is deel van de aanduiding als vastgestelde archeologische zone Prehistorisch sitecomplex in alluviale context in de Scheldevallei
Deze vaststelling is geldig sinds
Dit gebied ligt tussen Welden (Oudenaarde) in het zuiden, Zingem (Kruisem) in het westen, Meilegem (Zwalm) in het oosten en Dikkelvenne (Gavere) en Gavere in het noorden. Bijna het hele landschap behoort tot de alluviale vlakte van de Scheldevallei. Dit meersenlandschap kent verschillende afgesneden meanders van de Schelde.
De Scheldevallei wordt gekenmerkt door kleine reliëfverschillen. Deze vinden hun oorsprong in de aanwezigheid van oeverwallen en komgronden, evenals in het bestaan van zandige laatglaciale ruggen en opduikingen. In dit voornamelijk vlakke landschap is de oostelijke steilrand tussen Gavere en Dikkelvenne - die ook de dalwand van de Vlaamse Vallei vormt - juist weer erg uitgesproken. Daarnaast spelen in het reliëf ook het voorkomen van oude Scheldemeanders en de aanwezigheid van lagergelegen percelen een rol. Hier werd alluviale klei voor dakpan- en baksteenproductie ontgonnen.
Aan de alluviale Scheldevlakte met een breedte van 1-2 km en de brede, trechtervormige uitmonding van de Zwalmbeek liggen betrekkelijk vlakke gebieden die geomorfologisch tot het laagterras van de Schelde behoren. Op de rechteroever, tussen Ename en Nederzwalm, strekt zich een laag gebied uit dat doorsneden wordt door de Rijtgracht en de benedenloop van de Oossebeek. Ten noorden van Nederzwalm liggen op de rechteroever de Scheldemeersen van Dikkelvenne en Gavere, die respectievelijk Weymeersch en Neermeersch worden genoemd. Op de linkeroever gaat het reliëf van de brede alluviale vlakte in het westen geleidelijk over in de Vlaamse Zandstreek. Het laagterras wordt in het oosten landinwaarts door een sterke helling begrensd.
De geologische kaart toont in de ondergrond een afwisseling van kleiige en zandige sedimenten, die tijdens het paleogeen tussen ongeveer 66 en 2,54 miljoen jaar geleden werden afgezet. Deze afwisseling is het gevolg van verschillende geologische processen, zoals wisselende zeespiegels, klimaatveranderingen, rivierafzettingen en tektonische bewegingen die zich miljoenen jaren geleden hebben voorgedaan. De tertiaire lagen bestaan bovenaan uit mariene sedimenten van zeer fijn zand, grof silt en klei (Formatie van Tielt) van ongeveer 50 miljoen jaar geleden. Deze zandige laag vormt een watervoerend pakketje boven de dikke kleiafzetting van de Formatie van Kortrijk van ongeveer 56 tot 52 miljoen jaar geleden. Deze dikke kleiafzetting bestaat in dit landschap uit twee onderscheiden afzettingen: bovenaan de klei van het Lid van Aalbeke en daaronder de veel dikkere en heterogenere afzetting van het Lid van Roubaix, waarin zandige en kleiige lagen met vaak het groenige mineraal glauconiet elkaar afwisselen. Door het lithologisch contrast tussen de waterdoorlatende zanden van de Formatie van Tielt boven op de slecht waterdoorlatende kleien van de Formatie van Kortrijk kan grondwater dat door de zandige lagen stroomt, niet verder zakken. Het water treedt zijdelings uit aan het oppervlak, wat leidt tot natuurlijke bronvorming op het raakvlak tussen de Formatie van Tielt en de kleiafzetting van het Lid van Aalbeke. Zo ontsprongen er in de omgeving van Dikkelvenne zo’n 70 bronnen, waardoor het dorp ook als ‘bronnendorp’ bekend staat.
Een extra gevolg van de afwisseling in grondlagen is het optreden van grondverschuivingen. Het Lid van Aalbeke, dat deel uitmaakt van de Formatie van Kortrijk, bevat namelijk veel smectiethoudende kleien. Deze kleien zijn zeer plastisch en hebben een hoge zwelcapaciteit. Wanneer deze kleien onder de zandige pakketten van de Formatie van Tielt voorkomen, kunnen ze in combinatie met zeer steile hellingen gemakkelijk grondverschuivingen veroorzaken.
Dergelijke grondverschuivingen worden doorgaans veroorzaakt door een samenloop van factoren, zoals hoge neerslaghoeveelheden en menselijke ingrepen. Denk hierbij aan het aanleggen van vijvers, afgravingen, ophogingen, het afdichten van bronnen en andere bodemverstorende activiteiten. In de Dieptestraat en de Sint-Christianastraat in Dikkelvenne zijn twee dergelijke grondverschuivingen gedocumenteerd op het niveau van de bronnen. Deze complexe grondverschuivingen, met een ondiep schuifvlak, beslaan respectievelijk een oppervlakte van 0,26 en 1,0 hectare.
De sedimenten uit het paleogeen werden in recentere tijden afgedekt door quartaire sedimenten. Deze deklaag is op het plateau ten oosten van de Scheldevallei vrij dun, maar in de Scheldevallei zelf kan de dikte van het quartaire pakket van alluviale sedimenten meer dan 15 meter bedragen.
Geografisch maakt dit landschappelijke geheel deel uit van de Midden-Schelde en bevindt zich in de zuidwestelijke uitloper van de Vlaamse Vallei. De Vlaamse Vallei vormt de oorsprong van het Scheldebekken en ontstond als een depressie door de erosie van het paleogeen-substraat tijdens glaciale perioden in het pleistoceen. Een belangrijke fase van insnijding van de Vlaamse Vallei vond plaats rond 450.000 jaar geleden, toen het drainagepatroon van Noordwest-Europa zich via een megavloed in het Nauw van Calais verlegde. Het water in de Vlaamse Vallei werd toen door een noordwaartse afwatering naar de voorloper van de Noordzee gevoerd.
Gedurende het weichseliaan vulde de Vlaamse Vallei zich met voornamelijk zandige fluviatiele sedimenten die afkomstig waren van een vlechtend riviersysteem. Tijdens de laatste fase van het Midden-Weichseliaan, toen een zeer koude en droge periode onze streek overheerste (ongeveer 30.000 tot 15.000 jaar geleden), veranderde het landschap in een schaars begroeide poolwoestijn. De vegetatie was schaars en de Schelde vormde in dit landschap een verwilderd en vlechtend rivierstelsel met meerdere kleine geulen binnen één hoogwaterbedding. In deze periode kreeg de wind ook meer vat op het schrale zandoppervlak aan. Het uitgewaaide zand accumuleerde zich tijdens de laatste fasen van het weichseliaan soms tot dekzandruggen, dwars op de overheersende noord- tot noordwestelijke windrichting. Op deze manier ontstond tussen Stekene en Maldegem een complexe dekzandrug, die de Vlaamse Vallei afdamde. De toenmalige noordwaartse afwatering van de Schelde moest zich daarom oostwaarts verplaatsen.
In het gebied tussen Welden en Gavere ontstond in deze periode een dal met een breedte van 1 tot 2 kilometer. Door de aanvoer van grote hoeveelheden sediment werd de diepe uitschuring geleidelijk met vooral zandig materiaal opgevuld. Dit opvullingsvlak, vervormd door windwerking en rivieruitsnijding in het laatglaciaal, vertoont een duidelijk microreliëf van 1 tot 2 meter hoogteverschil, bestaande uit langgerekte, evenwijdig lopende ruggen, gescheiden door depressies met gebrekkige waterafvoer. De top van de alluviale vlakte ligt op ongeveer 9 tot 11 meter TAW.
Aan het einde van het Weichseliaan (ook wel het Laatglaciaal genoemd) werd het klimaat milder. De vegetatie nam toe, waardoor bodemsedimenten bij neerslag werden vastgehouden. Rivieren zoals de Schelde vervoerden daarom ook minder sediment en verhoudingsgewijs meer water. Rond 13.000 jaar geleden veranderde de vlechtende Schelde in een meanderende rivier die dieper in het landschap insneed. Vooral tussen Gent en Dendermonde zijn er meerdere grote fossiele meanderbochten. Ten zuiden van Gent zijn dergelijke fossiele laatglaciale meanders zeldzamer. Een van die laatglaciale meanders ligt ten oosten van Neerwelden.
Aan het begin van het holoceen, ongeveer 10.000 jaar geleden, hervatte de fluviatiele erosie door het verdwijnen van de bevroren bodem en permafrost. Dit leidde tot verdere uitschuring van de Scheldevallei. Door toenemende ontbossing en het in cultuur brengen van gronden door de mens vulde de vallei zich met alluviale klei en veen. Ook de laatglaciale meanders werden geleidelijk opgevuld met afzettingen, voornamelijk bestaande uit veen en klei. Dit proces was vooral actief tijdens de eerste 5.000 jaar van het holoceen. Rond 5.800 jaar geleden waren de laatglaciale meanders grotendeels opgevuld met toenemende veengroei.
In geomorfologisch opzicht wordt de alluviale vlakte van Zingem en Nederzwalm beschouwd als een scharniergebied tussen de Beneden-Schelde in het noorden en de pleistocene Scheldevallei in het zuiden. De noordelijke vallei wordt in het oosten begrensd door een steilrand die ook de dalwand van de Vlaamse Vallei vormt. In het westen heeft ze een minder duidelijke morfologische grens, met een geleidelijke overgang naar de Vlaamse Zandstreek. De zuidelijke pleistocene vallei wordt dan weer gekenmerkt door een vlak gebied dat aan beide oevers door een steilrand wordt begrensd. In dit overgangsgebied van de 'Scheldevallei tussen Welden en Gavere' groeit de westelijke steilrand als het ware van noord naar zuid. Het dal wordt in het oosten door heuvels, die uit paleogene zanden en kleien zijn opgebouwd, begrensd.
In het landschappelijk geheel ‘Scheldevallei tussen Welden en Gavere’ komen vereenvoudigd vijf soorten gronden en bodems voor:
Zeker sinds de vestiging van het Provinciaal Natuureducatief Centrum in de Kaaihove in 1994 is er in het gebied een verhoogde aandacht voor natuurbeheer. De natte graslanden en ruigten in het gebied zijn in het voorjaar tegenwoordig rijk aan pinksterbloemen (Cardamine pratensis), holpijp (Equisetum fluviatile) en echte koekoeksbloemen (Silene flos-cuculi). De zeldzame brede orchis (Dactylorhiza majalis), rietorchis (Dactylorhiza praetermissa) en de grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius) kunnen er worden aangetroffen. In de zomer kleuren schermbloemigen zoals gewone engelwortel (Angelica archangelica), moerasspirea (Filipendula ulmaria) en wilde peen (Daucus carota) de ruigtes wit. Deze graslanden en ruigten, samen met de sloten, plassen en oude Scheldemeanders, herbergen een rijke avifauna met soorten als kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus), braamsluiper (Curruca curruca) en nachtegaal (Luscinia megarhynchos). In de holten van oude knotwilgen broeden steenuilen (Athene noctua). De jongste jaren zijn de Kaaimeersen uitgegroeid tot een belangrijk rust- en foerageergebied voor trekvogels. Naast verschillende soorten ganzen, worden er in het voorjaar en najaar ook kleine groepen doortrekkende kraanvogels (Grus grus) waargenomen.
Het provinciale domein rondom de Kaaihoeve is tegenwoordig ongeveer 37 hectare groot en omvat verschillende percelen, die in het landschappelijk geheel zijn gelegen. Het domein bestaat uit natte weilanden, kleine bospercelen, hooilanden, akkerland en een oude laagstamboomgaard op de steilrand van de vallei. Het waterrijke gebied van zo’n 9 hectare, ingesloten tussen de Schelde en de oude Scheldearm, maakt eveneens deel uit van het provinciale domein. Door het natuurbeheer van de laatste decennia worden er binnen deze meander vaker zeldzame planten aangetroffen, zoals kleine kaardenbol (Dipsacus pilosus), graslathyrus (Lathyrus nissolia), rode ogentroost (Odontites vernus) of bijenorchis (Ophrys apifera). De bever (Castor fiber) is de jongste jaren opnieuw een vaste bewoner van het gebied.
De oude Scheldemeander in Welden maakt deel uit van het Vlaamse natuurgebied ‘De Rijtmeersen’, dat zich verder naar het zuiden uitstrekt. Dit natuurgebied ligt, behoudens deze meander, volledig buit dit landschappelijk geheel en is een aaneenschakeling van ruigtes, wilgenbosjes, graslanden en enkele akkers.
Langs de Weistraat in Zingem zijn de plassen van de voormalige kleiwinningsputten de Grooten Bulck en de Weiput eveneens in natuurbeheer. De plassen, rietlanden en wilgenstruwelen in het gebied zijn een ideale rust-, foerageer-, en broedplaats voor talrijke watervogel.
Het gebied wordt door een groot aantal archeologische vondsten gekenmerkt. De meeste van deze vondsten werden tijdens verschillende campagnes met veldkarteringen op het einde van de 20ste eeuw ingezameld. Omwille van de archeologische waarde van het gebied werd de archeologische zone “Prehistorisch sitecomplex in alluviale context in de Scheldevallei”, dat vrijwel met het volledige zuidelijke deel van het landschappelijk geheel ‘Scheldevallei tussen Welden en Gavere’ samenvalt, op 4 augustus 2018 juridisch vastgesteld.
Een groot aantal oppervlaktevondsten in het gebied 'Scheldevallei tussen Welden en Gavere' stamt uit de steentijd. Deze prehistorische vondsten werden voornamelijk aangetroffen op hoger gelegen gronden in of aan de rand van de vallei. Dit is deels te wijten aan de gebruikte onderzoeksmethodiek, aangezien veldkartering vooral succesvol is op akkers of in zones waar het pleistocene zand niet bedekt is door latere sedimenten, wat met name geldt voor steentijdresten. Uit de veldkarteringen blijkt dat op de hoger gelegen ruggen in het gebied overal dergelijke steentijdsites aanwezig zijn. Het is zeer waarschijnlijk dat de prehistorische mens ook actief was op andere plekken in het gebied, zoals in zones waar een afdekking van holoceen alluvium aanwezig is. Deze afgedekte alluviale zones bieden bovendien betere voorwaarden voor de bewaring van archeologische vindplaatsen. Waar dikke lagen holocene sedimenten aanwezig zijn, is er namelijk een kans op bewaring van organische materialen.
Specifiek voor dit gebied omvatten de vondsten enkele honderden lithische artefacten, voornamelijk in vuursteen en in mindere mate wommersomkwartsiet. Uit de beperkte beschrijving van deze vondsten kan worden afgeleid dat er sites aanwezig zijn uit verschillende periodes. Enkele artefacten in wommersomkwartsiet en de aanwezigheid van microklingen worden voornamelijk toegeschreven aan het (late/finale) mesolithicum.
In het gebied werden ook talrijke fragmenten van gepolijste bijlen aangetroffen. Deze voorwerpen werden gebruikt vanaf het midden-neolithicum, maar ook in latere periodes, tot in de late bronstijd. Vanwege het voorkomen van een aantal typische midden-neolithische artefacten, zoals bladvormige spitsen, hoefschrabbers en gemijnde vuursteen, wordt aangenomen dat ten minste een deel van deze vondsten uit het midden-neolithicum stamt. Enkele vuurstenen artefacten, zoals gesteelde pijlpunten, kunnen daarentegen worden toegeschreven aan het late/finale neolithicum of de bronstijd.
Toen de mens tijdens het neolithicum begon met het rooien van bos in het stroomgebied van de Schelde, veranderde ook het landschap. Onder invloed van de mens nam het bosbestand zowel in oppervlakte als in soorten stelselmatig af, buiten de riviervlakte.
Tijdens de Gallo-Romeinse periode leidde ontbossing tot een eerste afname van het bosareaal. In de open ruimtes die hierdoor ontstonden, ontwikkelden zich naast gras-, struik- en heidevelden steeds meer kleine akkers. Dit resulteerde in een toename van afspoeling en bodemerosie, wat op zijn beurt de afvoer en sedimentlading van de rivier verhoogde. In eerste instantie werden de valleibodems vochtiger, wat de vorming van veen bevorderde. Naarmate er meer bos werd gerooid, nam ook de aanvoer van sediment toe. Deze toename van sediment leidde tot aanpassingen in de Scheldebedding, waardoor de rivierbedding waarschijnlijk breder en dieper werd.
De grote hoeveelheid prospectievondsten uit de Romeinse periode in het gebied is opvallend hoog. De opvallend hoge hoeveelheid prospectievondsten uit de Romeinse periode in het gebied bestaat uit verschillende clusters en vondsten, zoals tegulae en dakpanfragmenten, aardewerk en natuursteen, waaronder crinoidenkalksteen (beter bekend als blauwe hardsteen).
Net buiten dit landschappelijk geheel, ten zuiden van de Scheldebocht bij de Kaaimeersen in Hermelgem, Zwalm, werden tijdens veldprospectie resten van Gallo-Romeins bouwmateriaal en keramiek ontdekt. Het is mogelijk dat zich op deze locatie rurale bewoning bevond, die ten minste gedeeltelijk uit stenen bouwmaterialen was opgetrokken. Ook net buiten de perimeter van het landschappelijk geheel werd op een zandige rug nabij Asper, Gavere, een Gallo-Romeinse nederzetting aangetroffen. Paleontogisch en palynologisch onderzoek situeren deze kleine nederzetting in een open omgeving met akkerbouw, grazige weiden en bos. Verschillende sporen in Asper, zoals een pottenbakkerij, spinschijven, weefgewichten en resten van metaalnijverheid, wijzen bovendien op ambachtelijke bedrijvigheid in het gebied tijdens de Gallo-Romeinse periode. De variëteit aan aardewerkvondsten bij deze vele bovengenoemde vondsten suggereert bewoning in zowel de vroege als de midden Romeinse periode.
Tijdens de eerste eeuwen na de Gallo-Romeinse periode was de menselijke invloed op het landschap minder uitgesproken. Lokaal werden akkers verlaten en nam het bosareaal toe. Dit leidde tot een afname van bodemerosie en minder sedimentafzetting in de riviervlakte. Vanaf de zesde eeuw nam de ontbossing echter weer toe en verdwenen grote bosgebieden in het gebied. Sindsdien is de vegetatieontwikkeling volledig door menselijk ingrijpen gestuurd.
De Schelde kenmerkte zich als een meanderende rivier met zandige oeverwallen en kleiige komgronden. Deze komgronden, ook wel meersen genoemd, behielden hun vruchtbaarheid door regelmatige overstromingen die kleiig sediment afzetten. Tijdens de natte periode van late herfst tot late lente groeide er een natuurlijke grasvegetatie. In de warme hooimaanden van de zomer werd het gras in de meersen gemaaid en als hooi gedroogd voor veevoer. Op de 19de-eeuwse kadasterkaart van P.C. Popp worden de volgende toponiemen voor deze meersen vermeld: Neermeersch (Gavere), Weymeersch (Dikkelvenne), Klein Meersch (ten noorden van de Damstraat in Zingem) en Grote Meersch (ten zuiden van de Damstraat in Zingem).
Een aantal aardewerkvondsten en enkele metaalvondsten, zoals fibulae, bevestigen de aanwezigheid van bewoning in de Merovingische en Karolingische periodes. Verschillende nederzettingskernen in het gebied, zoals Welden, Hermelgem en Meilegem, hebben waarschijnlijk een vroegmiddeleeuwse oorsprong. Opmerkelijk zijn zeker de verdwenen kerken van Hermelgem en Dikkelvenne.
De verschillende bodems in het gebied leidden ook tot een variatie van het bodemgebruik. Op de kabinetskaart de Ferraris (1771-1777) was het grootste deel van het gebied een open meersenlandschap. Drogere, hogere gebieden lagen onder akkers. De Schelde had in de 18de eeuw nog een meanderende loop. Op de steilrand rond Dikkelvenne komen bossen voor. Dreven in het landschap waren zeldzaam.
De fossiele meander van Neerwelden is prominent in het landschap en de perceelstructuur zichtbaar. Op historische kaarten is deze meander ook steeds door het landgebruik (weiden en meersen) en perceelsvorm te herkennen. Aan de noordzijde van deze fossiele meander stonden dikwijls bomenrijen.
Het kasteeldomein Grenier op de oosthelling van de Schelde, in de zogenaamde Warande van de heren van Gavere, bestaat uit een enorm omringend park dat afdaalt naar de Schelde met verschillende visvijvers. De ingang tot het park kenmerkt zich door een lange rechtlijnige dubbele beukendreef vanaf de Molenstraat, die in 1907 onder leiding van tuinarchitect Emile Edmond Galoppin werd ontworpen. Omdat verschillende bomen in de dreefaangetast waren door de korsthoutkoolzwam, werd in 2013 deze statige beuken in deze dreef gerooid en door jonge exemplaren vervangen. Het park bestaat tegenwoordig uit een biologisch waardevol eiken-haagbeukenbos.
Rond het einde van de 18de eeuw werden de westelijke meersen door een dijk begrensd. Deze bedijking werd door de overheid systematisch op de linkeroever, tussen Zingem en Zwijnaarde voorzien. De planmatige aanpak van deze werken op de linkeroever werd zorgvuldig gearchiveerd. Tegenwoordig is deze dijk plaatselijk in het bedrijventerrein van Gavere en tussen Zingem en Asper zichtbaar.
Eveneens op de linkeroever stond op een lichte zandlemige verhevenheid binnen de Scheldemeersen van Asper de herberg ‘Stuyvenberg’ (midden 19de eeuw) met twee gekandelaarde linden op het voorerf. Deze herberg bevond zich langsheen de weg naar het veer, die de oversteek naar een boerenwoning in Dikkelvenne garandeerde.
Tijdens de negentiende eeuw onderging het beeld van het meersenlandschap een aanzienlijke metamorfose. De winning van alluviale klei voor de baksteenindustrie werd steeds belangrijker. Voor lokale manden- en wannenmakers werden op deze uitgebrikte percelen wilgen aangeplant. Deze grienden (plaatselijk wij(me)nier of widou(w)e) genoemd, bevatten een staalkaart aan wilgenvariëteiten. Aan het einde van de negentiende eeuw plantten veel eigenaars op deze nattere percelen echter populieren. Om het gebruik van grienden (of wijmeniers) onder de aandacht te brengen, is langs de Dijkstraat en de Damstraat een wandelpad aangelegd met tal van wilgensoorten. Elkde soort illustreert op zijn eigen manier de verscheidenheid aan wilgen.
Vanaf het derde kwart van de negentiende eeuw werd de Schelde bovendien stelselmatig gekanaliseerd. De afgesneden riviermeanders hebben hun vroegere structurerende rol als onderdeel van de meanderende vlakterivier verloren. Nu blijven ze als talrijke relicten in het buitendijkse gebied over. de Mesureput (Zingem), de Spettekraai (Zingem), de Kaaimeersen (Meilegem), Blarewater (Nederzwalm) en de oude meander in Welden zijn de nog meest zichtbare relicten.
Omstreeks 1902 werd vanaf de oude Scheldemeander Spettekraai de zogenaamde Coupure of Moerbeek gegraven, in de bedding van de Leebeek. Deze Moerbeek diende voor de afwatering van de meersen en de bestrijding van overstromingen. Aan de Tragelstraat in Gavere, ten noorden van het landschappelijke geheel, bevindt zich nog steeds de resten van een brug met schotbalkstuw. Deze is uitgerust met een ophaalmechanisme met horizontale as en kamwielreductie, gedragen door drie geprofileerde en opengewerkte gietijzeren steunen. In het begin van de 21ste eeuw werden de oevers van de Moerbeek in het kader Landinrichting ecologisch ingericht.
Op de topografische kaart van 1937 had het meersenlandschap al veel van zijn oorspronkelijke karakter verloren, en waren er akkers en weiden zichtbaar. Met het oog op de verbetering van de agrarische structuur werden er in de jaren 1970 in de Scheldevallei van Welden, Dikkelvenne en Meilegem ruilverkavelingen uitgevoerd. Grotere percelen en aangepast waterbeheer faciliteren een intensievere landbouw. Hoewel graslanden dominant aanwezig blijven in het rivieralluvium, maakte deze inrichting akkerbouw in de voormalige meersgebieden mogelijk. Tegenwoordig biedt het landschap een grote variatie aan rietlanden, natte ruigtes, kwelrijke dotterbloemgraslanden, stilstaand water, wilgenstruwelen en broekbossen. Halfnatuurlijke graslanden, zoals dotterbloemgraslanden en mesofiele hooilanden. Andere typische valleiecotopen, zoals moeras en alluviaal bos, zijn aanwezig in de vorm van fragmentarische relicten, zoals een nitrofiel alluviaal elzenbos met een aangrenzend dotterbloemgrasland in de depressie van de Oossebeek. In deze alluviale bosrelicten werden sinds het einde van de 19de eeuw vaak populieren ingeplant.
Ondanks de vaak gewijzigde bodemvochtigheid door drainage voor landbouwdoeleinden en de indijking van de rivier, heeft het landschap grotendeels zijn oorspronkelijke open meersenkarakter behouden. Door de aanplant van populieren op de uitgeveende gronden en de talrijke knotbomenrijen is het oorspronkelijk open meerslandschap plaatselijk wel halfopen tot gesloten geworden. Tussen Gavere en Dikkelvenne wordt de alluviale vlakte van de Schelde nog het meest door graslanden gedomineerd. In Zingem werd de Grootmeers in de jaren 1970 opgespoten. Tegenwoordig herbergt dit gebied een natuurreservaat van ongeveer 19 hectare.
De valleigrens op de rechteroever is nog duidelijk waarneembaar als een steilrand die de overgang naar de hoger gelegen zand- en zandleemgronden accentueert. Op deze steilrand bevinden zich de dorpskernen. Van Gent tot Gavere is deze steilrand al sterk verstedelijkt, met onder andere veel lintbebouwing. Tussen Gavere en Meilegem is de steilrand minder bebouwd, maar op de helling werd over grote oppervlakten laagstamfruit geteeld. Verschillende van deze fruitpercelen hebben recentelijk een natuurbeheer gekregen, waarbij de laagstamfruitbomen zijn gerooid. Vaak werden de afgesneden riviermeanders gebruikt als (intensieve) visvijvers; enkele ondervonden een hoge recreatiedruk door onder andere de aanwezigheid van weekendhuisjes. Omwille van hun ecologisch potentieel vormen sommige van deze oude Scheldemeanders nu vaak de kern van het huidige natuurbeheer in de Scheldevallei.
Kasteel Grenier is op de steilrand van de Schelde ingeplant, aan de rand van de Hofkouter in de Warande van de heren van Gavere. Het park met vijvers daalt naar de Schelde af. De huidige ingang met lange dubbele beukendreef vanaf de Molenstraat, werd in 1907 aangelegd. Sinds 1952 is het een militair domein. Het kasteel is classicistisch van architectuur en werd in 1837-39 gebouwd. Na beschadiging in de Eerste Wereldoorlog werd het gerestaureerd. De voormalige stallingen dateren eveneens uit die periode.
Auteurs: de Haan, Aukje; Mestdagh, Hans; Tack, Guido; Vanmaele, Nele
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)