Geografisch thema

Oudenaarde

ID
13338
URI
https://id.erfgoed.net/themas/13338

Beschrijving

Sinds 1965 gefusioneerd met Bevere, Edelare, Eine, Ename, Leupegem, Nederename en Volkegem. In 1971 uitgebreid met Heurne, Welden, Melden en Mater. In 1977 toevoeging van Mullem en deel van Ooike. Totale oppervlakte: 6.857 ha; totaal aantal inwoners: 27.313 (01.01.1996).

ALGEMENE SITUERING

In dit eerste boekdeel van het administratieve arrondissement Oudenaarde, gelegen in het zuidwesten van Oost-Vlaanderen, omvat het geïnventariseerde gebied een deel van het kieskanton Oudenaarde, namelijk de stad Oudenaarde met 13 gefusioneerde gemeenten. Het kieskanton Oudenaarde omvat verder Wortegem-Petegem en Maarkedal, die het bestudeerde gebied respectievelijk ten westen en ten zuidoosten begrenzen. In het noorden wordt het gebied begrensd door Kruishoutem en Zingem (kanton Kruishoutem), ten oosten door Zwalm en Horebeke (kanton Horebeke) en ten zuidwesten door Kluisbergen (kanton Ronse).

De stad Oudenaarde is een regionaal markt-, nijverheids- en handelscentrum met een belangrijke onderwijs- en verzorgingsfunctie. In drie verschillende fases werden de 13 omliggende gemeenten met Oudenaarde gefusioneerd: in 1965 (Bevere, Edelare, Eine, Ename, Leupegem, Nederename en Volkegem), in 1971 (Heurne, Mater, Melden en Welden) en in 1977 (Mullem en een deel van Ooike). Het is opvallend dat de stad Oudenaarde met haar 5.022 inwoners op circa 229 hectare (2.193 inwoners per vierkante kilometer) vrij klein is, namelijk niet veel groter dan de kleinste gemeente Edelare (187 hectare). Mater is met haar 1.318 hectare de grootste gemeente. De bevolkingsdensiteit varieert van gemeente tot gemeente, echter met een opmerkelijk verschil tussen Ename en Melden; met haar 2.692 inwoners op circa 209 hectare (1288 inwoners per vierkante kilometer) vormt Ename, na Oudenaarde zelf, de dichtst bevolkte gemeente in tegenstelling tot het dunbevolkte Melden met 887 inwoners op circa 964 hectare (92 inwoners per vierkante kilometer).

Het nederzettingspatroon is voornamelijk bepaald door de aanwezigheid van de Schelde, die dwars doorheen het gebied loopt. Het gebied wordt gekenmerkt door een aantal vrij landelijke gemeenten: Edelare, Mater, Melden, Mullem, Ooike en Volkegem. Bevere en het noordelijk deel van Leupegem zijn verstedelijkt en aldus typische "voorgeborchtes" van stad Oudenaarde. Via lintbebouwing zijn Eine, Heurne, Ename en Nederename geëvolueerd tot woongemeenten die de voorstedelijke agglomeratie van Oudenaarde uitmaken. Welden krijgt als landbouwdorp een groeiende woonfunctie, gekenmerkt door lintbebouwing.

LANDSCHAPSTYPERING

Zoals blijkt uit de topografische kaart van het bestudeerde gebied, afgebakend door de huidige begrenzing van Oudenaarde, maakt de diagonaal verlopende middenzone van dit areaal deel uit van de Scheldevallei. De Schelde doorkruist namelijk het grondgebied van zuidwest naar noordoost en bepaalt dus in sterke mate het algemeen fysisch kader van deze zone. Gezien de ligging van Oudenaarde ten zuiden van Gent, vanwaar stroomafwaarts de Beneden-Schelde aanvangt, wordt het Schelde-traject te Oudenaarde doorgaans als de Boven-Schelde benoemd; in strikt geografische benadering waarbij de aanvang van de Boven-Schelde stroomopwaarts van Doornik geplaatst wordt, betreft het hier de middenloop van deze waterweg die het karakter heeft van een vlakte-rivier. Het actuele Schelde-alluvium vormt een overwegend rechtlijnig verlopende vallei, in breedte variërende tussen 500 en 1500 meter. Deze maximale breedte bereikt het alluvium ter hoogte van de stad Oudenaarde die zich gedeeltelijk uitstrekt binnen het alluvium. De zones die ten oosten en ten westen aan de Scheldevallei palen, maken respectievelijk deel uit van het interfluvium Schelde - Dender en het interfluvium Schelde - Leie waarbij er fysische verschillen optreden.

De noordelijke begrenzing van het inventarisgebied vormt de scharnierzone met de laagvlakte van de Vlaamse Vallei waarvan het grootste gedeelte van de provincie Oost-Vlaanderen deel uitmaakt en met een zuidelijke uitloper in de behandelde regio. Het Oudenaardse sluit geografisch aan bij het in Midden-België gesitueerde Zuid-Vlaamse Heuvelland. Het mondingsgebied van de Zwalmvallei in het noordoosten vormt een duidelijke scheiding met de ten noorden liggende Vlaamse Vallei. Binnen de ruime geografische gebiedsomschrijving van dat Heuvelland maakt de heuvelige regio die de Oudenaardse fusiegemeenten omvat, deel uit van een landschappelijke streek bekend als de "Vlaamse Ardennen" en waarin de steile hellingen en dalen typerend zijn. Deze streekbenaming werd in 1889 gelanceerd door Omer Wattez voor een gebied zonder precieze grenslijnen dat zich grosso modo uitstrekt van de vallei van de Midden-Schelde oostwaarts tot aan de Dender. Het omkadert dus een gebied met in het noorden de steden Oudenaarde en Zottegem en in het zuiden Ronse en Geraardsbergen. De hoogste reliëftoppen van de Vlaamse Ardennen - van 140 tot 158 meter - zijn gelegen buiten het onderzochte gebied, voornamelijk zuidwaarts ervan. De oostzone van het onderzoeksgebied naast de rechter Schelde-oever bezit veel meer uitgesproken het karakter van de Vlaamse Ardennen dan het minder heuvelige deel naast de linker Schelde-oever; dit laatste gebiedsdeel leunt veeleer aan bij het lagere en vlakkere landschap tussen Schelde en Leie. Twee van de drie voornaamste beken die het specifiek landschap van de Vlaamse Ardennen mee bepalen, namelijk de Zwalm en Maarkebeek, respectievelijk deels op Welden en Leupegem, zijn in de oostzone van het inventarisgebied gesitueerd.

De tertiaire geologische opbouw onder het quartair dek vertoont een horizontale stratigrafie van mariene afzettingen met zwakke afhelling naar het noorden, waarbij de bovenste afzetting afhankelijk van de plaatselijke hoogte verschilt. De enorm dikke kleilaag van het Ieperiaan bereikt in de regio een dikte van ongeveer 100 meter met een basis die in het Oudenaardse tot 80 meter onder het zeeniveau daalt. Aan weerszij van de Scheldevallei paalt een strook waar deze kleilaag het tertiair substraat vormt. De daaropvolgende veel dunnere laag Ieperiaan met fijn zand vormt de ondergrond van de overgangszone naar het hoger gelegen landschap waar het Panisiliaansubstraat domineert. Zowel in het Onder-Panisiliaan met klei-faciës als in het Boven-Panisiliaan met zand-faciës komen soms zandsteenbanken voor. Ten westen van de Schelde wordt het Panisiliaan als substraat slechts aangetroffen op het noordoostelijk uiteinde van de rug Ooike-Wortegem die hoort bij de rugzone Wortegem-Kruishoutem. Het ruguiteind te Ooike klimt boven 40 meter en bereikt er een tophoogte van ongeveer 60 meter. De jongere tertiaire substraten gevormd door Lediaan zand en Dartoon klei zijn slechts beperkt plaatselijk bewaard, in het oostelijk gebiedsdeel op plekken waar het plateau een hoogte van ongeveer 90 meter of meer bereikt. De quartaire deklaag van zandleem tot leem varieert sterk in dikte.

Bodemkundig gezien ligt het Oudenaardse in het overgangsgebied van de Zandleemstreek naar de Leemstreek die zich ten zuidoosten daarvan uitstrekt. De samenstelling van de bodem is dan ook plaatselijk gedifferentieerd. Gezien de samenhang met de bodemgesteldheid dienen hier ook de verschillende reliëfvormen nader te worden gespecificeerd. Aan het Schelde-alluvium paalt de pleistocene vallei met aan de oostzijde een vrij vlak en laag (10-15 meter) gebied waarvan de breedte van l tot 2 kilometer kan toenemen en dat als Scheldeterras wordt aangeduid. Dit komt voor van Welden over Nederename tot en met Ename. Verder zuidwaarts te Melden vertoont het laagterras (15-20 meter) een breedte variërend tussen 1,5 tot 2,5 kilometer. In deze laagterrasgebieden zijn stuifzandruggen waar te nemen. De valleiwand gaat doorgaans taludvormig over naar het daarboven gelegen plateau. Ten oosten van de Schelde is de valleiwand zeer steil en slechts onderbroken door de diep ingesneden beekdepressies die naar de Schelde toelopen. De steilrand bereikt heuveltoppen met een hoogte van circa 83 meter op de Edelareberg en circa 77,5 meter op de Koppenberg in Melden. Het golvende plateau is gemiddeld 60-80 meter hoog. In het zuiden van Mater op de Varent loopt de hoogte tot boven de 100 meter om vandaar steil af te dalen naar de vallei van de Maarkebeek. In het westen is de steilrand veel minder uitgesproken behalve te Heurne; het plateau is er minder golvend en lager (gemiddelde hoogte van 20 tot 30 meter). Bijgevolg is het Scheldedal asymmetrisch. Deze asymmetrie treedt ook als kenmerk op van de dalen op het plateau van de Vlaamse Ardennen. De beken ten westen van de Schelde vertonen een verloop parallel aan de Schelde in zuidwest - noordoostrichting.

De pleistocene vallei vertoont een microreliëf van ruggen en geulen met gering hoogteverschil waarbij de lichte verhevenheden goed gedraineerde gronden zijn van lemig zand tot licht zandleem. Op de overgang van de vallei naar en op de valleiwand overweegt zandleem. Op de steile delen van het talud is deze deklaag zeer dun of ontbreekt ze; bijgevolg dagzoomt daar het tertiair met afwisselend klei en zand met zandsteenbanken. Op deze weinig voor de landbouw geschikte plaatsen komen bosrestanten voor zoals te Ename-Mater-Volkegem, te Edelare en te Melden. Het plateau draagt merendeels een metersdikke deklaag van zandleem overgaand naar leem. In de beekvalleien ten oosten van de Schelde komen naast alluvium, weinig voor de landbouw geschikte dalwanden voor die soms kleine bossen vertonen.

De aanwezigheid van de Schelde als verkeersas evenzeer als van goed gedraineerd lemig zand en lichte zandleemgronden geschikt voor akkerbouw, zijn ongetwijfeld belangrijke factoren geweest voor de wijze waarop het occupatieproces in het gebied verliep evenals voor het huidige bewoningspatroon en uitzicht van het landschap. Historisch-geografische informatie over ingebruikname van gronden voor landbouw is in beperkte mate voorhanden aangaande de vroege middeleeuwen. Er zijn ook al sporen en aanwijzingen voor agrarische nederzettingen teruggaand tot de prehistorie en de Romeinse tijd maar die bieden uiteraard geen coherent beeld van het toenmalige bodemgebruik. Het oudste vroeg-middeleeuwse bouwland was te vinden op de gemakkelijk te bewerken en goed gedraineerde hoger gelegen gronden. In de pleistocene vallei komen die voor op de ruggen zoals te Welden, Nederename, Ename en Melden. Waar de pleistocene vallei slechts op geringe afstand van de Schelde lag, ontstonden in de buitenbochten van deze stroom nederzettingen die tot dorpskern uitgroeiden. Dit is het geval voor Heurne, Nederename en Melden. Boven op het plateau evolueerden vroeg-middeleeuwse nederzettingen met een bron-situatie tot de dorpen Mater en Volkegem; Mullem ontwikkelde zich aan een beek. Tussen de 9de en 11de eeuw breidde het akkerareaal zich uit tot kouters met een gemiddelde oppervlakte van 30 hectare en een bewoningskern aan de rand ervan. Op Mater, dat meerdere bewoningskernen met "-gem"-toponiem met aangrenzende kouter telde, ontstond een uitgebreid koutercomplex. Ook aan de overzijde van de Schelde deinde het bouwland van Heurne, Eine en Bevere uit tot een uitgestrekt koutercomplex. De dorpskern met kerk van Heurne verheft zich op de rand van het plateau boven de steilrand en het smal Scheldeterras. Ook Eine kwam tot ontwikkeling op de overgang van de kouter en de natte depressie, bereikbaar vanaf de Schelde. In de periode van de Grote Ontginningen, die plaats vond in de 11de tot 13de eeuw, werden nieuwe gronden in cultuur gebracht beginnend aan de randen van de oudere kouters. Ook gronden met een meer marginaal karakter werden toen als bouwland ontgonnen. Door de aaneensluiting van het akkerland verkreeg het landschap hier zijn overwegend "open-field" karakter dat kenmerkend is voor de regio. Enkel ontginningsgronden die het resultaat waren van de derde fase in deze ontwikkeling, namelijk uit de eerste helft van de 13de eeuw, verkregen een gesloten karakter. De omgrachte hoeven, een bijzondere bewoningsvorm die met de uitbouw van het cultuurlandschap in de middeleeuwen gepaard ging, kennen een niet gelijkmatige spreiding in het gebied. Zij komen in ieder geval talrijker voor in de zone ten oosten dan in die ten westen van de Schelde. Van een werkelijke concentratie is sprake in de omgeving van de depressie van de Oossebeek te Welden en ook Melden telt er een paar.

Het Schelde-alluvium onderging een aantal verregaande transformaties. De natuurlijke holocene Scheldeloop was kronkelend en sterk meanderend. In de stad Oudenaarde werd de Scheldeloop al tijdens de late middeleeuwen gewijzigd. In het landelijk gebied buiten de stadskern waren in de 18de eeuw al meanders afgesneden. Eind 19de-begin 20ste eeuw volgde de afsnijding van de meeste Scheldebochten bij de rechttrekking van de Schelde. Om de Schelde als waterwegverbinding tussen Noord-Frankrijk en de havens van Gent en Antwerpen toegankelijk te maken voor scheepvaart van 1350 ton werden in 1957 rechttrekkings- en profielverruimingswerken gepland. De realisatie in 1964-1971 van de doortocht Oudenaarde ging gepaard met de vervanging van bruggen. Buiten de stad duurde de uitvoering van de werken tot in de jaren 1980.

In het landschap zijn nog niet gedempte afgesneden Scheldemeanders bewaard gebleven op het grondgebied van Eine, Heurne, Nederename-Ename en Melden. Het alluviumgebied veranderde voorts van uitzicht als gevolg van de ontwikkeling van de stedelijke agglomeratie Oudenaarde met recente wijziging van het meerslandschap aan de randen ervan door ingrepen als de aanleg van industriezones en recreatieterreinen.

Reeds van in de middeleeuwen vonden in het Schelde-alluvium tussen Gent en Oudenaarde klei-uitgravingen plaats voor de baksteenfabricatie. Op het einde van de 19de en in de eerste helft van de 20ste eeuw kenden deze steenbakkerijen hun bloeiperiode. Relicten van deze industriële activiteit zijn onder meer waar te nemen in de vorm van vijvers naast de Schelde te Nederename en Eine waar de laatste grote steenbakkerij gevestigd is. De Paniseliaanse zandsteen of zogenaamde "veldsteen", de enige natuurlijke lokale bouwsteen, werd als bouwmateriaal in de middeleeuwen verdrongen door de gemakkelijk langs de Schelde aangevoerde Doornikse kalksteen voor het optrekken van kerken en huizen in de romaanse en vroeg-gotische periode in het Oudenaardse.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Recent onderzoek op het gebied van de archeologie en de toponymie wijst op een zeer vroege occupatie van de regio. De eerste materiële sporen van menselijke aanwezigheid dateren uit het Mesolithicum (8000-4000 voor Christus). Twee typische valleisites met vergelijkbaar lithisch materiaal werden onderzocht. In de zogenaamde "Donk" op de linker Schelde-oever te Bevere werden bij grootschalige ontzandingswerken vier Mesolithische sites gelokaliseerd die talrijke vuurstenen artefacten als spitsen en microklingen uit het midden- en laat-mesolithicum opleverden en een tijdelijke kampeerplaats van jagers-verzamelaars laten vermoeden. Bij kanalisatie- en baggerwerken aan de Schelde werden op de rechteroever in de wijk Waarde te Melden gelijkaardige artefacten gerepertorieerd. Beide locaties leverden belangrijk midden- en laat-neolithisch materiaal (4000-1800 voor Christus), waarbij naast vuursteenartefacten ook keramiek, een rijke verzameling dierenbeenderen en hertshoornen hakken verwant met de Michelsbergkultuur en de klokbekerkultuur aangetroffen werden. Systematische veldprospecties in de Scheldevallei door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en de Archeologische Werkgroep Zuid-Oost-Vlaanderen brachten verschillende neolithische sites aan het licht te Welden "Hoog Brugghe", Volkegem en Edelare. De valleisite van Ename-ham in een sterk meanderende Scheldebocht van het latere castrum en de heuvelsite Ename "Berg" in het grensgebied Ename-Mater, leverden naast laat-neolithische vondsten ook materiaal uit de late bronstijd en de ijzertijd. De meeste besproken sites vertonen een continuïteit in occupatie tijdens de metaaltijden (1800-57 voor Christus), doch de vondsten zijn schaars. Vermeldenswaard zijn een aantal uit de Schelde in de omgeving van Oudenaarde opgebaggerde bronzen voorwerpen (hielbijlen, pijlpunten, spelden) uit de verzameling Hasse (Vleeshuismuseum Antwerpen). Vanaf de 8ste-7de eeuw voor Christus hebben Keltische stammen zich vanuit Beieren en Bohemen in onze streken gevestigd. De Nerviërs namen de regio ten oosten van de Schelde in, Menapiërs bevolkten de westelijke streek. De Schelde (Scaldis bij Caesar, 52 voor Christus), waarvan de naam zelf waarschijnlijk teruggaat tot circa 3000 voor Christus, zal vanaf deze periode een fysische en later ook een bestuurlijk-organisatorische grens vormen tussen twee gebieden.

De toponymie leert ons dat verschillende plaatsnamen in de regio teruggaan tot het 2de en 1ste millennium en typische zogenaamde "Belgische" hydroniemen hebben zoals Mater (Materne), Melden (Milna), Eine (Agina) of Bevere (Beverna), verwijzend naar een bron of beek. Welden (Wenlines) is een typische nederzettingsnaam.

Met de verovering door de Romeinen (57-53 voor Christus) maakte het gebied deel uit van de provincie Gallia Belgica met de Civitas Nerviorum ten oosten en de Civitas Menapiorum ten westen van de Schelde. Het acculturatieproces tussen de autochtone en Romeinse elementen verliep langzaam en resulteerde uiteindelijk in de Gallo-Romeinse beschaving. Binnen de Civitas Nerviorum neemt de sinds 1973 grondig onderzochte meerperiodensite van Melden een belangrijke plaats in. De studie van het aanzienlijk vondstenmateriaal (luxe vaatwerk, gebruiksaardewerk, munten, bouwmaterialen en een aanlegsteiger aan de oude Scheldebedding) en de topografische ligging op een droge zandleemrug, convergeren naar een interpretatie als vicus daterend van de tweede helft 1ste eeuw tot eind 3de eeuw. Recente prospecties brachten ook een agrarische nederzetting aan het licht in de wijk Duisbeke (Mater) en laten verschillende rurale bewoningskernen of zogenaamde villa's vermoeden op het grondgebied Mater-Volkegem in de omgeving van het Bos t'Ename. Twee Gallo-Romeinse toponiemen in Mater, Kaster (castra) en Oosse (aucius), bevestigen de occupatie van de streek in deze periode. Twee brandrestengraven, typisch voor het funerair ritueel uit deze periode, werden ontdekt op de kouter van Welden. De Donksite kende eveneens een Gallo-Romeinse bewoningsfase. De politieke en economische instabiliteit aan het einde van de 3de eeuw door de eerste Germaanse invallen weerspiegelt zich onder meer in de aanwezigheid van een muntschat, teruggevonden op de Koppenberg te Melden tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Verschillende sites kenden een continuïteit in de occupatie na de Germaanse landname van het einde van de 4de - begin 5de eeuw en leverden vroeg-middeleeuwse vondsten op. De nederzettingen van Mater "Duisbeke" en Melden bleven zeker tot de Karolingische periode bewoond.

De toponymie geeft talrijke Germaanse nederzettingsnamen op -haim of-gem, daterend uit de 7de eeuw als Volkegem, Leupegem en Mullem. Heurne en Ename zijn Germaanse namen die wijzen op een topografische verhevenheid, Edelare is een typische bosnaam.

In de Merovingische periode (eind 5de - midden 8ste eeuw) werd de basis gelegd van de kerstening van onze gewesten. De kerkprovincie Reims werd verdeeld in drie bisdommen waaronder Kamerijk-Atrecht en Doornik-Noyon waarbij de oude bestuurlijke opdeling van Romeins Gallië met de Schelde als grens tussen de bisdommen Kamerijk ten oosten en Doornik ten westen, behouden bleef. Vanaf de 7de eeuw was de Heilige Amandus werkzaam als zendeling in het Scheldebekken. De meeste patroonsnamen in het gebied laten een vroeg-middeleeuwse stichting vermoeden. Mede op basis van het patrocinium van Sint-Walburga, voornamelijk verspreid in stedelijke nederzettingen vanaf de 10de eeuw, wordt de stichting van de parochie van Oudenaarde ten vroegste in deze eeuw geplaatst, vermoedelijk als afsplitsing van de parochie Eine of Bevere. Van de moederparochie Volkegem werd vermoedelijk in de 8ste eeuw reeds de parochie Leupegem afgesplitst, Edelare in de 11de eeuw en de Onze-Lieve-Vrouweparochie van Pamele begin 12de eeuw. Circa 1000 werden in de portus Ename twee parochiekerken opgericht: de Sint-Salvatorskerk en de Sint-Laurentiuskerk als afsplitsing van de moederparochie Sint-Vedastus (Nederename).

De nabijheid van een omvangrijke Karolingische koninklijke residentie of curtis van Petegem op de linker Schelde-oever tegenover Melden was van invloed op het hier behandelde gebied. Door de splitsing in 1058 van het domein in drie delen ontstonden de heerlijkheden Petegem, Eine en Oudenaarde met aan het hoofd Ingelbrecht III van Petegem, Adalard van Eine en Hugo van Oudenaarde, de stamvaders van belangrijke adellijke families in het graafschap Vlaanderen, zogenaamd "pairs van Vlaanderen", vanaf de tweede helft van de 13de eeuw "beren van Vlaanderen" genoemd.

Door het uiteenvallen van het Karolingische eenheidsrijk van Karel de Grote in 843 (Verdrag van Verdun) in Oost-, West- en Midden-Francië en na de opslorping van het middendeel Lotharingen door Oost-Francië in 925, kwamen onze streken in een grenspositie te liggen tussen het Franse en Duitse rijk met opnieuw de Schelde als grens. Uit de ontbinding van het Westfrankische koninkrijk ontstond in diezelfde periode het graafschap Vlaanderen.

Om het hoofd te bieden aan de militaire acties en de expansiedrang van de Franse koningen en van de graven van Vlaanderen richtte de Duitse keizer Otto II circa 974 te Ename een castrum op als centrum van één van de drie markgraafschappen ter verdediging van de westgrens van zijn rijk, halfweg tussen Antwerpen en Valenciennes. Bij de burcht met indrukwekkende donjon en paleis ontwikkelde zich een portus met handelsactiviteit die een pre-stedelijk allure aannam.

Vermoedelijk als tegenpool van de Ottoonse versterking richtte de graaf van Vlaanderen Boudewijn IV op het einde van de 10de of het begin van de 11de eeuw in een strategische Scheldebocht op de linkeroever een burcht op, op de plaats gekend als Oudenaarde. Deze eerste "borch" met donjon, de zogenaamde "turris Aldenardensis", voor het eerst vermeld in 1064 en zeker in 1127 in steen gebouwd, vormde een klein eiland omgeven door de Scheldebocht en de gegraven Burgschelde. In de nabijheid ontwikkelde zich op dezelfde rivieroever een nederzetting met als oudste kern de Garenmarkt en een kerk, hoogstwaarschijnlijk eveneens op initiatief van de graaf opgericht en gewijd aan Sint-Walburga. Dit gebeurde zeker voor 1027, datum waarop het altaar door de bisschop van Doornik geschonken werd aan de graaf.

In het kader van zijn veroveringspolitiek trok Boudewijn IV in 1033-34 de Schelde over en verwoestte het castrum van Ename. Zijn zoon Boudewijn V zal in 1047 het hele gebied tussen Schelde en Dender - het Land van Aalst - annexeren waardoor de Schelde de grens werd tussen Kroon- en Rijks- Vlaanderen. Om de burcht van Ename volledig te demilitariseren werd op dezelfde plaats in 1063 een benedictijnerabdij gesticht die het grondgebied van Ename en onder andere het tolrecht op de Schelde erfde. Dit betekende het einde van de bloei van het pre-stedelijke Ename en tevens het begin van de ontwikkeling van Oudenaarde als stedelijk centrum tussen Gent en Doornik. De grafelijke burcht werd in leen gegeven aan de heren van Oudenaarde samen met een uitgestrekt grondgebied op de rechter Schelde-oever. Het gebied ten westen van de burcht op de linkeroever bleef grafelijk domein.

De oprichting een burcht in de 11de eeuw in de heerlijkheid Eine met een "eigenkerk" op een 8-vormige omgrachting vlakbij de Schelde stond vermoedelijk eveneens in functie van de veroveringspolitiek van de Vlaamse graven.

In de 11de eeuw werd op initiatief van de heren van Oudenaarde op de oostelijke Schelde-oever een "ville neuve" opgericht, later Pamele genaamd met voornamelijk ambachtelijke bedrijvigheid en die in de 12de eeuw rechthoekig omgracht werd. In 1110 vinden we een eerste vermelding van een bedehuis in een stichtingsakte van Odo, bisschop van Kamerijk, als voorloper van de m 1234 opgerichte Onze-Lieve-Vrouw-van-Pamelekerk in Scheldegotiek. Als parochiegrens met Walburga geldt de oudste Scheldeloop. In 1189-90 schenkt graaf Filips van de Elzas Oudenaarde haar eerste geschreven stadsrecht in navolging van de Grote Keure die de belangrijkste Vlaamse steden als Gent, Brugge, Atrecht of Ieper in de jaren 1170 werd opgelegd. Het domein van Arnulf IV werd in 1225 door gravin Johanna tot baronie verheven. Een jaar later schonk dezelfde Arnulf IV die zich als eerste heer van Pamele noemt, Pamele hetzelfde stedelijk statuut als Oudenaarde met een eigen baljuw. Van de baronie Pamele hingen de heerlijkheden Volkegem, Leupegem, Edelare en Melden af. De heerlijkheid en parochie Eine en Heurne vormden samen eveneens een baronie. De heerlijkheid Mater maakte deel uit van de baronie Schorisse. Mullem was steeds een allodium of eigengoed van de heren van Mullem. Bestuurlijk en gerechtelijk stonden verschillende heerlijkheden onder het gezag van de kasselrijen, circa 1000 opgericht onder Boudewijn IV ter vervanging van de vroegere Karolingische gouwen. De kasselrij Oudenaarde zou slechts in de tweede helft van de 12de of in het begin van de 13de eeuw afgesplitst worden van de kasselrij Kortrijk en omvatte 33 parochies in de streek tussen Bossuit en Nazareth op de linker Schelde-oever. De heerlijkheden op de rechteroever waren afhankelijk van de kasselrij van het Land van Aalst. De juridische bevoegdheden kwamen respectievelijk toe aan het grafelijk leenhof van de Stenen Man te Oudenaarde en ten Stene te Aalst.

Op het einde van de 12de eeuw reeds werd Oudenaarde versterkt en werden vier poorten vermeld: de Beverepoort in het noorden, Einepoort in het oosten, de Hoofdelozepoort in het zuiden en de (oude) Meerspoort in het westen. Ook een stuwsluis, de zogenaamde "spei", een houten brug en verschillende watermolens, werden op de Schelde vermeld. De heren van Pamele lieten begin 13de eeuw de oude donjon vervangen door een omgracht feodaal kasteel met verschillende torens, het "Kasteel van Pamele" binnen de grote Scheldebocht, vlakbij de eerste borch.

De stadsversterkingen, gesloopt na het Verdrag van Parijs (1214), werden heropgebouwd vanaf 1227 (Verdrag van Melun), uitgebreid in het westen tussen 1230 en 1260 met een nieuwe Meerspoort en in 1290 voorzien van stenen muren. Voor 1253 reeds werd Pamele in de stadsvesten opgenomen waardoor beide agglomeraties één stad vormden met de typische peervorm die haar tot het midden van de 19de eeuw zal karakteriseren. Het noordoostelijk gebied, de zogenaamde Eindries, in 1241 door Thomas, graaf van Vlaanderen en Henegouwen, aan de stad geschonken, bleef echter steeds extra muros.

Binnen de 13de-eeuwse stad kwamen zich talrijke religieuze gemeenschappen vestigen: de cisterciënzerinnen van Maagdendale en de zwartzusters in Pamele, de tempeliers, de zwartzusters, de minderbroeders en de bogarden in Oudenaarde. Circa 1200 werden op de Eindries, toen nog grondgebied Bevere, twee kloosters gesticht ter ere van Onze-Lieve-Vrouw, het hospitaal en het klooster van Sion, die respectievelijk eind 14de en eind 15de eeuw binnen de stadspoorten een onderkomen zullen vinden. De oudste woonkern ontwikkelde zich rond de Garenmarkt, achter de Sint-Walburgakerk, het zuidelijke deel van de huidige Markt en de Broodstraat tot de Grachtschelde die ten behoeve van verschillende watermolens gegraven werd. Een eerste hal en vismijn, toegestaan in een oorkonde van graaf Thomas in 1241, stonden op de Garenmarkt.

De 14de eeuw in Oudenaarde wordt gekenmerkt door de bloeiende lakennijverheid en -handel en anderzijds door de Gentse oorlogen. Hierbij speelde de Schelde en de strategische ligging van Oudenaarde een belangrijke rol. In de strijd van Gent tegen het centraal gezag kozen de Oudenaardse patriciërs steeds de zijde van de graaf, wat leidde tot bloedige represailles door de Witte Kaproenen in 1380, door Filips van Artevelde in 1382 en door Frans Ackerman in 1383. Telkens werden de stad en de omliggende agglomeratiedorpen als Bevere en Leupegem platgebrand. Om de stadsvesten uit te breiden en te verstevigen liet Lodewijk van Male in 1382 het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal in Bevere slopen. Zijn opvolger, de hertog van Bourgondië Filips de Stoute, gaf eind 14de eeuw opdracht op de rechteroever bij de Schelde-uitgang een versterking te bouwen als bolwerk tegen Gent, het zogenaamde "Nieuwe kasteel" of "Kasteel van Bourgondië". Jan zonder Vrees zou de versterking uitbreiden met de "Perretoren" en de "Bourgondische toren", op beide Schelde-oevers, verbonden door een brug. De stadswallen werden verstevigd en voorzien van vierentwintig torens en vijf poorten (zie de midden-16de-eeuwse kaart van J. van Deventer).

De Bourgondische periode (1384-1482) betekende een bloeiperiode voor de stad, toen bekend als "verblijf der edelen". De hertogen verbleven regelmatig in het inmiddels tot residentie heringericht Kasteel van Bourgondië. Voor de hofhouding van Jan zonder Vrees werd het koor van de Sint-Walburgakerk uitgebreid in 1407-09. Kort nadien werd de prestigieuze vernieuwing van de kerk in Brabantse gotiek aangevat met een dominante toren en talrijke zijkapellen gewijd aan de patroonheiligen van de machtige ambachten en neringen.

De crisis in de wolnijverheid betekende de definitieve doorbraak van de tapijtweverij die in 1441 haar eigen keure van Sint-Barbara verwierf. De grote productie en de populariteit van de Oudenaardse "verdures", verspreid in binnen- en buitenland, waren oorzaak van de spectaculaire bloei van de Oudenaardse economie in de eerste helft van de 16de eeuw. Tot 14.000 mensen leefden in Oudenaarde en omgeving van deze sector wat een sterke immigratie en dus een bevolkingstoename tot gevolg had. Midden 16de eeuw telde de stad ongeveer 8.500 inwoners tegenover bijvoorbeeld 5.700 inwoners midden 15de eeuw en 5.022 inwoners in 1996. Nochtans werd de omwalling niet uitgebreid, wat een verregaande opdeling van de percelering en huizen intra muros veronderstelt en een dichtere, voornamelijk proletarische bebouwing op de Eindries extra muros. De rijkdom van de stad weerspiegelt zich onder meer in de realisatie van het laat-gotische stadhuis, dat moest wedijveren met zijn prestigieuze voorgangers in Brussel en Leuven en dat voltooid werd onder Keizer Karel in 1536.

De tweede helft van de 16de eeuw wordt getekend door de Hervorming die in Oudenaarde en de omliggende dorpen een relatief grote aanhang kende, onder meer bij de patroons-tapijtwevers die massaal emigreerden naar de Noordelijke Nederlanden. Tussen 1578 en 1582 regeerden de Gentse calvinisten over de stad tot Alexander Farnese, zoon van de in Oudenaarde geboren landvoogdes Margaretha van Parma, de stad heroverde. De jarenlange troepenbewegingen, belegeringen en razzia's, van geuzenbenden hadden de omliggende dorpen tot één desolaat gebied herschapen. De kerken van Bevere en Leupegem en de abdij van Ename werden gesloopt en als bouwmateriaal hergebruikt in de stadsversterkingen. In 1593 werd het stadje Pamele definitief verenigd met Oudenaarde.

De contrareformatie ten tijde van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) uitte zich in de restauratie van de kerkelijke gebouwen en de inplanting van nieuwe religieuze orden binnen de stad zoals de kapucijnen (1608) en de jezuïeten (1616). De verwoeste Sint-Salvatorsabdij van Ename werd vanaf het begin van de 17de eeuw luisterrijk heropgebouwd.

De regering van de laatste Spaanse Habsburgers (1621-1713) werd gedomineerd door de opeenvolgende veroveringsoorlogen van Lodewijk XIV die erin slaagde Oudenaarde drie maal in te nemen, in 1658 door Turenne, van 1667 tot 1678 (Vrede van Nijmegen, waarbij Oudenaarde aan Karel II van Spanje toekwam) en in 1684 na verschrikkelijke bombardementen door maarschalk d'Humières waarbij meer dan de helft van het patrimonium vernield werd. In 1670 startten de versterkingswerken onder leiding van ingenieur Vauban die van Oudenaarde een gebastioneerde grensstad maakte met vooropgeschoven verdedigingswerken naar het voorbeeld van de gordel versterkingen door hem uitgevoerd ter verdediging van de Franse staatsgrenzen. Hierbij werden de ravelijnen die door de Franse calvinist F. de La Noüe circa 1575 aangebracht waren, hersteld. Het nog bewaarde reliëfplan, gerealiseerd in 1746 door ingenieur Nézot onder de tijdelijke bezetting door Lodewijk XV na de belegering van 1745, en talrijk iconografisch materiaal geven ons nog een beeld van de imponerende geslotenheid van de stad. Op voorstel van Vauban werd de "Koninklijke Fontein" (1676) op de Markt gerealiseerd als belangrijke voorziening van openbaar nut. De ordonnantie tot herstel van bouwvallige huizen van 1671 kaderde in de verfraaiingspolitiek van de overheid. De tapijtnijverheid kende toen een nieuwe vlucht door de export naar Frankrijk. De oprichting van een lakenmanufactuur en ververij in 1672 moesten voor de nodige reconversie en heropbloei van de economie zorgen. De stad had ook een belangrijke marktfunctie voor het omliggende platteland dat vooral van landbouw en huisnijverheid (linnenweven en spinnen) leefde.

De Slag van Oudenaarde (1708) tussen het Franse leger en de geallieerden onder leiding van de Engelse hertog van Marlborough, uitgevochten ten noordwesten van de stad op de kouters van Bevere, Eine, Heurne en Mullem met desastreuze gevolgen voor deze dorpen, betekende het begin van een reeks Franse nederlagen die tot het Verdrag van Utrecht (1713) en het Oostenrijkse Bewind (1713-1792/94) zullen leiden.

Vanaf 1782 groeide de stad langzaam buiten haar vesten die door Jozef II waren vrijgegeven voor verkoop. Vooral de hervormingen van de "keizer-koster" op kerkelijk gebied, de afschaffing van kloosterorden (de jezuïeten in 1773 en grauwzusters in 1783) en het verwijderen van de kerkhoven buiten de stad, leidden tot de Brabantse Omwenteling van 1789 en de proclamatie van de Verenigde Staten van België (1790).

Het omliggende platteland kende in de 18de eeuw een periode van herstel en demografische groei, weerspiegeld in het nog bestaande architecturaal patrimonium dat gekenmerkt wordt door talrijke grote hoeven en enkele grotere herenhuizen in Ename, in de invloedssfeer van de bloeiende abdij.

Op bestuurlijk gebied was de Oostenrijkse periode baanbrekend voor de reorganisatie van de staat met een indeling in kreitsen en districten, de voorlopers van de provincies en arrondissementen.

Na de Franse Revolutie kwam, met de nieuwe Franse overheersing (1792/94-1814), definitief een einde aan de traditionele bestuurlijke en gerechtelijke instellingen en werd Oudenaarde, binnen het Scheldedepartement, hoofdplaats van het gelijknamige arrondissement en gerechtelijk kanton. De heerlijkheden werden afgeschaft en vervangen door gemeentebesturen. Door het verbeurd verklaren van alle kerkelijke goederen in 1795-97 verdwenen het apostolinnen- en het kapucijnenklooster volledig uit het stadsbeeld. Het minderbroedersklooster, de abdij van Maagdendale en het zwartzustersklooster van Oudenaarde kregen een nieuwe bestemming als katoenspinnerij, kazerne en school. De Sint-Salvatorsabdij van Ename werd volledig gesloopt.

Onder het Verenigd Koninkrijk (1815-1830) werd, onder toezicht van Wellington, de stad opnieuw voorzien van vesten en ravelijnen en werd ten oosten op de Edelareberg een fort gebouwd als onderdeel van de zogenaamde "Wellingtonbarrière" ter verdediging van de Schelde tegen Frankrijk. Van dit Kezelfort, gebouwd in 1822-24 door Hollandse vestingbouwers, bleven de lunetvorm, de droge grachten, beklede wallen met galerijen, een onderaardse gang en een uniek tegenmijnstelsel bewaard. Een gelijkaardig fort, voorzien op de Beverse kouters, werd niet uitgevoerd.

De periode van de Belgische onafhankelijkheid werd gekenmerkt door een nieuwe economische expansie en ontsluiting van het gebied. De belangrijkste factor hierin was de aanleg van het spoorwegnet met station van Oudenaarde op het kruispunt van de lijnen Gent-Saint-Ghislain van 1857-61 en Brussel-Kortrijk van 1868-71, aangelegd op het grondgebied van Bevere, ten noorden van de stad. De aanwezigheid van stationnetjes in Eine en Leupegem (en vroeger ook te Nederename en Melden) bevorderde de ontsluiting en de gedeeltelijke industrialisatie en urbanisatie van deze landelijke gemeenten.

Op de vrijgekomen gronden van de in 1859 geslechte stadsvesten werd de stationswijk aangelegd en vond de nieuwe mechanische textielindustrie van de gebroeders Gevaert (1888) en Saffre (1897) een geschikte locatie. Ten oosten hiervan realiseerde Omer Gevaert een vooruitstrevend sociaal woonproject, de zogenaamde Gevaertswijk. De eigenlijke Eindries werd pas tijdens het interbellum geürbaniseerd.

De eerste helft van de 20ste eeuw werd getekend door twee wereldoorlogen. Vooral de eindbombardementen van november 1918 waren fataal voor het gebouwenpatrimonium en de bruggen van de stad en de meeste omliggende dorpskerken. Vooral de Sint-Walburgakerk en het stadhuis op de Markt, het station, het gerechtsgebouw en de gevangenis werden zwaar beschadigd. De bevrijding door de 37ste divisie van het Amerikaanse leger wordt in herinnering gehouden door een oorlogsmonument in de Generaal Pershingstraat en door de "Ohiobrug" te Eine die herinnert aan de historische Scheldeovertocht.

Tijdens de naoorlogse periode werd het oude stadsgezicht vrij ingrijpend gewijzigd door het dempen van de Burgschelde, de Grachtschelde en de Coupure, en door het afsnijden van de Scheldebocht bij de Ham waarbij het historische Kasteel van Bourgondië moest verdwijnen. Om een vlotte verbinding met de Westerring te kunnen realiseren werd een doorbraak naar de Markt gerealiseerd. Het minderbroedersklooster, de dekenij en verschillende markthuizen werden hiervoor in 1967 gesloopt.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Kerken

De opmerkelijke vroege bewoning in de dorpen die thans onder Oudenaarde ressorteren weerspiegelt zich in een overwicht aan bewaarde kerken of belangrijke resten ervan die opklimmen tot de romaanse periode. Aan een aantal daarvan ging wellicht een eerste bedehuis vooraf, opgericht in de vroege middeleeuwen. Deze veronderstelling is voornamelijk gebaseerd op de patrocinia met een sterke vertegenwoordiging van Sint-Martinus als titelheilige naast een kerkpatroon als Sint-Amandus, verwijzend naar de 7de eeuw. Ook de inplanting van dergelijke bidplaatsen, waarbij een natuurlijke verhevenheid de voorkeur wegdroeg, in de Scheldedorpen dikwijls daarbij afzijdig gelegen aan de oever van de Schelde, op een kouter en/of nabij een oude verbindingsweg, pleit eveneens voor het ontstaan van een eerste bedehuis in de middeleeuwen. Funderingsresten van veldsteen van een vroeg-middeleeuws zaalkerkje te Bevere, vrijgelegd op de Kerkkouter in de buurt van de Doornikse Heerweg, getuigen van zo'n kenmerkende inplanting.

De aanvankelijke portuskerk op de ham van Ename toegewijd aan Sint-Salvator, waarvan de bouw circa 1000 plaats vond, doch die in 1139 reeds werd gesloopt en vervangen door een grote driebeukige abdijkerk, was ook een eenbeukige zaalkerk. Uit de opgravingen op de abdijsite bleek tevens dat de kerk een geoosterd koor met een zeldzame halfronde vorm bezat. Van het vroegste en algemeen gangbare kleine eenbeukige kerktype met vlak afgesloten koor bleef er een vroeg-romaanse in opstand bewaard te Nederename: de minstens 10de-eeuwse Sint-Vedastuskerk vormt bovendien het oudste bewaarde romaanse kerkje van de provincie Oost-Vlaanderen. Bij de aanzienlijke vergroting van de zaalkerk in 1939 verdween het koor. Kenschetsend zijn het grove metselwerk van Doornikse breuksteen met een fragment in visgraatverband en de hoog geplaatste kleine rondboogvensters. De langs de Schelde aangevoerde Doornikse steen bleef gedurende heel de romaanse en tot in de vroeg-gotische periode gebruikt in de kerkbouw. Op grond van zijn bouwkenmerken en vroegste vermelding in 1110 wordt de bouw van de klein gebleven Sint-Martinuskerk van Volkegem tot nog toe eind 11de - begin 12 de eeuw geplaatst. Het romaans kerkje was typologisch wellicht vergelijkbaar met de Sint-Vedastuskerk van Nederename, doch oogt thans veeleer gotisch. Bij uitzondering bleef het gewit uitwendig aspect gehandhaafd, hetgeen bijdraagt tot het representatief karakter van de Volkegemse dorpskerk voor de oudste kleine bidplaatsen van de regio.

Twee romaanse kerken uit het behandelde gebied stijgen zowel wat betreft hun omvang als bouwhistorisch belang boven het lokale uit. Dit geldt in eerste instantie voor de vroeg-romaanse Sint-Laurentiuskerk van Ename die een unicum vormt voor het hele Scheldegebied. De historische omstandigheden waarin deze in aanvang pre-stedelijke kerk binnen het grensgebied van het Ottoonse keizerrijk circa 1000 tot stand kwam, relateren ongetwijfeld sterk met haar uitzonderlijk en monumentaal karakter. In overeenstemming met vooraanstaande kerken uit de Ottoonse periode verkreeg de pijlerbasiliek een opvallend symmetrische aanleg met twee koren die elkaars tegenpool vormden, namelijk een haast vierkant west- en oostkoor; het laatstgenoemde koor, met bidruimte op de verdieping geopend naar het schip, werd naderhand verhoogd tot een koortoren. Verwantschap aan de Maaslandse stijl kan worden aangewezen in de geleding van de buitenmuren door lisenen en rondboogspaarvelden evenals in de plastische behandeling van beide koorbinnenwanden met ritmerende rondboogblindnissen. De resten van muurschilderingen die op het hoogveld van de oostelijke schipmuur te voorschijn kwamen en waarvan de belangrijkste een fragment van het motief van de Majestas Domini voorstelt, bevestigen de vroegere functie van de onderbouw der oosttoren als belangrijkste altaarruimte.

De aanwezigheid alleen al van een crypte onder het koor van de vroeger collegiale Sint-Eligiuskerk van Eine onderschrijft het belang van de in oorsprong driebeukige romaanse kruiskerk met kruisingstoren. Het huidig kerkareaal met cirkelvormig kerkhof is een zeldzaam goed herkenbaar relict van een inplanting van een "eigenkerk" op het omgracht voorhof van een motte. Van deze site met aanvankelijk achtvormige omgrachting is het gedeelte met burcht verdwenen. Het globaal gezien bewaarde bouwschema van deze middelgrote kerk leent zich tot een datering van de aanvankelijke bouw in de 11de eeuw, overeenkomstig met het geografisch in die tijd geprefereerde type. Afgezien daarvan is de voornaamste component van betekenis voor de romaanse architectuurgeschiedenis in de crypte te situeren. Deze in de hoogte vrijwel gehalveerde ruimte waarbij de overwelving verdween, biedt een voor ons land uniek ensemble van middeleeuwse muurschilderingen op de bepleisterde wanden met zowel decoratieve als figuratieve voorstellingen die nog steeds wachten op dringende conserverende maatregelen.

De kleinere parochiekerken van Melden, Mullem en Welden laten in verschillende mate nog overblijvende bestanddelen zichtbaar van de in kern wellicht driebeukige romaanse bouw. Omtrent hun aanvankelijke aanleg bestaat geen absolute zekerheid en evenmin over de datering die kan opklimmen tot de 12de eeuw. De Sint-Hilariuskerk van Mullem bewaart een duidelijk romaanse vierkante kruisingstoren met voor de bouwstijl typerende rondboogvormige tweelichten in een blind rondboogveld en met deelzuiltje. Te Melden heeft ook de toren van de Sint-Martinuskerk duidelijk een romaans karakter. Hier betreft het een vierkante westtoren met massief gesloten voorkomen.

De stedelijke Onze-Lieve-Vrouwekerk van Pamele waarvan de bouw werd aangevat in 1234 wordt met haar uitzonderlijk homogeen voorkomen gerekend bij de voornaamste realisaties in Scheldegotiek. Hierbij kan tevens worden aangestipt dat Arnold van Binche, die de oprichting van deze driebeukige basilicale kruiskerk met achthoekige kruisingstoren en kooromgang leidde, de oudste bij naam vermelde bouwmeester is van Vlaanderen. Typerend voor deze vanuit Doornik verspreide regionale bouwstijl is voor de Pamelekerk onder andere de toepassing van een volledig omlopende dubbele galerij, aan de buitenzijde ter hoogte van de bovenlichten en inwendig met triforium onder de bovenlichten; voorts zijn ook de ronde hoektorentjes met fijne spitsbogenarcade op zuiltjes evenals de drielichten met deelzuiltjes en de karakteristieke koolbladkapitelen kenmerkend voor de Scheldegotiek.

De Sint-Walburgakerk van Oudenaarde vertegenwoordigt dan weer een toonaangevend voorbeeld van Brabantse gotiek met een opvallende stijleigen torenbouw. Voor een vrij kleine stad werd vanaf omstreeks 1420 deze zeer ruim geconcipieerde zandstenen kerk ter vervanging van de bestaande opgericht, doch ze geraakte nooit voltooid. De gerealiseerde westelijke helft vertoont een boeg oprijzend basilicaal schip en navenant daarboven uitschietende, nog vrij gesloten vierkante westtoren die van kilometers ver als een merkteken voor de stad fungeert. Het geplande driebeukige transept staat er onafgewerkt bij tegen het hallenkoor; dit laatste is nog van Doornikse steen en bezit met uitzondering van de hoogkoorsluiting vroeg-gotische bouwkenmerken.

In de gotische periode werd aan twee dorpskerken de toen zeer gebruikelijke vierkante westtoren toegevoegd. Deze uitbreiding viel in de 14de-15de eeuw te beurt aan de Sint-Vedastuskerk van Nederename en circa 1400 aan de Sint-Martinuskerk van Edelare. Beide enigszins vergelijkbare bakstenen torens zijn van verticaliserende hoeksteunberen voorzien; zandsteen is er slechts spaarzaam gebruikt, onder andere voor de omlijsting van het korfboogportaal.

Nog een vermeldenswaardige gotische verbouwing werd uitgevoerd aan de Sint-Martinuskerk van Melden. Daar bleef de romaanse westtoren behouden maar werd de rest in de 16de eeuw vervangen door een voornamelijk bakstenen driebeukige gotische kruiskerk. De Brabantse gotiek komt er tot uiting in de vormgeving van de zandstenen kapitelen van het schip.

De kerkelijke bouwactiviteit gedurende de 17de en 18de eeuw voorzag vooral in de nodige herstellings-, aanpassings- en verfraaiingswerken. In vele kerken werden vensters door grotere vervangen; ook werden nieuwe gewelven gestoken zoals in de kerk van Eine waar geïnvesteerd werd in rijk gesculpteerde kapitelen; elders verschenen stucplafonds zoals in 1713 in het voormalige parochiekerkje van Leupegem en in 1725 te Volkegem. Bij andere werd de toegang geaccentueerd door een nieuwe portaalomlijsting, zoals te Ename in 1778, terwijl Eine op een vroeger tijdstip een kerkportaal in rococostijl kreeg. Zoals gebruikelijk in die tijd werden de kerkinterieurs met nieuw meubilair uitgerust waaronder vooral de portiekaltaren een opvallende plaats innemen.

In de Sint-Walburgakerk werden de talrijke zijkapellen van neringen en ambachten verrijkt met een nieuw altaar in barokstijl.

Na plannen tot vergroting van de bestaande kerk te Mater werd uiteindelijk in 1780-1783 een volledig nieuwe kerk opgetrokken die een veel toegepast eenvoudig bouwschema van plattelandskerken uit de late 18de eeuw illustreert, namelijk driebeukig met bescheiden ingebouwde westtoren. De classicistische vormentaal eigen aan die tijd is wel expliciet aanwezig in het met stucornamenten uitgewerkt bepleisterd interieur.

In de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw komt naast de overheersende neogotiek ook de neoromaanse bouwstijl aan bod in de kerkarchitectuur. In die periode vonden namelijk vooral stijlverwante uitbreidingen en herstellingen van bestaande kerken plaats. Zo is de sacristie die in de jaren 1830 zijdelings aan het koor van de Sint-Walburgakerk van Oudenaarde werd toegevoegd, een vroege toepassing van de neogotische bouwstijl naar een ontwerp van de Gentse architect Louis Roelandt. Het koor van Sint-Walburga onderging vanaf 1889 een herstelling door architect Pieter Langerock. Volgens de toen geldende restauratieprincipes veranderde hij het koor binnenin sterk van uitzicht. Mede door de plaatsing van neogotisch meubilair en koorglasramen werd er een nieuwe stijleenheid gecreëerd. Architect August Van Assche voorzag vanaf 1871 in de plannen voor de langdurige historiserende restauratiewerken van 1877 tot 1904 van de gotische Pamelekerk. Het eveneens grondig herstelde interieur wijzigde ook door het thans overwegende neogotische meubilair waarvan een belangrijk aandeel in de jaren 1880 werd uitgevoerd volgens ontwerpen van Van Assche. Dezelfde architect was aangewezen voor de vergroting van de Sint-Martinuskerk van Welden, werken die de kerk een dominant neoromaans voorkomen bezorgden en in 1871 voltooid waren. De herstelling van de Sint-Martinuskerk van Melden in 1871 ging gepaard met de vervanging van het koor door een langere oostbouw in neogotische stijl. Ook hier was een gerenommeerde Gentse architect aan het werk, namelijk Louis Minard. De typisch neogotische decoratieve koorpolychromie en de bijpassende gekleurde glas-in-loodramen vormen met het kunstig gesculpteerde meubilair van de altaarruimten een bijzonder waardevol ensemble dat representatiefis voor de neogotische kunstproductie. Een volledig nieuwe neogotische dorpskerk van een verspreid type in bak- en hardsteenbouw werd in 1872-76 gerealiseerd te Bevere naar een ontwerp van architect Théodore Bureau. Te Eine was architect Henri Geirnaert kort voor en na de Eerste Wereldoorlog werkzaam aan de vrij ingrijpende restauratie en heropbouw van de Sint-Eligiuskerk. Tijdens het interbellum vinden we voor het bezochte gebied vooral architect Henri Valcke actief in de kerkbouw. Na oorlogsschade was hij in de jaren 1920 aangezocht voor de herstelling van de jonge kerk van Bevere en de oprichting van een volledig nieuwe neogotische parochiekerk te Heurne. Tevens tekende hij later de plannen voor de aanzienlijke uitbreiding in neoromaanse stijl van de Sint-Vedastuskerk te Nederename, uitgevoerd in 1938-1939.

De enige parochiekerk van het behandelde gebied gecreëerd in een moderne vorm is te vinden in de na de oorlog opgerichte Sint-Jozefsparochie te Oudenaarde, gebouwd in 1958-59 naar plannen van de architecten Maurice Vossaert en André Platel.

Kapellen

Het kapellenpatrimonium van Oudenaarde is op het grondgebied met een stedelijk karakter vrijwel tot nihil herleid. In de landelijk gebleven deelgemeenten zijn deze kleine religieuze monumenten iets beter in stand gehouden.

Het aantal grotere kapellen waarin erediensten kunnen plaatsvinden is zeer beperkt. De vroegere "Kapel der Congregatie" aan de Kouterstraat te Welden werd in de vorm van een kleine eenbeukige kerk opgericht in 1871-72. De niet meer intacte kapel vertoont gevels in decoratieve baksteenarchitectuur met elementen verwant aan de neoromaanse bouwtrant. Een uitgesproken neo-romaanse kapel werd in 1915-16 in het dorpscentrum van Mater gebouwd naar ontwerp van Arthur Van Ommeslaeghe. De late toepassing van deze sterk aan middeleeuwse bidplaatsen refererende kapel vindt haar verklaring in het feit dat deze Sint-Amelbergakapel verwijst naar een vroegere kapel en parochiekerk op dezelfde plek met Sint-Amelberga als vermeende stichtster. Vrij exceptioneel is de polychrome wanddecoratie in sgraffito met art-nouveau-invloeden.

De nog steeds zeer druk bezochte kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Kerselare te Edelare, die haar oorsprong vindt in het midden van de 15de eeuw, kan onder de kapellen als belangrijkste historische vereringsplaats worden aangewezen. Na een brand werd de bestaande bedevaartkapel in 1964 vervangen door een onconventionele moderne bedevaartkapel van gewapend beton door de architecten Rutger Langaskens en Julien Lampens. Het functionele concept is afgestemd op de grote toeloop van bedevaarders. Zowel de specifieke vormgeving als de glaspartijen zijn gericht op het betrekken van binnen- en buitenruimte op elkaar. De populariteit van deze bedevaartplaats bracht het aanbrengen van volkse versieringen en devotionalia met zich mee, hetgeen de strakke moderne vormgeving van de kapel reduceerde.

Van de wegkapellen met altaar is het aantal noemenswaardige exemplaren beperkt. De tegenwoordige Onze-Lieve-Vrouwekapel van 1757 aan de Heurnestraat nummer 253 te Heurne valt op door haar barok aandoend topgeveltje. Te Melden bezit de Sint-Jacobuskapel, die in 1830 bij de gelijknamige hoeve aan de Meldenstraat nummer 143 werd herbouwd, een vermeldenswaardig neoclassicistisch portiekaltaartje. Van de meerdere eenvoudige Sint-Martinuskapellen in het gebied is die aan Edelareberg nummer 39 te Edelare een laat-19de-eeuws exemplaar.

De calvarie- en kruiskapellen aan de openbare weg gaan gewoonlijk terug op oude vereringsplaatsen. De open kapel met kruisbeeld te Welden is nog 18de-eeuws, die van Ename is met haar beraapte omlijstende elementen een typische 19de-eeuwse constructie. Andere mooie calvaries en kruisbeelden zijn naar gewoonte op kerkhoven te vinden in een open kapel geïntegreerd in de ommuring of omheining van het kerkhof zoals onder meer nog te Eine en Mullem. Een andere traditionele plaats voor calvarie of kruis was tegen het koorhoofd of de daarachter aangebouwde sacristie, maar aan deze situatie werd gewoonlijk al gewijzigd. In plaats van een open kapel werd de afdekking dikwijls herleid tot een zadeldakvormige overhuiving zoals tegen de zijgevel van de kerk van Edelare of de voorgevel van de Sint-Laurentiuskerk te Ename. Op het kerkhof van Welden werd boven de grafkelder van bisschop Lambrecht in 1891-92 een zeer merkwaardige monumentale calvariekapel opgericht als grafmonument. Architect Stephan Mortier tekende de plannen voor deze verzorgde centraalbouw in neoromaanse stijl.

De sokkel- en pijlerkapelletjes met uitgespaarde nis komen het talrijkst voor in de grootste landelijke gemeente Mater, meestal toegewijd aan Sint-Amelberga en aan Onze-Lieve-Vrouw. In de 20ste eeuw was op diverse plaatsen de beëindiging van een van beide wereldoorlogen aanleiding om nog dergelijke kleine wegkapellen op te richten.

Kloosters en religieuze instellingen

De oudste sporen van het monachale gebouwenpatrimonium zijn de door opgravingen aan het licht gebrachte resten van de verdwenen abdij van Ename. In 1063 werd ter plaatse van de voormalige burcht van Ename, ingesloten door een meander van de Schelde, een benedictijnerklooster opgericht. Vrij vlug na de oprichting besloot men een nieuwe abdij te bouwen bij de Sint-Salvatorskerk net buiten de burcht; reeds in 1070 werd zij Sint-Salvatorsabdij geheten. De oude zaalkerk werd omstreeks 1139 vervangen door een romaanse driebeukige kruisbasiliek met twee koortorentjes. Nog in de 12de eeuw werd aan de noordzijde van de kerk een nieuwe kloostergang gebouwd volgens het traditionele vierkante type. Reeds in de 13de eeuw werden de 12de-eeuwse kloostervleugels afgebroken en vervangen door nieuwe panden. Ten oosten van het centrale complex werd een ziekenzaal met pandgang opgericht. Na de verwoesting van de middeleeuwse abdij tijdens de godsdiensttroebelen onder het calvinistische bewind (1578-82) volgde een grote heropbouwcampagne vanaf het einde van de 16de eeuw maar vooral in de 17de eeuw. Iconografische bronnen geven een goed beeld van de heropgerichte abdij. Na confiscatie tijdens het Franse Bewind werd de abdij in 1797 verkocht en nagenoeg volledig afgebroken. De abdij site is van uitzonderlijk archeologisch belang en wordt thans als Archeologisch Park van Ename met een museumfunctie uitgebouwd. In de geconserveerde en reeds ten dele opgegraven en gerestaureerde puinen is de plattegrond van het uitgestrekte laat-middeleeuwse abdijcomplex met zijn vele aanhorigheden nog duidelijk afleesbaar. De wetenschappelijke bevindingen van het archeologisch onderzoek moeten in de toekomst meer duidelijkheid brengen in de bouwgeschiedenis van de abdij en haar cultuurhistorische waarde.

De vestiging van een groot aantal kloostergemeenschappen in Oudenaarde sedert de 13de eeuw getuigt van het rijke religieuze leven binnen de middeleeuwse stadsmuren. Van de oudste religieuze vestigingen uit de voeggotische periode bleef evenwel zeer weinig bewaard. De meeste constructies werden in de loop van de 17de eeuw aangepast. In deze bijdrage wordt enkel nog bestaande monachale architectuur vermeld.

Arnulf IV schonk in 1233 gronden aan de oostelijke Schelde-oever in Pamele aan de cisterciënzerinnen van Maagdendale voor de bouw van een abdij. Het oorspronkelijk volledig ommuurde complex vertoonde een kenmerkende plattegrond met een kerkgebouw, een ten zuiden aansluitend kloosterpand en poortgebouw met gastenkwartier ten oosten; later uitgebreid met een tweede pandgang en andere bijgebouwen. Enkel het 13de-eeuwse koor en schip van de voeggotische kerk, oorspronkelijk gebouwd op kruisvormige plattegrond, is bewaard gebleven; het abdissenhuis en het gastenkwartier in traditionele bak- en zandsteenstijl met barokke reminiscenties stammen uit de 17de eeuw. Vooral het barokportaal van het abdissenhuis is bijzonder mooi. De vrij sobere gevelarchitectuur, gekenmerkt door het horizontaliserende effect van de vensterregisters met talrijke kruiskozijnen gevat tussen waterlij sten, harmonieert met het ingetogen interieur, verlevendigd met sierlijke gedrukte stucgewelven, uitgewerkte gordelbogen, gesculpteerde consoles onder zolderbalken en gordelbogen, deuromlijstingen en schouwen en een fraaie bordestrap. De voormalige kloostergebouwen kregen na een recente restauratiebeurt een passende herbestemming tot stadsarchief en tekenacademie. Op een gedeelte van de abdij site bevindt zich sinds 1993 het Administratief Centrum Maagdendale.

Het voormalige zwartzusterklooster van Pamele ten zuidwesten van de kerk werd eveneens opgericht in de tweede helft van de 13de eeuw en ook hier zijn de huidige kloostergebouwen voornamelijk 17de- en 18de-eeuws. Achter de eenvoudige gevels gaat een grotendeels in authentieke staat bewaard interieur schuil met een laatgotische kapel waarin een heel mooi renaissance-altaar, kloostergangen met stucdecoraties gedateerd 1638 en 1684, de keuken met tegelwanden en een prachtig gedecoreerde refter met dertien wandschilderingen op doek.

Ongeveer gelijktijdig met Pamele werd ook het zwartzusterklooster van Oudenaarde gesticht. In 1672 werden de gebouwen van de Sint-Jacobsbroederschap en de Sint-Michielsnering verbouwd tot zwartzusterklooster, vanaf 1846 in gebruik genomen als karmelietessenklooster. De sobere 17de-eeuwse kloostergebouwen zijn gegroepeerd rond een rechthoekige binnenplaats, met de in neogotiek aangepaste kapel aan de straatzijde.

Omstreeks 1382 verkreeg het extra muros gelegen Onze-Lieve-Vrouwehospitaal de gebouwen van de bogarden en van de begijnen ten noordwesten van de Sint-Walburgakerk voor de bouw van een nieuw hospitaal. Begin 15de eeuw werd het uit Doornikse kalksteen opgetrokken huis van de bogarden omgebouwd in gotische stijl tot ziekenzaal en kapel. Het klooster, bediend door bernardinnen, werd in de loop der tijden verbouwd en aangepast en groeide uit tot een complex ensemble. Van het kloosterpand rest nog een deel van de laatgotische kruisgang uit de 16de eeuw. Bekend is het door Simon De Pape in 1623-33 ontworpen "Bisschoppenkwartier" in zuivere renaissancestijl. De hardstenen gevel voorafgegaan door een bordes wordt gemarkeerd door twee duidelijk onderscheiden geledingen met klassieke hoofdgestellen, door de superpositie van Toscaanse en Ionische pilasters en een rondboogarcade op begane grond. De bepleisterde kloostervleugels van 1772 vormen het enige voorbeeld van classicisme in de Oudenaardse kloosterbouw. Het statige hoofdgebouw wordt in het midden gesierd door een weelderige ingangspartij van zandsteen, illustratief voor deze stijlrichting.

De begijnen bekwamen in 1449 in ruil voor hun huizen afgestaan aan het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal, enkele huizen in de "Borch", en richtten er een nieuw begijnhofje op dat sedertdien enige malen werd vergroot. Een opmerkelijke poortgevel met een korfboogpoort in een rijk bewerkte barokke zandstenen omlijsting geeft toegang tot het kleine afgebakende begijnhof, dat met zijn witgekalkte, nog deels 17de-eeuwse huisjes en een bescheiden laatgotische kapel een intieme sfeer ademt.

Verschillende abdijen op het omringende platteland bezaten in de stad een toevluchtsoord voor tijden van gevaar. De refuge van de abdij van Ename, in gebruik van 1504 tot de privatisering na de Franse Revolutie, bleef grotendeels bewaard. De nog zichtbare bouwelementen van het langgerekte en twee bouwlagen hoge gebouw gevat tussen zijtrapgevels en het sierlijke ronde traptorentje wijzen op een kern in traditionele bak- en zandsteenarchitectuur uit de 17de eeuw. Het huis Kattestraat nummer 32, heden eveneens in privébezit, diende reeds in de 15de eeuw als refuge voor de abdij van Petegem; ook hier wijzen bouwsporen op een traditionele bak- en zandsteenbouw.

De Sociëteit Jesu, in Oudenaarde opgericht in 1615, kreeg in 1625 toelating om zijn onderwijsinstelling om te vormen tot college. De klaslokalen, aanvankelijk gevestigd in huizen in de Broodstraat en Krekelput, werden in 1632 overgebracht naar het Jezuïetenplein. De in 1619 opgerichte kerk werd in 1634 vervangen door een grotere, op haar beurt volledig gesloopt in 1777. Een nieuw imposant klooster werd gebouwd in 1664-72 achter de kerk. De huidige woning Jezuïetenplein nummer 24, het oude spreekbuis met poort- en schoolgebouw van 1699-1706 en tevens het enige overblijfsel van het eens zo befaamde college, werd op een historiserende wijze hersteld in 1875 en 1913 maar vormt met de opvallende toegangspoort niettemin een mooi voorbeeld van barokarchitectuur in Oudenaarde.

Tenslotte zij nog gewezen op de eind 19de-eeuwse kloosterstichtingen ten behoeve van onderwijs en bejaardenzorg in het Oudenaardse. Het Rusthuis en klooster Heilige Familie in de Kasteelstraat in Oudenaarde, gesticht in 1886, is illustratief voor de neogotische kloosterarchitectuur van het einde van de 19de eeuw. Ook voor de bouw van de landelijke kloosterscholen bleef nog tot de jaren 1920 de voorkeur uitgaan naar de eclectische bouwstijl met voornamelijk neogotische inslag. De in deze stijl opgetrokken kloosterschool van Bevere, heropgebouwd in 1921 naar ontwerp van Albert Massez, en de kloosters van Onze-Lieve-Vrouw Visitatie in Edelare en in Mater kunnen als representatief beschouwd worden.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Openbare gebouwen

Tijdens het ancien regime vergaderden bestuurlijke en rechterlijke macht in één gebouw. De rechtszittingen vonden aanvankelijk plaats in openlucht, later in een vierschaar en nadien in het wethuis of stadhuis. Een voor België uniek relict van een openluchtrechtbank is de "Groene Vierschaar" te Bevere, van de heerlijkheid Volkaersbeke. De door linden geflankeerde in U-vorm geplaatste bank, vooraan eindigend op gesculpteerde stijlen in renaissancestijl, dateert vermoedelijk uit de 16de eeuw doch gaat zeker terug op een ouder exemplaar.

Het stadhuis van Oudenaarde gecombineerd met de imposante lakenhal domineert de noordzijde van de Markt. De innige samenhang tussen het handels- en bestuursgebouw getuigt hier nog van de ontstaansgeschiedenis van het stadsbestuur uit vertegenwoordigers van deze belangrijkste textielhandel. Het oudste gebouw is de lakenhal uit het begin van de 14de eeuw, een ruime rechthoekige gesloten constructie met parement van Doornikse steen en een imponerend hoog zadeldak. Van het oude, vermoedelijk samen met de hal gerealiseerde schepenhuis, blijft nog de eveneens in Doornikse steen opgetrokken oostgevel met weergang aan de Nederstraat bewaard.

De rijkdom van de stad door de bloeiende wandtapijtenindustrie en de na-ijver tussen de verschillende Vlaamse steden leidden in het begin van de 16de eeuw tot de oprichting van een nieuw stadhuis. Na verschillende verworpen voorontwerpen werd het ontwerp van de Brabantse bouwmeester Hendrik van Pede tussen 1526-1536 gerealiseerd. Het meesterwerk van Van Pede geldt als een volmaakt voorbeeld van de klassieke stroming in de Brabantse laatgotiek waarin, volgens Schayes in zijn "Histoire de l'architecture en Belgique" de bouwmeester de mooiste delen van het stadhuis van Brussel en Leuven wist te combineren. Door zijn perfecte symmetrie met centrale ingebouwde belforttoren, zijn evenwichtige compositie, zijn weelderige doch beheerste decoratie en de hiërarchische opbouw, kan dit gebouw reeds tot de geest van de renaissance gerekend worden. Naast de monumentale gotische schouwen en de gesculpteerde balklagen getuigt het tochtportaal van de schepenzaal van de Oudenaardse beeldhouwer Pauwel Vander Schelden duidelijk van renaissance-invloed.

Het verhaal van de restauratie begint in 1840 met de bekende Gentse architect Louis Roelandt die vooral het beeldhouwwerk liet vernieuwen. Een tweede campagne (1879-1914) onder de Leuvense architect Joris Helleputte was vooral toegespitst op de herstoffering van het interieur van de zogenaamde volkszaal. Zijn groots opgevatte reconstructieplannen van het oude schepenhuis met een tweede belfort aan de Nederstraat, werden echter nooit uitgevoerd. De naoorlogse restauratie onder leiding van architect Valentin Vaerwyck kreeg het karakter van "herstellingen wegens oorlogsschade". De nog steeds aan gang zijnde restauraties tenslotte startten in 1956-57 onder architect Roger Warie, sinds 1979 overgenomen door het architectenbureau Van Acker. Hetzelfde bureau ontwierp in 1993 het nieuwe Administratief Centrum Maagdendale, naast het historische abdijcomplex.

In de fusiegemeenten zetelden de nieuwe gemeentebesturen in het begin van de 19de eeuw nog in een centraal gelegen dorpscafé. Vanaf het einde van de 19de eeuw verhuisden een aantal besturen naar de lokale gemeenteschool zoals in Bevere, Heurne, Mullem, Nederename en Volkegem. Het enige als gemeentehuis ontworpen gebouw in de regio is het gemeentehuis van Leupegem, van 1930, opgetrokken in neogotische stijl met kenmerkende historiserende vormen, naar een ontwerp van 1909 door architect Albert Massez.

In Oudenaarde bleef het oude kasselrijgebouw, zetel van de feodale vertegenwoordigers van de graaf in de kasselrij Oudenaarde, bewaard in de Hoogstraat nummer 30. Een bestaande 16de-eeuwse herenwoning, aangekocht door de hoogpointers in 1611, werd aangepast in late renaissancestijl met kenmerkende zandstenen lijstgevel met tudorboogoverkraging op fijne deelzuiltjes. In 1702 en 1728 werd het gebouw uitgebreid in een voor de stad vrij unieke Lodewijk XIV-stijl met pilastergevel, zware vruchten- en bloemenslingers en rijkelijk gedecoreerde dakkapellen. Het interieur bewaart nog de vroegere ontvangstkamer met 1705 gedateerd stucplafond, de voormalige collegekamer met rococoschouw van 1760 met wapenschild van de kasselrij, een overwelfde griffiekamer, een 18de-eeuwse bordestrap en fijn rococostucwerk. De vroeg-19de-eeuwse muurschilderingen in de eetkamer werden pas na de afschaffing en openbare verkoop aangebracht bij de inrichting als hotel. Sinds 1851 kent het complex een nieuw elan en grootse uitbreiding als Onze-Lieve-Vrouwecollege.

Andere burgerlijke overheidsgebouwen in Oudenaarde met een apart architectonisch karakter aangepast aan de publieksfunctie of het utilitaire programma zijn het "Vleeshuis", het Gerechtshof, de gevangenis, de brandweerkazerne, het voormalige postgebouw, de rijkswachtkazerne en de schoolgebouwen.

Een van de mooiste openbare gebouwen uit het verleden van de stad is het "Vleeshuis", een markthal met kunstacademie op de bovenverdieping, opgetrokken in 1780-83 en door architect Monique Stoop recent omgebouwd tot stadsbibliotheek. Dit architectonisch meesterwerk is het resultaat van de samenwerking tussen de Oudenaardse architecten Philippe Van der Meersch en Anthone Van den Hende. De stijlvolle en sierlijk gemodelleerde arduinen gevel is een treffend voorbeeld van classicistische bouwkunst.

De neostijlen vonden een ruime toepassing in de architectuur van de openbare bouwwerken uit de eerste decennia van de eeuw.

Een mooi voorbeeld met neogotisch geveldecor uit 1911 is het voormalige postgebouw, opgetrokken in opdracht van de Dienst der Gebouwen van Posterijen en Telegrafen naar ontwerp van Georges Verbeke.

De justitiële gebouwen van gerechtshof en gevangenis zijn beeldbepalend gelegen aan de oostelijke Schelde-oever in Oudenaarde. Het bij de beschietingen van 1918 vernielde gerechtshof werd door architect Henri Valcké vervangen door het imponerende huidige gerechtshof. Het van 1922 gedateerde gerechtsgebouw kreeg een eclectische en historiserende vormgeving in de geest van de profane Brabantse gotiek. De gaaf gebleven interieurdecoratie, meer bepaald van de drie gerechtszalen, verfraaid met allegorische schilderingen op doek door Bruno-René De Cramer, is evenzeer in eclectische stijl opgevat en aangevuld met eigentijdse elementen. De bij het gerechtshof aanleunende celgevangenis van 1904-08 vertoont een vereenvoudigde vorm van het toenmalige bouwtype. Twee vleugels in neogotische stijl van drie bouwlagen vormen een Y-vormige aanleg; een obligate dubbele ommuring sluit de gevangenis van de buitenwereld af. Vormgever was L. Bouckaert.

Auteur van de brandweerkazerne, een opvallend gebouw van 1936 in nieuwe zakelijkheid, is Maurice Vossaert. De typische gevelopbouw met alternerende volumes onder platte daken wordt gemarkeerd door een verticaal uitgebouwd trappenhuis met vlaggenmast en een hoger opgetrokken droogtoren.

Een laatste groep nutsgebouwen vormen de onderwijsgebouwen voor de basis- en middelbare opleiding. Tegen het einde van de 19de eeuw waren in alle gemeenten lagere katholieke en/of gemeentescholen. Ook hier is de meest verspreide bouwvorm de eclectische en neotraditionele baksteenarchitectuur. Er zijn nog heel wat voorbeelden voorhanden van dergelijke pittoreske plattelandsschooltjes die echter doorgaans architectonisch van middelmatige kwaliteit zijn. Als uitschieter noteren we de later tot stedelijke muziekschool omgevormde Oudenaardse school in Woeker, die na een recente opknapbeurt uitgebreid werd met een concertzaal in een geslaagde nieuwbouw. Een fraai voorbeeld van schoolarchitectuur met functioneel karakter is het Koninklijk Atheneum opgericht in de Fortstraat in 1947-49 in opdracht van het Ministerie van Openbare Werken. De naar de straatkant toe gesloten betonnen skeletbouw met gele baksteen vertoont twee langgerekte vensterreeksen en een verticaal uitgebouwd trappenhuis met ladderraam, in karakter aansluitend bij het modernisme van het interbellum.

Stedelijke privé-architectuur

Oudenaarde heeft nog veel van zijn bouwkundig verleden weten te bewaren. Het architectuurhistorische stadsbeeld van Oudenaarde wordt niet alleen bepaald door een rijke variatie aan stijlrichtingen in de burgerlijke gevelarchitectuur en interieurkunst maar ook door de grote rijkdom aan oude bouwsporen die kunnen teruggaan tot de middeleeuwen, doch die tot nu toe weinig bekend waren. In de omliggende dorpskernen en in de voorsteden van Oudenaarde zijn soortgelijke voorbeelden van oude stijlvolle rijhuizen zeer schaars. Pas in de 19de eeuw sluit de bouwevolutie van de grote dorpswoningen volledig aan bij de stedelijke privéarchitectuur. De meest gebruikte stijlvorm is hier het classicisme en zijn stilistische uitlopers.

De oudste sporen van bewoning in de stadskern zijn te vinden in de zogenaamde "Boudewijnstoren" en belendende huizen op de vroegere Garenmarkt, het oudste stadsdeel ten zuiden van de Sint-Walburgakerk. De toren, vermoedelijk gebouwd als statussymbool bij een stedelijke patriciërswoning uit de 12de eeuw, verkeert thans helaas in een deplorabele toestand. De oorspronkelijk gekanteelde toren vertoont de typische kenmerken van een romaans "steen" met dikke muren van Doornikse breuksteen doorbroken door kleine muuropeningen, schietgaten en steigergaten. Het belendende huis bewaart nog de aangebouwde zaalbouw met zijmuren van Doornikse steen; voor- en achtergevel werden vermoedelijk in de 16de eeuw vervangen. De voorgevel, geheel opgetrokken uit zandsteen, is een uniek voorbeeld van profane Brabantse gotiek. De lijstgevel met twee getrapte dakvensters vertoont laat-gotische stijlkenmerken: een overkragende bovenverdieping op tudorbogen rustend op halfzuiltjes met koolbladkapiteel, nog vrij zeldzaam voorkomende kruiskozijnen en waterlijsten. Het zadeldak is gevat tussen zijtrapgevels. Het inmiddels gedeeltelijk ingevallen huis ernaast, Markt nummer 41, en de achterbouw van Krekelput nummer 11 zijn ook nog duidelijk zichtbare zaalbouwen uit de romaanse periode met zware muren van Doornikse breuksteen.

De oude stadsstructuur van Oudenaarde wordt gekenmerkt door de smalle pandenindeling van diephuizen. Achter de hoofdwoningen werden nog vele oude achterhuizen met puntgevel aangetroffen die vaak uitgaven op het thans gedempte water en niet het hoofdgebouw verbonden waren door het trappenhuis, zoals Einestraat nummer 21, 23 en 41, Kattestraat nummer 19 en nummer 28-30, Krekelput nummer 13, Markt nummer 29 en 30 en Nederstraat nummer 19-21. In vele diephuizen rondom het grote marktplein zijn nog kelders, afgesloten met ton- of kruisribgewelven en muren van Doornikse steen (nummer 13, 29, 30, 61, 62) die kunnen opklimmen tot de 13de of 14de eeuw, bijzonder goed bewaard gebleven.

Uit de 16de en 17de eeuw bewaart Oudenaarde nog een aantal diephuizen in traditionele bak- en zandsteenarchitectuur. Van de vroeger zo gebruikelijke houtbouw of vakwerkbouw bleef slechts één huis uit de 17de eeuw in goede staat bewaard: Nederstraat nummer 58. De typerende puntgevels met opgaand mestelwerk van baksteen worden verlevendigd door de overkraging van de benedenverdieping steunend op korf- of rondbogen die aanzetten op kraagstenen of zuiltjes. De vormentaal van de renaissance, verder ontwikkeld in de barok, komt tot uiting in de decoratieve behandeling van de gevel, namelijk de consoles of zuiltjes als ondersteuning van de overkragende hoogvelden en de gebeeldhouwde versieringen zoals de sculpturale opvulling van de hoogvelden, bijvoorbeeld in Broodstraat nummer 5 en de decoratief uitgewerkte geveltoppen met cartouches, voluten en (vaas)bekroning.

Er zijn grosso modo vier verschillende geveltypes in deze periode te onderscheiden.

Geïnspireerd door de Franse architectuur, vernieuwde de bouwwijze en bouwstijl zich ingrijpend in de 18de eeuw. Een belangrijke vernieuwing in materiaalgebruik is de algemene toepassing van de gevelbepleistering met schaarse aanwending van natuursteen aan plint, vensters en deuren. De overkragende bovenverdiepingen en de kruiskozijnen verdwijnen uit de gevelarchitectuur. Naast het diephuis met verschillende types van geveltoppen zoals klokgevel (Broodstraat nummer 3 van 1765) en halsgevel (Kattestraat nummer 25 en Markt nummer 7), kwam het breedhuistype met bepleisterde lijstgevel massaal in gebruik. Naast het zadeldak komt het schild- en mansardedak veelvuldig voor. Schijnvoegen, risalieten, frontons en dakkapellen zijn geliefd ter verfraaiing van de gevel. Ook het benadrukken van de centrale deuromlijsting van natuursteen is een favoriete geveldecoratie.

Prestigieuze huizen in de midden-18de-eeuwse rococostijl vindt men nog in het centrum van Oudenaarde, Broodstraat nummer 3 van 1765 en Einestraat nummer 15, en uitzonderlijk in Ename, Abdijstraat nummer 17-19, "Huis Beaucarne" en Martijn van Torhoutstraat nummer 190. Bijzonder zijn de weelderige rocaillemotieven in oeils-de-boeuf en het driehoekige fronton van het grote en stijlvolle "Huis de Lalaing".

Fraaie lijstgevels in classicistische strekking uit de laatste drie decennia van de 18de eeuw zijn te vinden in de Nederstraat nummer 8, voorheen met opschrift van 1776, nummer 59 en nummer 60, op het Jezuïetenplein, nummer 5 en nummer 14 tot 21, laatstgenoemde gebouwd op de plaats van de gesloopte jezuïetenkerk, en in de Kasteelstraat, aangelegd op de plaats van het in 1782 gesloopte kasteel van Pamele. Rijke interieurs, bijvoorbeeld in de Einestraat, verlevendigd met stucwerk op plafonds en schoorsteenmantels en gesculpteerde trappalen illustreren de toenmalige stedelijke wooncultuur.

Met het ontwerp van het indrukwekkende "Vleeshuis" - "Academie" - op de Markt in 1780-83 door de architecten Philippe Van der Meersch en Anthone Van den Hende vond een nieuwe stijlvorm ingang in het Oudenaardse. Als latere variant op dit markante gebouw in een zuivere classicistische stijl met zijn strak symmetrische ordonnantie kennen we twee interessante herenhuizen: Einestraat nummer 23 en de volledig met grijsblauwe natuursteen beklede voorgevel van Baarstraat nummer 18. Ook het imponerende hoekhuis Burg nummer 2-4, 6 kan met inbegrip van het thans gerestaureerde interieur met een merkwaardig beschilderde rotonde model staan voor de laatclassicistische stijlperiode.

In de eerste helft van de 19de eeuw werden in opdracht van de gegoede burgerij enkele aanzienlijke stadshuizen opgericht verrijkt met sierlijke gevels in empirestijl of in neoclassicistische stijl: Broodstraat nummer 25, Hoogstraat nummer 16 en nummer 36, Kattestraat nummer 31 van 1830 ontworpen door Louis Minard, Markt nummer 26 en Tacambaroplein nummer 11. De bepleisterde lijstgevels in empirestijl vertonen typische rondboogvensters, vaak nog geaccentueerd door geblokte booglijsten. Opvallend in Oudenaarde zijn enkele mooie en zeer goed bewaard gebleven voorbeelden van interieurkunst, meer bepaald waar de aankleding verrijkt werd met muurschilderingen op pleisterwerk of doek. Meestal zijn landschappen afgebeeld met taferelen uit het landleven of decoratieve architecturale composities, zoals in Hoogstraat nummer 36 en aan Louise Mariekaai nummer 11.

Karakteristiek voor de 19de-eeuwse bouwactiviteiten zijn de bepleisterde lijstgevels met minder uitgesproken kenmerken, opgetrokken voor woningen uit de 16de- of de 17de eeuw met behoud van hun oude kern. Talrijke stadshuizen werden trouwens ingericht en gestoffeerd met afbraakmateriaal, meestal schoorstenen, afkomstig van gesloopte woningen en gebouwen. In vele van de eind-19de-eeuwse en begin-20ste-eeuwse luxueus ingerichte woningen zijn de veelvuldig aangetroffen glas-in-loodramen en mozaïekvloeren vermeldenswaard.

Een aaneenschakeling van burgerhuizen en arbeidershuizen in historiserende stijlen en eclectische baksteenarchitectuur kenmerkt de bebouwing in de stationswijk zowel in Oudenaarde als in Bevere, waar in 1891 het huidige station werd ingeplant. De eerste huizen, nog gebouwd in het derde kwart van de 19de eeuw, werden bij voorkeur opgetrokken in neoclassicistische stijl, bijvoorbeeld Stationsstraat nummer 16 van 1875. Tegen het einde van de eeuw waren vooral het fantasierijke eclecticisme en de neogotiek als kunstrichting in de woningbouw overheersend, bijvoorbeeld de kleurrijke gevels van Devosstraat nummer 13 van 1906 en nummer 19 van 1905, beide naar ontwerp van Jules Colpaert, en Broodstraat nummer 29 en 33. Markant in Oudenaarde is het ruim opgezette project van volkshuisvesting, een initiatief van de textielindustriëlen Gevaert rond de eeuwwisseling, waarbij een honderdtal arbeiderswoningen in twee harmonische straatwanden in eclectische stijl naar ontwerp van architect Alphonse Vossaert het stadslandschap blijven bepalen. Het bekendste bouwwerk in neo-Vlaamse-renaissancestijl in Oudenaarde is het zowel in- als uitwendig overdadig gedecoreerde "Liedtskasteel", gebouwd in 1883 en gelegen in een landschapspark, thans openbaar wandelpark. Rijwoningen in dergelijke stijl werden opgetrokken in de Stationsstraat en voorts in de landelijke dorpskernen van Eine en Ename. Rond dezelfde tijd doet de dorpswoning met beraapte gevel haar intrede. Enkele ruime herenhuizen in eclectische stijl met een persoonlijk cachet van architect Albert Massez (Ronse) verdienen een speciale vermelding: Broodstraat nummer 23 van 1911, Hoogstraat nummer 65 van 1910 en Kattestraat nummer 18 van 1906.

De art nouveau als bouwstijl vond in Oudenaarde en haar verstedelijkte randgemeenten weinig navolging en beperkt zich veelal tot decoratieve vormaspecten en detaillering zoals veelkleurige sgraffiti. Zeldzame voorbeelden in Oudenaarde zijn Devosstraat nummer 8 van 1909, Doornikstraat nummer 24 van 1911 en "Huis Raepsaet", Tacambaroplein nummer 5 naar ontwerp van Alphonse Vossaert van 1908. Ook in de fusiegemeenten bleef de art-nouveau-architectuur van ondergeschikt belang.

Bij de heropbouw van de woningen na de beschietingen van november 1918 werd doorgaans gewerkt in een historiserende stijl met lokale traditionele woningtypes als inspiratiebron. Als markante voorbeelden vermelden we Burg nummer r. 1-3, een ontwerp van Alphonse Vossaert van 1919, Markt nummer 49, "De Carillon", naar ontwerp van architect Armand Janssens en enkele realisaties van architect Arthur Van Ommeslaeghe: Markt nummer 50 en 51 van 1921 en Voorburg nummer 12 van 1923.

De bouwactiviteit kende tijdens het interbellum nagenoeg overal een nieuwe bloei. In Oudenaarde groeide de zogenaamde Eindries uit tot een moderne woonwijk met burgerhuizen in een vrij eenvoudige baksteenarchitectuur met levendige gevelindeling en versieringselementen in art-decogetinte stijl. Her en der in de binnenstad verschenen woningen al of niet met commerciële functie in deze sterk modegebonden stijl. Uit onderzoek van het Modern Archief van Oudenaarde bleek architect Gilbert Decordier een veel gevraagd ontwerper, onder andere van de eigen woning in de Kattestraat van 1938, en de winkelhuizen in de Nederstraat van 1930 en in Tussenbruggen van 1937. Vele cafés in Oudenaarde en omliggende, bij voorkeur hoekpanden, werden gebouwd in opdracht van één der vele Oudenaardse brouwerijen in een moderne functionele architectuur met een decoratieve vormgeving. Opvallend zijn de voormalige cafés "Den zoeten inval" van 1931 en "Plezanten Hof" van 1932, gebouwd in opdracht van brouwerij Sint-Arnoldus (firma Petre-Devos) naar de plans van de architecten X. Allard en A. Lecomte. In Leupegem trad vooral de lokale "Brouwerij De Bisschop" op als bouwheer, zoals voor het voormalige "Café Palladium", Dokter de Wolfplein. Elders in de gemeenten vond de internationale art deco slechts sporadisch navolging.

In de modernistische functionele architectuur werd bijzondere, aandacht besteed aan de plattegrondindeling aangepast aan de evoluerende levensomstandigheden en de moderne wooneisen. De gevelarchitectuur wordt gekenmerkt door een accentuering van geometrische volumes. Naar ontwerp van de befaamde Gentse architecten Jules Lippens, August Desmet en Gaston Eysselinck ontstonden de mooiste modernistische bouwwerken van de stad. In het werk van J. Lippens, Generaal Pershingstraat nummer 9 van 1933 en Keizer Karelstraat nummer 6 van 1935 zijn in de eerste plaats de plastische volume-opbouw en de verzorgde detaillering van belang. De nog aanwezige bakstenen woonhuizen gebouwd door August Desmet voor de familie Van den Broecke in de Doornikstraat nummer 20 en nummer 33 kenmerken zich door het puristische uitzicht, de kubistische vormentaal en de interessante plattegrond. Het ontwerp van G. Eysselinck voor de dokterswoning in de Gevaertsdreef nummer 6 getuigt van een sterk doordachte architectuur zowel aan de buiten- als aan de binnenkant. De uitgezuiverde vormgeving van de "witte" gevel en de optimale benutting van het bouwterrein met zijn onregelmatige polygonale vorm maakt het huis tot een uniek voorbeeld van het zogenaamde Nieuwe Bouwen in het bestudeerde gebied.

Na de Tweede Wereldoorlog volgde een nieuw tijdperk van verhoogde bouwactiviteit en stadsuitbreiding. De uitbreiding van de dorpskernen met lintbebouwing op de invalswegen naar het stadscentrum, vooral in Eine, Nederename en Ename zorgde niet echt voor een verstedelijking van het dorpsbeeld. Hoewel de stad bespaard bleef van storende hoogbouw zijn goede voorbeelden van hedendaags bouwen uiterst zeldzaam.

Landelijke architectuur

In het geïnventariseerde gebied zijn de meeste pastorieën 19de-eeuwse vervangingen van vroegere constructies sommige evenwel met behoud van een oudere kern. De pastorie was veelal ingeplant in een omhaagde, ommuurde of soms omgrachte tuin en gelegen middenin de dorpskern, nabij de kerk en via een poortje in de kerkhofmuur ermee verbonden. De afzonderlijk ingeplante omgrachte pastorie kwam reeds voor de 18de eeuw voor. Dit was het geval in Eine en in Mullem, respectievelijk volgens een 16de-eeuwse figuratieve kaart en een afbeelding uit A. Sanderus van 1641-1644. De gerepertorieerde pastorieën vertonen allen een eenvoudige lijstgevel met dubbelhuisopstand. Oorspronkelijk voorzien van één bouwlaag werden de 18de-eeuwse pastorieën van Volkegem en Welden respectievelijk in de 19de en begin 20ste eeuw van een tweede bouwlaag voorzien. De pastorie van Ename (Enameplein nummer 18) vertoonde reeds na heropbouw in de 18de-eeuw een bovenverdieping. De 19de-eeuwse pastorie uit het gebied is van het dubbelhuistype van twee bouwlagen, sluit aan bij het 18de-eeuwse type en bezit doorgaans een symmetrische opstand. De pastorie van Melden, thans in restauratie, bewaart een interieur met rijkelijke stucversiering en een trap in neoclassicistische stijl.

In het onderzochte gebied werden naast een aantal kasteelsites slechts drie kasteeltjes aangetroffen. Het kleine vroegere buitenverblijf "Torreken te Walle" in Ename, dat vooral in de 20ste eeuw uitgebreid en sterk aangepast werd, gaat terug op een ontginningshoeve van de abdij van Ename. Thans vormen de brede omgrachting, de smalle boogbrug en het oude ronde traptorentje op de westhoek de meest frappante overblijfselen van deze laatmiddeleeuwse site met walgrachten. In Heurne treft men het kasteel "Axelwalle" aan dat in 1978 door architect Arthur Degeyter op de dubbel omgrachte kasteelsite met gerecupereerde materialen groter heropgebouwd werd. In Mullem werd het omwalde "Klein Kasteeltje" op de historische motte in 1920 door architect Charles Hoge heropgebouwd als regionalistische villa.

De villabouw in het behandelde gebied is vrij beperkt en verspreid. Kenmerkend zijn de naamgeving en de inplanting in een mooie beboomde tuin. De villa van het cottagetype wordt verscheidene malen aangetroffen. Als illustratie: "De Varens" van circa 1900 in Bevere, Lindestraat nummer 32 in Bevere waar een villa van circa 1925 fraai glas in lood bewaart, de indrukwekkende "Villa Louisa" in Edelare van eind 19de eeuw en de vroeger zogenaamde "Villa Maria" in Volkegem van circa 1910.

Voor het eclectische type kan worden verwezen naar de monumentale villa "Ten Dyckbos" in Eine, volgens de eigenares van 1913, en de indrukwekkende villa "Het Kasteeltje" in Heurne, dat in 1901 in opdracht van burgemeester H.J. Landrieu in neogotische en eclectische stijl werd opgetrokken door architect Jozef Bosschaert en dat een mooi interieur bewaart.

Een afgelegen villa in neogotische stijl treft men aan in Leupegem, Vlaamse Ardennendreef nummer 37-39.

Er werden ook enkele regionalistische villa's uit de eerste helft van de 20ste eeuw opgemerkt.

Tijdens het interbellum werden een aantal villa's, naar verluidt door de Oudenaardse architect Gilbert Decordier, in zakelijke baksteenarchitectuur en in art-deco getinte stijl opgetrokken: in Edelare, Lucien Vandefonteynelaan nummer 21-23, in Mater, Kerkgate nummer 63 en in Nederename, Oudstrijdersstraat nummer 38. Verder vindt men een aantal bescheiden laat-19de- en begin-20ste-eeuwse villa's in de Heurnestraat te Eine.

De belangrijkste component van het ruraal patrimonium van het geïnventariseerde gebied wordt gevormd door de hoevebouw, bepaald door volgende hoevetypes: het semigesloten type, samengesteld uit losse bestanddelen in U-vorm en het gesloten type, hetzij als zodanig opgetrokken, hetzij een in oorsprong semigesloten hoeve die in de loop van de 19de eeuw werd dichtgebouwd. Het semigesloten hoevetype komt het vaakst voor, met een opmerkelijke concentratie in Mater. De kleine boerderijtjes zijn van het langgestrekte type of hebben één bijhorend dienstgebouw. Naast het boerenhuis van de grote hoeve treft men verder ook het alleenstaande kleine boerenhuisje van één bouwlaag met gewitte erfgevel op gepikte plint. Een variant is het boerenarbeidershuisje dat twee aan twee is gekoppeld tot een tweegezinswoning, met tegen de zijgevels aangebouwde kleine dienstruimten onder een doorlopend dak of aansluitend lessenaarsdak.

Verscheidene hoeven waren eertijds tezelfdertijd ook herberg.

Verspreid in het gebied liggen een aantal historisch belangrijke hoeven die aanvankelijk afhankelijk waren van een abdij, het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal van Oudenaarde of een machtige heer, of die zetel waren van een heerlijkheid of een leengoed. In oorsprong opklimmend tot de late middeleeuwen, werden deze meestal beschermd door omgrachtingen en/of ingeplant op een motte, uit defensief oogpunt en als veruiterlijking van de macht en welstand van de heer. Sommige hoeven zijn nog onder hun oorspronkelijke middeleeuwse benaming gekend. Ze werden meestal verwoest in de oorlogen van de 16de en 17de eeuw, zodat de huidige hoevegebouwen in traditionele baksteen hoogstens opklimmen tot de 17de eeuw, bijvoorbeeld "Hof ten Toren" in Heurne waar op de plaats van een 11de-eeuwse woontoren een 17de-eeuwse toren met hardstenen hoekkettingen staat. Historische kaarten tonen aan dat zowel de circulaire als de recht- en meerhoekige grachtvorm voorkwamen. Thans resten nog hoeven met omgrachtingen die in sommige gevallen gedeeltelijk gedempt zijn. Illustratief hiervoor zijn: het "Hof ter Rydt" in Melden, het "Hof ter Bellebroek" in Nederename en hoeven in Welden. Naast enkelvoudig omwalde hoeven tellen we een aantal meervoudig omwalde sites, de belangrijkste landbouwuitbatingen met een opper- en neerhof. Op verscheidene omgrachte sites stond vroeger een heerlijk kasteel. Dit was onder meer het geval op de nog herkenbare motte bij het voormalig neerhof "Hof de Bruwaan" in Bevere. Zeldzame voorbeelden van alleenstaande poortgebouwen zijn nog aanwezig aan het reeds vermelde "Hof ten Toren" in Heurne en het "Hof ter Bellebroek" in Nederename. Eertijds belangrijke hoeven bezaten het voorrecht van het houden van duiven. Duiventorens werden doorgaans voor de 18de eeuw gebouwd. In het geïnventariseerde gebied zijn de enkele duiventorens echter recenter.

Het gebruik van duurzame baksteen raakte voor de hoevebouw stilaan in gebruik vanaf het einde van de 16de eeuw en werd vermoedelijk vanaf de tweede helft van de 18de eeuw veralgemeend. Naast een aantal 19de- en begin-20ste-eeuwse hoeven is het grootste deel van de hier besproken hoeven 18de-eeuws en aldus te lokaliseren op de "kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden", opgemaakt door graaf de Ferraris in de periode van 1771-1778. Hier en daar zijn nog fragmentarische overblijfselen van de vroeger gebruikelijke hout- en-leembouw te vinden als resten van stijl- en regelwerk in voorts versteende gevels.

De meeste hoeven worden volgens het traditioneel gebruik gekenmerkt door een met haag en/of gracht afgesloten erf, toegankelijk via een ijzeren hek aan bakstenen pijlers, eventueel naar oud gebruik geflankeerd door één of twee linden. Bij de opbouw met losse bestanddelen zijn de bedrijfsgebouwen ofwel in L- of in U-vorm met het woonhuis opgesteld. Het bakhuis, thans meestal gebruikt als berging, staat wegens brandgevaar meestal verderop, in een hoek van het erf of naast het toegangshek.

Het boerenhuis van de grote hoeve staat doorgaans ten noorden op een gekasseid of begraasd erf; aldus werd niet afgeweken van de oude gewoonte om de voorgevel van de woning te richten naar het zuiden of zuidoosten, meestal ook de straatzijde. Het vertoont een rechthoekige plattegrond, is opgetrokken uit baksteen, telt één bouwlaag onder pannen zadeldak (soms met een klokkenstoeltje) en heeft een gewitte erfgevel met bakstenen tandlijst op gepikte plint. Een opmerkelijk fraaie boerenhuisgevel treft men in Welden, Mgr. Lambrechtstraat nummer 8. Verschillende boerenhuizen dragen een klokkenstoeltje. Uitzonderlijk rest nog een boerenhuis met strodekking, zoals in Heurne, Ooikestraat nummer 3 en in Ooike, " 't Rietenhuis", Kelderstraat nummer 9. Een courant versieringselement van de boerenhuisgevel is de geaccentueerde voordeuropening door een uitspringende, vaak steekboogvormige omlijsting, met oren en/of neuten, van gesinterde bakstenen in een kleiner formaat.

Het 18de-eeuwse lage venstertype met houten kruiskozijnen en kleine roedeverdeling komt in het bestudeerde gebied niet meer voor; het werd vanaf de 19de eeuw vervangen door het hoge rechthoekige of (licht) getoogde venster, met persiennes of luiken. Een voorbeeld van een behouden houten bolkozijn vinden we in Mater.

Een kenmerk dat de 18de-eeuwse of oudere oorsprong van het boerenhuis aantoont is de afwerking van de zijpuntgevels met aandaken en vlechtingen.

De meeste boerenwoningen bewaren nog een oude gewelfde kelder.

Een aantal van de bezochte boerenwoningen hebben nog elementen van een authentiek karakter door het behoud van de keukenwoonkamer, in zeldzame gevallen met bewaarde rode of zwarte tegelvloer (met al of dan niet bewaard tochtportaal dat in de loop van de 20ste eeuw gewoonlijk werd versteend), waarop de andere kamers met een deur uitgeven. Kenmerkend is de houten balklaag op de moerbalken met hun vaak sculpturaal versierde uiteinden en gedifferentieerde versieringsmotieven, soms voorzien van een ingegrift jaartal. Heel eigen aan het boerenhuisinterieur is ook de vroegere brede haard, met schouwmantel gedragen door bakstenen wangen en een eiken schouwbalk met bordenlijst en eventueel ingemaakte wandkast, thans aangepast voor het gebruik van een kachel of fornuis. In Mater treft men volgende uitzonderlijk mooi bewaarde elementen aan: een 18de-eeuwse ingemetste houten kast en horlogekast in de voormalige molenaarswoning, Karel Martelstraat nummer 16 en in het "Hof te Meerhem", Meerhem nummer 20. Sommige hoeven bewaren een "beste kamer" met stucdecoratie, zoals de "Sint-Martinushoeve", Meldenstraat nummer 1 in Melden en de voormalige abdijhoeve "Hof te Reyt" in Nederename. Op de centrale woonkamer geven de gekoppelde deurtjes uit naar de kelder of zolder, opkamer en slaapkamer en de veelal later tegen de achtergevel aangebouwde keuken. Het opkamertje met hoger geplaatste venstertjes in de zij- of achtergevel bevindt zich meestal in de noordelijke of noordoostelijke hoektravee van het woonhuis boven een kelder.

De boerenwoningen werden in de 19de eeuw veelal verhoogd met een halve verdieping, met al dan niet alternerend blinde lunetten of afgeronde vensters. Kenmerkend voor het boerenhuis uit de tweede helft van de 19de eeuw is de meestal onbehandelde bakstenen gevel van één of anderhalve bouwlaag met hoge rechthoekige of getoogde vensters, afgeronde bovenvensters of lunetten en eventueel de hoge deuromlijsting in gesinterde baksteen met oren en/of neuten. Voorbeelden in Mater (Varent nummer 4), in Melden ("Opsomerhoeve", Berchemweg nummer 301) en in Mullem. Uitzonderlijk is het imposante boerenhuis van twee bouwlagen in Mater, Zwadderkotstraat nummer 1. Als voorbeeld van een versierd bovenlicht kan worden verwezen naar het "Hof Ketele" in Ooike.

De belangrijkste bedrijfsgebouwen omvatten de schuur, de stallen, het wagenhuis en het bakhuisje. Middenin of in een hoek van het erf treft men de mestvaalt, thans veelal opgevuld. De meeste geïnventariseerde bedrijfsgebouwen dateren uit de 19de eeuw, een aantal gaan echter terug tot de 18de eeuw. Evenals het boerenhuis waren zij onderhevig aan verbouwingswerken en aan het versteningsproces. Als schuurtype komt de dwarsschuur voor, met centrale veelal korfboogvormige poort of doorrit. In slechts twee gevallen komen twee aansluitende langsschuren voor, namelijk in Heurne, Axelwalle nummer 12 en in de Heurnestraat nummer 214. Sommige oude dwarsschuren bewaren een eiken gebint en sporen van hout-, vak- en leembouw.

Voorbeelden zijn voorhanden in Mater (Ronsen Heerweg nummer 1/Sleegstraat), in Melden (Heilbroek nummer 45 en Pladutse nummer 1), in Nederename (een mogelijk 17de-eeuwse schuur in "Hof ter Bellebroek") en in Welden, Ronsen Heerweg nummer 33. De stallen, aangepast aan veesoort, zijn hetzij in een aparte vleugel, hetzij samen met de schuur in één gebouw ondergebracht. In de straatgevel van verscheidene schuren treft men geregeld een nis met beeldje van de Heilige Antonius of Onze-Lieve-Vrouw. In een aantal hoeven treft men een wagenhuis met open inrijpoorten. "Hof ter Linden" in Bevere bewaart een merkwaardig exemplaar met strobedekking en gevlochten strowanden. Het bakhuis, nagenoeg steeds van het tweeledige type met afzonderlijke zadeldakjes, is opgetrokken uit baksteen en al of niet gewit. In een uitzonderlijk geval werd de bakoven middenin het woonhuis geïncorporeerd, met aan de voorgevel een uitspringende oven. Van de vroeger veel voorkomende waterputten in het bestudeerde gebied, resteren er nog een aantal in gesloten overdekking met zadeldak, gelegen vlakbij of tegen de voor- of achtergevel van het boerenhuis. Van de gerepertorieerde hoeven zijn nog een aantal van de grotere hoeven in uitbating. In functie van de huidige noden en normen zijn de bedrijfsgebouwen gemoderniseerd en ziet men vaak nieuwbouw zoals loodsen.

Industrieel erfgoed

Oudenaarde, gelegen aan een knooppunt van spoorwegen, telt nog enkele stations die kunnen gerekend worden tot het historisch patrimonium van de spoorwegarchitectuur. Het bak- en hardstenen stedelijk reizigersstation van 1891-93 werd volgens plannen van spoorwegarchitect Henri Fouquet uitgevoerd in neo-Vlaamse-renaissancestijl. De indeling beantwoordt aan het gebruikelijke bouwprogramma voor dit stationstype uit de tweede helft van de 19de eeuw. Zowel de gevels als het interieur geven blijk van zorg voor architecturale uitwerking en zin voor detailafwerking. De centrale inkom is uitgebouwd tot een markante toren die functioneert als blikvanger. De bijhorende watertoren aan de Jozef Braetstraat te Bevere vertegenwoordigt een type dat slechts zelden meer voorkomt. Hij behoort tot de kenmerkende watertorens die in de jaren 1920-1940 in opdracht van de staatsspoorwegen werden gebouwd.

De landelijke stations van Eine en Leupegem verloren hun functie. Beide stationsgebouwen vertonen de gangbare langgerekte aanleg waarbij slechts het gedeelte waarin de stationschef gehuisvest was een bovenverdieping bezit. Het station aan de Sompelstraat nummer 39 te Leupegem dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw.

Het jongere station van Eine is minder strak van vormgeving.

In de heuvelachtige Oudenaardse regio zijn de landschapskenmerken gunstig voor de aanwending van waterenergie. Er komen nog meerdere watermolens voor. Deze molensites worden al in 16de-eeuwse bronnen vermeld, de Mullemse watermolen naast de Westerring en de Nonnenmolen van Leupegem zelfs al in de 13de eeuw. De uitzonderlijke benaming van laatstgenoemde molen verwijst wellicht naar de vroegere eigenaar, de abdij van Maagdendale te Oudenaarde. De herhaalde aanpassingen van deze watermolens omvatten in de regel rond de laatste eeuwwisseling de plaatsing van een stoommachine. Van deze technische innovatie bleven na opheffing of vervanging van deze drijfkracht doorgaans weinig relevante sporen over. Zowel de Nonnenmolen van Leupegem als de Toysschemolen te Mater zijn als gebouw geïntegreerd in een hoevecomplex palend aan een beek. De Nonnenmolen is van een uiterst zeldzaam type als gecombineerde onderslag- en bovenslagmolen en wegens het indrukwekkende raderwerksysteem. De Toysschemolen, die van een gave landschappelijke omgeving met spaarvijver geniet, kan met zijn goed uitgeruste maaltechnische installatie als mooi typevoorbeeld gelden van de bovenslagmolen. De Materse Zwadderkotmolen is interessant wegens de zeer compacte opstelling van de maalinstallatie op een hel met uitzonderlijke vierkante vorm. De Nedermolen naast het Molenhof te Melden verloor zijn technische uitrusting haast volledig.

Van de windmolens, die ook in deze streek van Oost-Vlaanderen vrij talrijk voorkwamen, bleven slechts één houten en één stenen exemplaar bewaard. De Tissenhovemolen te Mater, uit het laatste kwart van de 18de eeuw, hoort tot het staakmolentype. Door zijn ligging midden een open kouterlandschap vormt hij een schaarse illustratie van een indrukwekkende oorspronkelijke windmolensite. De Bekemolen van 1903 bij de oude watermolensite te Mullem is een laat voorbeeld van een ronde stenen stellingmolen met een ijzeren galerij.

Een mechanische maalderij met goed bewaarde maalinrichting komt nog voor te Mater. Het gaat om een typisch kleinschalig agrarisch bedrijf dat de activiteit van een windmolen verder zette.

De faam van Oudenaarde als bierstad houdt verband met zijn eeuwenoud brouwerijbedrijf, een traditie die thans nog door een viertal brouwerijen in ere wordt gehouden. Daarvan is er slechts één meer binnen de stadskern gevestigd, namelijk het vernieuwde bedrijf Clarysse dat zijn oude locatie behield. De brouwerij Liefmans die evenals de brouwerij Clarysse zeker nog in oorsprong teruggaat tot de 17de eeuw, verdween uit de stadskern en werd tussen beide wereldoorlogen in een nieuw bedrijf te Edelare naast de Schelde (Aalstbaan nummer 200) ondergebracht. De brouwinstallatie is er niet meer in gebruik maar is doelbewust behouden als één van de bezienswaardigheden.

Te Mater vierde de brouwerij Roman vorig jaar haar 450-jarig bestaan. Ontstaan uit een traditionele nevenactiviteit bij een boerenbedrijf met afspanning volgde dit familiebedrijf de evolutie binnen de brouwnijverheid. Zo werd er in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw op stoomkracht overgeschakeld. In de overgangsjaren 1920-1930 leidde de vernieuwing en uitbreiding van de brouwerij tot een enorme schaalvergroting van het bedrijf. Met behulp van "huisarchitect" Albert Peynsaert, die in dezelfde bouwtrant aan het nabijgelegen brouwershuis vorm gaf, kwam een verzorgde bedrijfsarchitectuur tot stand die het stempel draagt van de interbellumperiode. Het met museologische zorg onderhouden machinepark uit de jaren 1930 in de oude energiezaal evenals de bijhorende stoomketel kunnen gerekend worden tot het historisch bedrijfstechnologisch erfgoed.

De Oudenaardse textielindustrie is gestoeld op een oude traditie die wortelt in de middeleeuwen. Zijn wereldvermaarde tapijtindustrie die sinds de 15de eeuw haar opgang kende, was eind 18de eeuw volledig teloor gegaan. Sinds de tweede helft van de 19de eeuw verdween het ambachtelijke huisspinnen en -weven door de groei van de gemechaniseerde textielindustrie. Eén van de textielbedrijven die zich binnen het stadslandschap in omvang en als architectuurvorm nog sterk profileert, is de voormalige spinnerij (1909-1911) met weverij en ververij (1922) van Gevaert. Het geheel verwierf een multifunctionele herbestemming. Het meest opmerkelijke gebouw van dit bedrijfscomplex is het drie verdiepingen tellende spinnerijgebouw met plat dak en karakteristieke vierkante hoektoren, dat als fabriekstype volledig aansluit bij het Manchestertype. Een tweede textielfabriek die tot een zeer ruim industriecomplex uitgroeide, is in dezelfde buurt gelegen. De aanvankelijke weverij en ververij "Saffre Frères" aan de Dijkstraat, van omstreeks 1900, kende een opgang die zich weerspiegelde in een voortdurende uitbreiding van het gebouwenbestand tot aan de Tweede Wereldoorlog.

Van de vele kleinere textielbedrijven die in sommige randgemeenten tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw voor tewerkstelling zorgden, zijn er niet veel overgebleven. De oprichters van een deels bewaarde katoenfabriek te Nederename, waren tevens later bouwheer van een lange rij arbeidershuizen in seriebouw die overeenkomstig de bouwperiode - 1924 - aanvankelijk een voortuintje bezaten. In Eine kwamen meerdere reeksen eenvoudige arbeiderswoningen in seriebouw tot stand voor de huisvesting van de werkkrachten uit verschillende textielbedrijfjes (zie Fabriekstraat, Graaf van Landaststraat en Sint-Elooistraat). De weinige voorbeelden van arbeidershuisvesting in beluikvorm zijn vrij late realisaties van dergelijke woningbouw. Zowel de huizen van Baarzak in het stadscentrum als de langere huisjesrij van de steeg aan Zwijndries te Ename, vormen een eenzijdig bebouwd beluik uit het begin van de 20ste eeuw.

De laatste decennia vestigen nieuwe bedrijven en nijverheden zich thans gescheiden van woongebieden en geconcentreerd in industriezones. Terreinen met dergelijke bestemming zijn met het oog op het goederentransport dikwijls nabij belangrijke verkeersaders gelegen. Aan weerszij van de Westerring, in het grensgebied van de deelgemeenten Eine en Bevere, zijn de grootste industrieparken van Oudenaarde gelegen. De moderne industrialisatie veroorzaakt tevens de verdere inkrimping van het landelijk gebied in het besproken deel van de Scheldestreek.


Bron     : Bogaert C., Lanclus K., Tack A. & Verbeeck M. 1996: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Oudenaarde, Stad Oudenaarde met fusiegemeenten, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 15N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Bogaert, Chris, Lanclus, Kathleen, Tack, Anja, Verbeeck, Mieke
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Oudenaarde [online] https://id.erfgoed.net/themas/13338 (Geraadpleegd op )