Historische stadskern van Diest

inventaris archeologisch erfgoed \ archeologische zone

Locatie

Alternatieve naam Diest
Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Diest
Deelgemeente Diest
Straat
Locatie Diest (Diest)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • AZ-project historische stadskernen (bureauonderzoek, inventarisatie: 2010 - 2014).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als archeologische zone Historische stadskern van Diest

Deze vaststelling is geldig sinds 19-02-2016.

Beknopte karakterisering

Tags Vastgesteld

Beschrijving

Algemene Beschrijving

De historische kern van Diest is gelegen in de alluviale vlakte van de Demervallei op de overgang van de Zuiderkempen naar het Hageland. De Zuiderkempen kenmerkt zich als een vlak, zandig gebied en het zandlemig Hageland als heuvelland. De huidige Demer vloeit op dit ogenblik ten noorden van de stad, maar de oorspronkelijke Oude Demer komt vanuit het oosten de stad binnen om later langs het westen de stad te verlaten. Deze Oude Demer liep door de binnenstad en werd, wegens reukhinder, overdekt eind jaren zestig van vorige eeuw. Vanaf 2009 werd een project opgestart om de Oude Demerloop terug open te leggen. In 2014 was het deel tussen de Kaai en de Ezeldijkmolen afgewerkt. Uitgezonderd een natuurlijke ovale getuigenheuvel van ijzerzandsteen met een doormeter van 250 m waarop de Warande (TAW 47 m) is gesitueerd, ligt de stad op een hoogte tussen 21,50 m en 24,50 m TAW. Op het gewestplan staat een groot deel van de historische stadskern ingekleurd als woongebied, met culturele, historische en/of esthetische waarde. Daarrond bevinden zich woongebieden en in het oosten gebieden voor dagrecreatie en parkgebieden. In het centrum is de hoogte van de Warande ingekleurd als parkgebied net als een gebied dat aan de noordelijke en noordoostelijke zijde van de stad ligt. In het noorden ligt nog een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut en in het westen een militair gebied.

Archeologische nota

Van het pre-middeleeuwse Diest werd binnen de historische stadskern tot nu weinig aangetroffen. Buiten een silexkling uit de steentijd en enkele ijzertijdscherven op de Warande (Roosens 1983) werd in vorige eeuw een hypocaustumtegel uit de Romeinse periode gevonden in de Sint-Sulpitiuskerk (Van der Linden 1964; Van de Ven 1970). In 2001 vond men tijdens de heraanleg van de riolering aan de Veemarkt enkele Romeinse munten (tweede helft 1ste tot de 4de eeuw) en scherven van een terra nigra beker uit de 3de eeuw (Wijns 2003). Op diezelfde Veemarkt werden tijdens een prospectie met ingreep in de bodem in 2011 lagen aangesneden die zeker ouder zijn dan de 15de-17de eeuw. Wegens gebrek aan vondsten konden deze lagen niet gedateerd worden (Cornelis e.a. 2011a). Een opgraving aan het bogaardenklooster in 2011 leverde twee klingen uit de steentijd op (Trommelmans e.a. 2011). Nochtans zijn er in de omgeving van Diest op de Hagelandse heuvels en in de valleien van de Demer en de Zwartebeek, vooral op de hoger gelegen donken, verspreid talrijke archeologische vondsten uit de steen-, brons- en ijzertijd en de Romeinse periode gekend (Vynckier 1981).

De oudste kern van Diest zou ontstaan zijn op een iets hoger gelegen deel van de zuidelijke oever van de Demer rond de voorganger van de Sint-Sulpitiuskerk. Dit patroniem zou zijn oorsprong vinden bij, ofwel een bisschop van Maastricht +480, ofwel een bisschop Sulpitius de Vrome van Bourges, +647. De oudste vermelding van de kerk vinden we terug in 1163, toen Arnold II, de toenmalige heer van Diest, het geestelijk bestuur over zijn gebied aan de norbertijnenabdij van Tongerlo schonk (Van Der Eycken 1980). Later groeide deze kleine nederzetting geleidelijk aan uit tot de kern van een Karolingische pagus. De oudste vermelding van de nederzetting dateert uit 837 toen Assent, gelegen in de pago Hasbaniensi sive Dyostiensi, aan de abdij van Sint-Truiden werd geschonken en het gebied door een graaf (in 900 wordt Angilramnus in Dioste vermeld) werd bestuurd (Van der Eycken & Janssens 1994). In 1088 wordt voor het eerst in een kroniek van de abdij van Sint-Truiden een zekere Otto van Diest of Otto van Beveren vermeld die verbleef in zijn burcht op de hoger gelegen getuigenheuvel, de latere Warande. Deze Warande was één van de eerste burchten in de regio gelegen op een heuvel (Doperé & Ubregts 1991). Ze bestond uit een cirkelvormig omgrachte motteheuvel, Het Tafelrond, met ingebouwde donjon en bijhorende voorhof, op het hoogste punt van de Warande. Tijdens een tuinaanleg in de 19de eeuw werden de funderingen teruggevonden van de vierkante donjon (Callebaut 1982). Later werden er meerdere opgravingscampagnes uitgevoerd. De eerste vond plaats in 1959 (Mertens 1959). In totaal waren er vier campagnes tussen 1981 en 1984 (Roosens 1981-1985). Op het voorhof werden sporen aangetroffen van een houten gebouw. In de 13de eeuw werd de motte verlaten en werd op het neerhof een nieuwe, grotere burcht gebouwd, met een zaalgebouw en kapel en torens in ijzerzandsteen. Nadat Diest in 1499 in handen kwam van het geslacht Oranje-Nassau werd de toen bouwvallige burcht gesloopt en het domein vergroot. De Warande deed dan dienst als jachtterrein en aan de zuidwestrand van de Warande werd een nieuwe residentie gebouwd, het Hof van Nassau, dat nog steeds de Graanmarkt domineert.

Het pre-stedelijke Diest concentreerde zich vanaf de 11de eeuw rond de huidige Grote Markt met als kern de primitieve Sint-Sulpitiuskerk. Waarschijnlijk was deze eerste kern door een bescheiden aarden wal en gracht omgeven (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). In de 12de eeuw groeide de stad gestadig en kwam er een stadsvergroting langsheen de bestaande kern zodat de wegen naar het gehucht Beveren en Leuven binnen de kern kwamen te liggen. Ook het gebied tussen de oude kern en de Warande werd verbonden. Deze nieuwe gebieden waren versterkt met aarden wallen en natte en droge grachten (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). Omdat Diest zo snel groeide kwamen in de laatste decennia van de 12de en de 13de eeuw veel nieuwe wijken buiten deze versterking te liggen. In 1211 is er te Diest sprake van een capella, die later zou uitgroeien tot de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Deze kapel was gelegen aan de noordelijke voet van de Warande en deed dienst als slotkapel. Diest groeide verder op de noordelijke Demeroever en kreeg uiteindelijk een vrijheidscharter in 1229 van Hendrik I, hertog van Brabant. Onder Arnold IV breidde de stad zich verder uit. Hij gaf aan de abdij van Tongerlo de toestemming om een nieuwe parochie op te richten. De bouw van de Sint-Jan-de-Doperkerk werd opgestart. In 1253 kreeg ook de Onze-Lieve-Vrouwekapel de status van parochiekerk zodat er nu drie parochies in de stad waren (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994).

De voortdurende groei van de stad en deze buitenwijken verplichtte Hendrik, de toenmalige heer van Diest, in de 14de eeuw om een nieuwe vestigingsgordel op te richten. De nieuwe verdedigingsgordel telde tien stadspoorten, waaronder vijf grote: de Beverenpoort (richting Hasselt-Maastricht), de Putterstraatpoort (richting Leuven en Aarschot), de Allerheiligenpoort (richting Zichem), de Schaluinpoort (richting Antwerpen en Kempen) en de Schaffensepoort (richting Kempen). De kleinere poorten gaven toegang tot de omliggende velden: de Visserstraatpoort, de Broekpoort, de Koepoort, de Schotpoort en de Wijvenpoort. De wallen, grotendeels van aarde, waren versterkt met een dertigtal ijzerzandstenen torens die alle een eigen naam hadden. Tussen enkele torens werden stenen vestingmuren gebouwd en op sommige plaatsen werden de grachten gevoed door water uit de Demer en de omliggende beken. Andere grachten bleven droog. De stadswallen werden door Hendrik III van Nassau, heer van Diest in 1508 verbeterd en verbreed. Op sommige wallen werden muren gebouwd en de stadspoorten werden verder versterkt met bolwerken. De vijf kleinere stadspoorten werden in deze periode dichtgemetseld (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). De woelige periode van belegering en bezetting van de stad in de 16de eeuw en de talrijke oorlogen in de 17de eeuw vergden een permanent onderhoud van de stadswallen. Na de inname van Diest door Franse troepen in 1705 werd opdracht gegeven om de wallen te slopen. Dit gebeurde echter pas grotendeels tijdens de Oostenrijkse bezetting in 1788 en werd verdergezet na het einde van het ancien régime toen de Fransen in 1794 opnieuw de stad veroverden. Het verloop van deze wallen blijft tot op heden bewaard in de ruimtelijke structuur van de huidige stad. De oude stadswallen van Diest werden vanaf 1837 volledig opgeruimd en vervangen door een eigentijdse, indrukwekkend vestingwerk bestaande uit het fort Leopold en de Citadel.

Tijdens de 13de en 14de eeuw kende Diest een aanzienlijke bevolkingsaangroei, met een hoogtepunt rond het midden van de 15de eeuw. Door de daaropvolgende crisis in de textielnijverheid op het einde van de 15de eeuw en de talrijke oorlogsomstandigheden kende de stad een economische achteruitgang die zich in de 16de eeuw voor korte tijd stabiliseerde om uiteindelijk te leiden, na talrijke turbulente, militaire gebeurtenissen en meerdere epidemieën, tot een ware exodus. In de daaropvolgende eeuwen gaat het bevolkingsaantal op en af om uiteindelijk gestaag te stijgen vanaf het einde van de 18de eeuw (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994).

De centraal gelegen Grote Markt was voor Diest van bij het ontstaan de kern van het economisch en sociaal leven en een verzamelpunt voor de gilden en de ambachten. De markt werd in 1365 al gekasseid. Oorspronkelijk was de markt kleiner, maar hij werd begin 16de eeuw uitgebreid na de sloop van enkele woningen. Dit plein was in kleinere markten onderverdeeld zoals de Pottenmarkt, de Botermarkt, de Linnenmarkt, de Groentemarkt, …. Het aan de markt gelegen stadhuis bestond eerst uit drie gebouwen: het middelste gebouw is het schepen- of stadhuis dat al in de 14de eeuw bestond en waarvan de gotische kelders bewaard zijn onder het huidige stadhuis (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). Daarnaast stonden de Hofstad dat in 1395 werd geïncorporeerd en de Oord, een gebouw dat daarvoor de stedelijke wijnkelder bevatte. Verder bevonden zich rond de markt nog het Vleeshuis, het Penshuis, de Waag (waar goederen per gewicht werden verkocht), de Lakenhalle (1260) die later in 1346 werd vergroot en verplaatst naar zijn huidige standplaats, het Vederhuis, het Vlashuis (bleven beiden bestaan tot de 16de eeuw), het Broodhuis en het Wolhuis. In de omgeving van de markt lagen kleinere pleinen die ook een marktfunctie hadden: de Vismarkt langs de Demer, de IJzermarkt, de Paardenmarkt, de Varkensmarkt, de Graanmarkt, de Veemarkt, …. De Kaai, vlak achter het stadhuis gelegen, was het centrum van het scheepstransport langs de Demer (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). Al vanaf de 13de eeuw bevond zich hier de schipbrug tussen de Zout- en de Demerstraat. Via deze brug werden stortgoederen in de schepen geladen (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). Op de Veemarkt voerde men in 2011 een prospectie met ingreep in de bodem uit. Dit onderzoek leverde geen duidelijke marktniveaus op en de ingezamelde archeologische vondsten waren niet ouder dan de 15de-17de eeuw (Cornelis e.a. 2011a). Ten westen van de Kaai (De Bleek) werd in 1999 opgegraven op een stuk weiland langsheen de Demer naar aanleiding van de bouw van een appartementencomplex. Hier lagen restanten van twee straten (1350-1500) waarlangs een ambachtelijk kwartier lag. Men trof ook restanten aan van een annex van het 17de-eeuwse huis ‘De Bleeck’ (Vanbrabant & Hommelen 2001). In het middeleeuwse Diest waren de meeste woningen en gebouwen opgebouwd in hout en leem en werden ze afgedekt met een strooien dak. Na enkele branden in de 16de eeuw werd door de stad een premie gegeven voor een harde dakbedekking (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994).

Diest had binnen zijn muren een aantal watermolens (Van Der Eycken 1975) waarvan de belangrijkste de Ezeldijkmolen op de oude Demer was. De oudste vermelding ervan dateert van 1334 maar de huidige nog bestaande molen werd gebouwd door de prinsen van Oranje-Nassau in 1553 en is tot op heden een belangrijk beschermd monument in de stad. De andere watermolens binnen de stad waren de Binnenmolen of Grachtmolen gelegen bij het Minderbroederklooster, de Volmolen aan de oude Demer ten oosten van de Ezeldijkmolen en de Nedermolen gelegen aan de voet van de Warande.

Diest ressorteerde in het begin kerkelijk onder het patronaatschap van de abdij van Sint-Truiden. Na menig conflict tussen de abdij en de heren van Diest, schonk Arnold II, heer van Diest, in 1163 het geestelijk bestuur van de stad aan de norbertijnenabdij van Tongerlo. Op de plaats van de huidige Sint-Sulpitius werd een primitief gebedshuis in de 11de of 12de eeuw vervangen door een romaanse kerk. Die kerk maakte op zijn beurt plaats voor een gotisch exemplaar, waarvan de bouw begon in 1305. Dit gebeurde in meerdere campagnes die duurden tot 1533 (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). De kapel toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw wordt voor het eerst vermeld in 1211. Ze was gelegen aan de voet van de Warande en in 1253 werd al begonnen met de bouw van een grotere Onze-Lieve-Vrouwekerk waarvan de bouw zeker doorliep tot in de 14de eeuw. Deze kerk was tijdens de middeleeuwen tevens een ontmoetingsplaats voor pelgrims. Na een zware beschadiging door de Geuzen op het einde van de 16de eeuw stortte de toren in en werd het dak en het gewelf zwaar beschadigd. De restauratie en wederopbouw van de kerk duurde tot in 1608 toen men de torenklok terug in de toren kon plaatsen (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). De derde kerk was de Sint-Jan-de-Doperkerk, gebouwd op een terrein dat pas deel uitmaakte van de stad in 1253. Wanneer met de bouw begonnen werd is niet zeker. Wel was er al in 1271 een pastoor aanwezig. In 1297 werd ze verheven tot kapittelkerk. De kerk werd door de troepen van Willem van Oranje in 1578 vernield en werd pas in de 17de eeuw heropgebouwd. De toestand van de deels heropgerichte kerk verslechterde in de loop van de 18de eeuw totdat ze uiteindelijk in 1853 instortte. De kerk werd nooit meer hersteld en bleef als ruïne bewaard. Verder waren er verspreid over de stad talrijke kapellen opgericht (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994).

Diest telde meerdere kloosters binnen de stadsmuren. De minderbroeders vestigden zich er als eerste kloosterlingen in 1228-1230 en bouwden hun klooster in de schaduw van de Sint-Sulpitiuskerk. Hun kerk fungeerde vanaf 1296 als grafkerk van de heren van Diest. In de 15de eeuw breidde het klooster uit en nadat het klooster geplunderd werd tijdens de godsdienstoorlogen in de 16de eeuw en terug opgebouwd werd op het einde van diezelfde eeuw raakte het klooster definitief in onbruik in 1796. De latere eigenaar brak het complex af (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). In 2003 werden naar aanleiding van de herinrichting van een park door de stad Diest opgravingen uitgevoerd. De oudste sporen dateerden van de 14de eeuw en er werden drie bouwfasen vastgesteld. Tijdens de opgraving werden resten aangetroffen van de pandgang, de westelijke en noordelijke vleugel van het klooster, resten van stenen vloeren en begravingen (Wouters 2004). Het klooster van de cisterciënzerinnen van Sint-Bernardsdal bevond zich eerst buiten de stad tegen de helling van de Kloosterberg. Na de schade door oorlogen en plunderingen en een kort verblijf van de zusters in Leuven kwamen ze terug naar Diest waar ze binnen de stadsmuren hun intrek namen in een woning in de Hasseltsestraat. Na de afschaffing van het klooster door de Fransen kregen de abdijgebouwen een functie als arsenaal en regimentsschool (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). Op deze site werd in 2011 een vooronderzoek verricht waarbij talrijke muren werden aangesneden die mogelijk behoren tot een latere fase van het klooster vanaf de 17de eeuw en/of tot de kazernefase. Het ingezamelde vondstenmateriaal dateert uit de 15de, 16de en 20ste eeuw (Cornelis e.a. 2011b). De bogaarden stichtten in de 13de eeuw een klooster in de stad en bouwden een eigen kapel. Na de vernieling van het klooster in de 16de eeuw en hun vlucht naar Zoutleeuw kwamen ze eind 16de eeuw terug naar Diest. Het klooster werd ook opgeheven tijdens de Franse bezetting. De gebouwen kregen daarna verschillende bestemmingen, van katoenspinnerij tot sigarenfabriek (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). In 2008 werden op deze site proefsleuven getrokken die meerdere funderingsresten van het klooster opleverden (Vermeersch e.a. 2008). Na dit vooronderzoek werden in 2009 (Acke & Trommelmans 2009) en 2011 (Trommelmans e.a. 2011) archeologische opgravingen uitgevoerd die naast bijkomende resten van meerdere fasen van het klooster ook resten van de kapel, bijhorende begravingen en de bebouwing rondom het klooster opleverden. Ook de plaats van de tuin van het klooster kon door dit onderzoek worden bepaald. De alexianen of cellebroeders vestigden zich in Diest in 1375 en bouwden geleidelijk aan een gesloten complex in de huidige Koning Albertlaan en ze richtten er een eigen kapel op. Ze bleven vooral actief in de ziekenzorg. In de 18de eeuw werd het klooster grotendeels vernieuwd en hoewel het door de Fransen werd opgeheven mochten de broeders kort daarna opnieuw beschikken over hun gebouwen. Later verhuisden ze naar het Mariëndaalklooster waar ze tot het midden van de 20ste eeuw patiënten verzorgden. De cel- of grauwzusters kwamen een jaar later dan de alexianen aan in Diest en betrokken een huis in de nabijheid van het begijnhof. Het oorspronkelijke klooster (Sint-Annendaal) werd vergroot in de 15de eeuw. Het klooster leed erg onder de bezetting van de Geuzen en de zusters verlieten de stad. Na een nieuwe bloei in de 17de eeuw werd het klooster uiteindelijk na de Franse Revolutie afgeschaft. In 1807 kochten de zusters het klooster terug en zetten ze zich in, tot op de dag vandaag, in de gezondheidszorg en specifiek voor de geesteszieken. Mariëndaal was een klooster voor reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus. Na een schenking betrokken ze een huis (1419) dat later uitgroeide tot een volwaardig klooster. Ook zij werden door de Fransen verdreven en het klooster kwam midden 19de eeuw in handen van de alexianen (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). Naast de Warande werd door de stad in 1470 een ziekenhuis/pesthuis opgericht dat later overgedragen werd aan de zwartzusters. Deze verlieten de stad in 1528 waardoor het pesthuis werd bediend door de celzusters en de alexianen. De augustijnen vestigden zich in Diest in 1614 en kregen van de stad de Sint-Barbarakapel onder hun hoede. Tevens kregen ze de leiding over de Latijnse school waar ze een eeuw bleven. Deze school kwam even terug in handen van de stad totdat de augustijnen wederom de leiding kregen. Ze werden even terug als leidinggevenden van de school aangesteld totdat ze verdreven werden door de Fransen. Het klooster, de Sint-Barbarakerk en de school werden uiteindelijk midden 19de eeuw door de paters kruisheren opgekocht. Diest bezat vanaf het midden van de 13de eeuw al een Groot Gasthuis. Door het toenemende aantal klachten over de verzorging kregen de augustinessen of gasthuiszusters de leiding over dit Gasthuis in 1619 en werd het omgedoopt tot het Sint-Elisabethgasthuis. In de loop van de 17de eeuw werd het grondig vernieuwd en werd het klooster verder uitgebouwd. Ook dit klooster werd door de Fransen overgenomen totdat de zusters in 1809 hun kloosteractiviteiten terug opnamen. Het gasthuis bleef ziekenhuis tot in de 20ste eeuw en werd later omgevormd tot ouderlingentehuis (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994). In 1995 werden hier tijdens grondwerken meerdere graven terug gevonden en restanten van het kerkhof verbonden aan het oude ziekenhuis (Onroerend Erfgoed Brussel, Archief IAP). Een laatste kloosterorde, de lorreinozen, vestigde zich in Diest in 1647. Zij startte spoedig met een kostschool voor meisjes. Na interne strubbelingen vertrokken de zusters al vijftig jaar later naar Tienen en het klooster werd opnieuw een private woning die in de 18de eeuw werd omgevormd tot brouwerij (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994).

De oudste vermelding van begijnen in Diest dateert uit 1245 toen de paus hen en hun bezittingen onder zijn bescherming nam. Ze woonden aanvankelijk verspreid in de stad en hielden zich bezig met handenarbeid en gebed. Nadat acht jaar later Arnold IV, heer van Diest, een terrein aan de rand van de stad kocht van de abt van Sint-Truiden werd dit de plaats waar het begijnhof zou worden uitgebouwd. Al snel werd aanvang genomen met de bouw van de begijnhofkerk en werden meerdere begijnhuizen opgetrokken. Na een zware mentaliteitscrisis binnen het begijnhof waarbij oude gebruiken en regels van het hof en het spirituele volledig zoek was, stelde pastoor Nicolaas Van Essche vanaf 1550 orde op zaken. Hij liet de lemen huisjes afbreken en liet het geheel opnieuw aanleggen volgens een schaakbordschema rond de verfraaide Sint-Catharinakerk met het plein en de infirmerie als middelpunt. De begijnenwoningen en conventen werden langzamerhand herbouwd in bak- en zandsteen met hier en daar verwerking van ijzerzandsteen. Een monumentale, barokke poort sierde de ingang van het begijnhof. Tijdens de Franse bezetting werd de kerk gesloten maar bleef de begijnengemeenschap bestaan. In de loop van de 19de eeuw kwamen er meer particulieren op het begijnhof wonen waardoor het geestelijk karakter volledig verloren ging (Van der Eycken, 1980; Van der Eycken & Janssens, 1994). Rond de Sint-Catharinakerk werden in 2013 beperkte opgravingen uitgevoerd in het kader van stabiliteitswerken. De zeven werkputten leverden naast een aantal begravingen en archaeologicae bijkomende informatie op over de evolutie en de bouwfaseringen van de kerk (Reyns e.a. 2013).

Naarmate Diest als stedelijke nederzetting uitgroeide, groeide eveneens de handelsactiviteit. De handel richtte zich niet alleen tot de eigen gemeenschap maar ook tot het omliggende platteland. Door de ligging van de stad werd Diest één van de vele handelsplaatsen op de weg van Vlaanderen en Brabant naar het Rijnland. Diest kende vanaf het begin een belangrijke textiel- en ledernijverheid en had een zekere faam als bierstad totdat de laatste brouwerij sloot in 1979. Naast de belangrijke veemarkt die in Diest werd gehouden tot in de 19de eeuw was de stad eveneens een belangrijk centrum voor de paardenhandel die doorliep tot in het begin van de jaren zestig van de 20ste eeuw (Van der Eycken 1980; Van der Eycken & Janssens 1994).

De industrialisatie kwam in Diest laat en moeizaam van de grond. Door het keurslijf van de 19de-eeuwse omwallingen, waardoor vrijwel geen gronden beschikbaar waren binnen de stad, het gebrek aan een industriële traditie, het late verschijnen van de eerste spoorlijn (1865) en het de steeds moeilijkere bevaarbaarheid van de Demer bleef deze ontwikkeling in Diest beperkt.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naargelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdend met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimten tussen de bebouwde kern en strategische elementen, zoals de rivieroever, worden opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Onroerend Erfgoed Brussel, Archief NDO, Opgravingsverslag Sint-Janskerk (R. Lemaire, 12-01-1944).

Onroerend Erfgoed Brussel, Archief IAP, Oude begraafplaats blootgelegd, Gazet van Antwerpen, (S.N., 10-12-1995).

Onroerend Erfgoed Brussel, Archief IAP, Oudheidkundige vondsten in de Sint-Sulpiciuskerk te Diest, Brabant Toerisme, april 1964, 4 (G. Van Der Linden, 1964).

Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

S.N. 1990: Het Sint-Elisabethgasthuis te Diest, Brussel.

ACKE B. & TROMMELMANS R. 2009: Het archeologisch onderzoek site Bogaardenklooster te Diest, Archeologie 2009. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 10-11.

BEECKMANS L. & DE BUYSER F. 2004: Muntvondsten, in WOUTERS M. 2004: Begraven (te) minderbruers - Het minderbroedersklooster van Diest archeologisch onderzocht. Diest, 107-124.

BEECKMANS L., CALUWÉ D., CLEEREN N., DE BUYSER F., DE POORTER A., VAN BULCK G., VANDENBRUAENE M. & WOUTERS M. 2004: Archeologisch onderzoek in 'Park Cerckel' 2003-2004, in WOUTERS M. 2004: Begraven (te) minderbruers - Het minderbroedersklooster van Diest archeologisch onderzocht, Diest, 65-148.

BORREMANS R. 1963: Oude Brabantse gebruiksvoorwerpen. II Enkele middeleeuwse aardewerkscherven uit Diest, De Brabantse Folklore 160, 400-403.

BOSCHMANS A. 1955: Diest, Meer Schoonheid 1, 31.

CALLEBAUT D. 1982: De tafelrondmote op de warande te Diest, Archaeologia Belgica 250, 6-18.

CALUWÉ D. 2004: Glasvondsten, in WOUTERS M. 2004: Begraven (te) minderbruers - Het minderbroedersklooster van Diest archeologisch onderzocht, Diest, 95.

CORNELIS L., DEVROE A. & SEVENANTS W. 2011a: Archeologische prospectie met ingreep in de bodem te Diest - Veemarkt (provincie Vlaams-Brabant), Triarch 2011/2, Erps-Kwerps.

CORNELIS L., DEVROE A. & SEVENANTS W. 2011b: Archeologische prospectie met ingreep in de bodem te Diest - Hasseltsestraat, Triarch 2011/3, Erps-Kwerps.

CLAES B. 2002: Castrale mottes in Vlaams-Brabant. Inventaris en vergelijking, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Universiteit Gent.

CLEEREN N. 2004: Metaalvondsten, in WOUTERS M. 2004: Begraven (te) minder-bruers - Het minderbroedersklooster van Diest archeologisch onderzocht. Diest, 125-135.

DE MEULEMEESTER J. 1983: Castrale motten in België, Archaeologia Belgica 255, 200-225.

DE MULDER G. 2013: Opgraven in een archeologisch depot. Oude vondsten uit de late bronstijd/vroege ijzertijd in de archeologische collectie van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel, Lunula Archaeologia protohistorica XXI, 77-83.

DENEEF R. (Red.) 2007: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Provincie Vlaams-Brabant. Hageland- Noordoosten van Vlaams-Brabant: Aarschot, Begijnendijk, Bekkevoort, Boortmeerbeek, Diest, Haacht, Keerbergen, Rotselaar, Scherpenheuvel-Zichem, Tremelo, M&L Cahier 14, Brussel, 139-149.

DE NUTTE G. & HOUBRECHTS S. 2014: Demer door Diest, Fase 4-1 (Gem. Diest). Archeologisch bureauonderzoek, Condor Rapporten 146, Bilzen.

DE NUTTE G. & HOUBRECHTS S. 2014: Demer door Diest, Fase 4-2 (Gem. Diest). Archeologisch bureauonderzoek, Condor Rapporten 147, Bilzen.

DE NUTTE G. & HOUBRECHTS S. 2014: Demer door Diest, Fase 3 (Gem. Diest). Archeologisch bureauonderzoek, Condor Rapporten 164, Bilzen.

DE POORTER A., WOUTERS M. & VAN BULCK G. 2004: Ceramiekvondsten, in WOUTERS M. 2004: Begraven (te) minderbruers - Het minderbroedersklooster van Diest archeologisch onderzocht, Diest, 82-94.

DOPERÉ F. & UBREGTS W. 1991: De donjon in Vlaanderen Architectuur en wooncultuur, Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 3, Leuven.

DOPERÉ F. 1995: De steenhouwchronologie, een nieuwe methode voor de studie van de chronologie en de evolutie van 15de-eeuwse Brabantse bouwwerven, Archaeologia Mediaevalis 18, 13-14.

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen, Architectuur, Provincie Brabant, Arrondissement Leuven, Bouwen door de eeuwen heen 1, Luik.

MERTENS J. 1959: Diest (Brabant), Archeologie 2, 304.

MINNEN B. 1993: Albums de Croÿ. Het hertogdom Aarschot onder Karel van Croÿ (1595-1612). Kadasters en gezichten. Brussel.

PAESMANS G. 1995: De 19de-eeuwse verdedigingsgordel van Diest, Leuven.

REYNS N., VAN CELST M. & BRUGGEMAN J. 2013: Archeologische opgraving Diest - Kerkstraat - Begijnhof - Sint-Catharinakerk, Rapporten All-Archeo 138, Bornem.

ROOSENS B. 1981: Diest: Warande, Archeologie 2, 123-124.

ROOSENS B.1983: Het Warandekasteel te Diest (Bt.), Archeologie 2, 140-141.

ROOSENS B. 1984: Het Warandekasteel te Diest, Archaeologia Belgica 258, 155-157.

ROOSENS B. 1984: Het Warandekasteel te Diest (Br), Archaeologia Mediaevalis 7, 32-34.

ROOSENS B. EN VAN IMPE J. 1984: Het Warandekasteel te Diest (Bt.), Archeologie 2, 139-140.

ROOSENS B. & VAN IMPE J. 1985: Het Warandekasteel te Diest, Archaeologia Mediaevalis 8, 31 - 33.

ROOSENS B. & VAN IMPE J. 1985: Het Warandekasteel te Diest, Archaeologia Belgica I, deel 2, 117-122.

ROOSENS B. EN VYNCKIER P. 1982: De middeleeuwse versterkingen op de Warande te Diest, Archaeologia Belgica 247, 122-124.

ROOSENS B. & VYNCKIER P. 1982: Het Warandekasteel te Diest (Bt.), Archeologie 2, 109-110.

ROOSENS B. & VYNCKIER P. 1983: Het Warandekasteel te Diest (BR.), Archaeologia Mediaevalis 6, 14.

ROOSENS B. & VYNCKIER P. 1983: Het Warandekasteel te Diest, Archaeologia Belgica 253, 105-108.

SANGERS W. & VAN DER LINDEN 1945: De Kruisheeren te Diest 1845-1945, Diest.

TROMMELMANS R., MAESEN K., VAN RANSBEECK L., WYNS G. & ACKE B. 2011: Archeologische opgraving Bogaardenklooster Diest (prov. Vlaams-Brabant). Basisrapport - februari 2011, Group Monument 2011/03, Ingelmunster.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-Rapport 5, Brussel.

VANBRABANT K. & HOMMELEN G. 2001: Noodonderzoek in de stadskern van Diest (Vl.-Brabt.), Archaeologia Mediaevalis 24, 115-120.

VANDENBRUAENE M. 2004: Menselijke skeletresten, in WOUTERS M. 2004: Begraven (te) minderbruers - Het minderbroedersklooster van Diest archeologisch onderzocht. Diest, 136-147.

VAN DER EYCKEN M. 1975: Zeven eeuwen Ezeldijkmolen te Diest, Averbode.

VAN DER EYCKEN M. 1980: Geschiedenis van Diest, Diest.

VAN DER EYCKEN M. & JANSSENS L. 1994: Diest. Steden in beeld, Brussel.

VAN DER EYCKEN M. 2010: Een wandeling door Diest in 1669, Diest.

VANDER GINST V. & SMEETS M. 2013: Het archeologisch vooronderzoek aan de Overstraat te Diest, Kessel-Lo, Archeo-rapport 190, Kessel-Lo.

VAN ERMEN E. 1997: Het kaartboek van Averbode. 1650-1680, Brussel.

VAN DE VEN R. 1970: Op speurtocht in de Diestse bodem, Meer Schoonheid 17.4, 111-114.

VERMEERSCH J. & ACKE B. 2008: Verkennend archeologisch onderzoek op de site Bogaardenklooster te Diest, Archeologie 2008. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 10-11.

VERMEERSCH J., DECRAEMER S. & ACKE B. 2008: Proefsleuvenonderzoek. Bogaardenklooster Diest (prov. Vlaams-Brabant). Basisrapport - oktober 2008, Group Monument 2008/9, Ingelmunster.

VISSERS P. 1992: Diest: Langs Vlaamse wegen.

VYNCKIER P. 1981: De prehistorie in de streek van Diest. Getuigen van menselijke bewoning van voor onze tijdrekening, Diestsche Cronycke 4.

WIJNS D. 2003: “Geef de keizer wat de keizer toekomt…” De sporen van een Romeins verleden te Diest, Oost-Brabant 40.3, 104-129.

WOUTERS M. 2003: Archeologisch noodonderzoek in de Refugiestraat te Diest.

WOUTERS M. 2003: Het Minderbroedersklooster te Diest, Archeologie 2003. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 3-4.

WOUTERS M. 2004: Begraven (te) minderbruers. Het minderbroedersklooster van Diest archeologisch onderzocht, Diest.

WOUTERS M. 2004: Het Minderbroedersklooster te Diest (Vl.-Brab.), Archaeologia Mediaevalis 27, 111-112.

WOUTERS M. 2004: Kloostergebouw, in WOUTERS M. 2004: Begraven (te) minderbruers - Het minderbroedersklooster van Diest archeologisch onderzocht, Diest, 66-81.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Diest; (geraadpleegd op 23 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Diest [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/20060; (geraadpleegd op 2 oktober 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Diest [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/20463; (geraadpleegd op 2 oktober 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Begijnhof van Diest [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/21558; (geraadpleegd op 2 oktober 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Bogaardenklooster [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41679; (geraadpleegd op 29 september 2014).

PAESMANS G. 1981: Cellebroederklooster [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/200254; (geraadpleegd op 24 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Klooster der grauwzusters [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41637; (geraadpleegd op 24 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Klooster der Lorreinoozen [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41638; (geraadpleegd op 24 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Klooster van Mariëndaal [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41639; (geraadpleegd op 25 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Lakenhal [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41643; (geraadpleegd op 25 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Minderbroederklooster [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41640; (geraadpleegd op 25 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41614; (geraadpleegd op 25 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Sint-Supitiuskerk [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41612; (geraadpleegd op 25 september 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Watermolen Ezeldijkmolen [online], https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/41767; (geraadpleegd op 25 september 2014).

http://www.heiligen.net/cgi-bin/search/proxy.pl?terms=%2Bsulpitius&url=http://heiligen.net%2Fheiligen%2F01%2F17%2F01-17-0480-sulpitius-maastricht.php; (geraadpleegd op 30 oktober 2014).

Bron: AZ-dossier

Auteurs: Vynckier, Geert

Datum tekst: 2014

Relaties

maakt deel uit van Diest

Diest (Diest)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.