van analoge, maar niet identieke modules. Als dusdanig is deze wijk een voorbeeld van het structuralisme dat een internationale verspreiding kende met Aldo Van Eyck in Nederland en Alison en Peter Smithson in Groot-Brittannië. In plaats van functionele zonering, legden zij nadruk op samenlevingsverbanden als onderlegger voor architectuur, wat tot uiting kwam in een gebalanceerd evenwicht tussen publiek en privaat, en de zorgvuldig uitgewerkte overgangen ertussen. Dergelijke kwaliteiten zijn ook aanwezig bij De Bunkertjes. Vooral de tendensen uit Groot-Brittannië lijken invloed te hebben uitgeoefend op dit project, niet alleen in het brutalistische materiaalgebruik (Alison en Peter Smithson’s introduceerden het begrip "new brutalism") maar ook in de stedenbouwkundige dimensie ervan, met een schakeling van semi-private binnentuinen die reminiscenties oproepen aan Engelse universiteitscolleges. De contemporaine architectuurtheorie en -praktijk uit Groot-Brittannië diende Jan Tanghe eind jaren zestig inderdaad als voorbeeld in zijn pleidooi om architectuur en stedenbouw niet langer als twee afgescheiden disciplines te behandelen maar ze op elkaar te betrekken. Bij dit project slaagde hij er voor het eerst in die visie ook daadwerkelijk te realiseren.

De geïntegreerde visie op architectuur en stedenbouw draagt bij tot de grote ensemblewaarde en zeldzaamheid van dit bouwkundige geheel en binnen het Oostendse Westerkwartier (dat op zich een uitzonderlijke doorsnede geeft van de sociale huisvesting tijdens de 20ste eeuw) kan het project van Groep Planning dan weer beschouwd worden als één van de laatste, meest uitzonderlijke en best bewaarde bijdragen (contextwaarde).

De bouwfysische toestand van dit bouwkundige geheel is relatief goed en de gave bewaring garandeert de herkenbaarheid. Wat de verbouwing van de club tot eengezinswoning betreft, dient opgemerkt dat dit van in het begin door de architecten expliciet als mogelijkheid werd opgenomen. Deze gemeenschappelijke ruimte werd immers zodanig geconcipieerd dat de verbouwing tot eengezinswoning slechts enkele ingrepen in het interieur vereiste. Deze verbouwing schaadt dan ook niet aan het oorspronkelijke concept, wel integendeel.

De appartementsgebouwen uit 1967, 1980 en 1998 sluiten niet aan bij het stedenbouwkundige en architecturale concept van de wijk maar deze van 1980 en 1998 vormen wel een geslaagde buffer voor de drukke Elisabethlaan.

  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Dienst Onroerende Transacties, registratiefiches, SHM 3320, Oostende, Westerkwartier.
  • BAERTSOEN M. 1913: Gentsche Maatschappij der werkerswoningen. Historisch overzicht, Gent, 25.
  • BEKAERT G. & DE MEYER R. 1981: Paul Felix. Architectuur 1913-1981, Tielt, 52-53, 60, 179 & [1955].
  • BEKAERT G. & STRAUVEN F. 1971: Bouwen in België 1945-1970, Brussel, 311 & 345-346.
  • CHOAY F. 1997: Groep Planning. Verweven als leidraad : 1966-1996, Brugge, 58.
  • CORNILLY J. 2007: Modern bouwen tussen strand en duin. Bouwen aan de Belgische kust in de periode 1945-1975, Brugge, 29-31.
  • DECERF F. 2003: De Oostendse Haard : duurzame huisvesting, levende buurten, Oostende, s.p.
  • DE MEULDER B., DE DECKER P., VAN HERCK K., RYCKEWAERT M. & VANSTEELANT H. 1999: Over de plaats van de volkswoningbouw in de Vlaamse ruimte, in: Huiszoeking. Een kijkboek sociale woningbouw, Brussel, 57-59.
  • DEVRIENDT L. 1986: Sociale woningbouw te Oostende, onuitgegeven verhandeling Rijksuniversiteit Gent, Burgerlijk ingenieur architect, 83-106, 149-159, 177-184, 202-206, 212-232, 275-277, 309-321, 326-349, 377-381.
  • DREESEN & VANDAMME G. 1984: Geschiedenis van een parochie te Oostende. Sinte-Catharina vergaan... Sinte-Godelieve ontstaan, Oostende.
  • FELIX P. 1957: De woning in de moderne architectuur, West-Vlaanderen, juli, 203.
  • FRANKIGNOULLE P. 2003: Sociale woningbouw, in: VAN LOO A. (ed.), Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, 463.
  • l’Habitation à bon marché 1922, 11, 276; 12, 292; 1923, 4, 78; 7, 149-152; 1925, 3, 58; 1925, 4, 79; 7, 140; 1928, 10, 200; 11, 217; 1929, 2, s.p.; 1929, 8, 148; 1935, 1, 9; 1936, 8, 192.
  • HOSTE H. 1957: Moderne woningen in West-Vlaanderen, West-Vlaanderen, juli, 238-240.
  • La Maison 1953, 8, 237.
  • PUTTEMANS P. 1975: Moderne bouwkunst in België, Brussel, 226-227.
  • S.N. 1923: La cité-jardin d’Ostende, l’Habitation à bon marché, 7, 149-152.
  • S.N. 1931: De Oostendse Haard. Samenwerkende Maatschappij. Aangenomen door de Nationale Maatschappij voor goedkoope woningen en woonvertrekken. Maatschappelijke Zetel: stadhuis Oostende. Tienjarig overzicht 1921-1931, Oostende.
  • S.N. 1952: Oostende herbouwt, s.l. , 17-25.
  • S.N. 1957: Le Groupe de Wante (Ostende), La Maison, 8, 248-249.
  • S.N. 1972: Oostende, Wonen, 55-56, 60-62.
  • S.N. 1997: Monografieën erkende bouwmaatschappijen, in: S.N., Bouwstenen van sociaal woonbeleid ’45-‘95. De VHM bekijkt 50 jaar volkshuisvesting in Vlaanderen. Deel 2, Brussel, 125.
  • S.N. s.d. (2001): De Gelukkige Haard: Vijftig Jaar, Oostende, 15-16.
  • TANGHE J. 1968: La pensée urbanistique et architecturale en Grande-Bretagne, La Maison, 4, 149-150.
  • TERNIER L. 1997: Geschiedenis van het Westerkwartier, onuitgegeven verhandeling Gidsenkring Lange Nelie.
  • VERCAUTEREN A. 1994: De geschiedenis van de sociale huisvesting: overzicht van de toestand te Oostende, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Vrije Universiteit Brussel, 74.
  • VERPOEST L. 2003: Groep Planning, in: VAN LOO A. (ed.), Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, 324-325.
  • VERSTRAETE I. 2005: Tussen theorie en praktijk: De evolutie van de woningen uit “Wonen” van het NIH tussen 1958-1980, onuitgegeven verhandeling Katholieke Universiteit Leuven, Burgerlijk ingenieur architect, 187-216.
  • Informatie over groenaanleg verkregen van Herman van den Bossche (18 juli 2016).

Bron     : -
Auteurs :  Callaert, Gonda, Delepiere, Anne Marie, Hooft, Elise, Kerrinckx, Hans, Vandeweghe, Evert, Vanneste, Pol
Datum  : 2016


Relaties

  • Is deel van
    Oostende
    Oostende (Oostende)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Sociale woonwijk Westerkwartier [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/122176 (Geraadpleegd op 19-10-2019)