Parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Poperinge
Deelgemeente Poperinge
Straat Casselstraat
Locatie Casselstraat zonder nummer, Poperinge (West-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Poperinge (actualisaties: 27-05-2008 - 18-06-2008).
  • Adrescontrole Poperinge (adrescontroles: 12-02-2008 - 14-02-2008).
  • Inventarisatie Poperinge (geografische inventarisatie: 01-01-1989 - 31-12-1989).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

is beschermd als monument Parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw

Deze bescherming is geldig sinds 20-02-1939.

Beschrijving

Parochiekerk O.-L.-Vrouw. Gotische, bakstenen hallekerk met rijzige W.-toren die het stadsbeeld domineert; dateert uit eind XIII en XIV, en sluit aan bij de typische baksteengotiek van de kuststreek door het bouwmateriaal, het kerkschema, en de architectonische versieringen. Gelegen aan de Z.O.-zijde van het oude diverticulum Cassel-Aardenburg (cf. infra); tussen de huidige Casselstraat ten W., en de O.-L.-Vrouwekruisstraat ten Z. met vertakking rondom de O.- en N.-zijde van het bedehuis. Pastorie (O.-L.-Vrouwekruisstraat nr. 18) en kapelanie (O.-L..Vrouw-kruisstraat nr. 6) resp. ten O. en N.O. van de kerk; beide zien uit op een pleintje dat vermoedelijk ontstond na de opheffing van het kerkhof tengevolge van het edict van Jozef II (1784).

Oudste vermelding van 1290: op verzoek van de stad verlenen de abt van de St.-Bertinusabdij van St.-Omaars en de bisschop van Terwaan de toestemming tot het bouwen van twee nieuwe kerken, de O.-L.-Vrouwe- en de St.-Janskerk; dit o.m. n.a.v. de bevolkingstoename tengevolge van de economische bloei in XIII. Vanaf eind XIII en gedurende XIV: progressieve opbouw van het bedehuis, vermoedelijk startend met de middenbeuk en het hoofdkoor te oordelen naar de zuilen van Doornikse steen met knoppenkapiteel; vervolgens, ombouw van de meest O.middenbeuktrav. tot transept en bouw van twee zijkoren (XIV B), beide gekenmerkt door het gebruik van Atrechtse zandsteen voor de zuilen met koolbladkapiteel; de W.-toren was waarschijnlijk voltooid ca. 1400.

XVI B: de schade van de beeldenstorm beperkt zich tot het kerkmobilair. 1640: een brandramp vernield de bedaking. Ca. 1682: herstellingswerken aan de W.-toren na blikseminslag. 1692: schade aan de scheibogen tengevolge van een aardbeving. 1780: optrekken van nieuwe torenspits ondanks herstellingswerken aan de oude in 1770. 1779: bouw van nieuwe sacristie. 1837-'38: veranderingswerken aan het kerkinterieur in de trant van de toen gangbare neoclassicistische stijl, o.i.v. architect J. Lernould (Ieper); o.m. verwijdering van de scheibogen in het transept, bepleistering van de zuilen, aanbrengen van stucplafond ter vervanging van de houten spitstongewelven, vervanging van de houten balken door ijzeren trekstangen, en dichtmetselen van vensters in de W.-gevel en het hoofdkoor. 1850: bouw van een nieuwe naaldspits van bak- en natuursteen. Ca. 1868-'74: restauratiewerken o.i.v. architect J. Van Ysendijck (Brussel) m.b.t. gevels (o.m. plaatsen van nieuwe geajoureerde borstwering van natuursteen), venstertraceerwerk, en sacristieën; zij werden net zoals de gelijktijdige restauratiewerken aan de twee andere Poperingse stadskerken, reeds voor de ecuwwisseling aangevochten zowel omwille van het stijlkarakter als om de technische uitvoering (o.m. slechte steenkeuze). Ca. 1890: herstellingswerken aan vensters, W.-portaal en borstwering o.i.v. architect J. Soete (Roeselare) . Ca. 1905-'9: restauratiewerken o.i.v. architect J. Coomans (Ieper), gr.m. resulterend in een herstel van het oorspronkelijk uitzicht van het kerkinterieur geschonden door de veranderingswerken van 1837-'38; tevens bouw van nieuwe bakstenen torenspits (1905). Herstellingswerken na W.O. I. Torenspits hersteld na W.O. II o.l.v. architect O. Carpentier (Poperinge). Jaren 1970: restauratiewerken aan bedaking, gevels en W.-portaal o.l.v. architect P. Viérin (Brugge); restauratie-impact o.m. gekenmerkt door een herstel van de oorspronkelijke baksteenarchitectuur waaraan de (natuurstenen) XIX-restauraties enigszins afbreuk hadden gedaan.

De plattegrond ontvouwt: een vierzijdige W.-toren, een driebeukig schip van vier en een halve trav., een niet uitspringend transept met armen van één trav., een hoofd- en twee zijkoren van twee rechte trav. resp. met vijfzijdige en vlakke sluiting, een N.-sacristie en een Z.-bergplaats.

Gele baksteenbouw op sokkel van Atrechtse zandsteen; natuursteen wordt ook gebruikt voor de portalen en het traceerwerk in de koppen van vensters en casementen. Afdekking d.m.v. aanleunende, leien zadeldaken onderbroken door de hogere dito bedaking van de transeptarmen.

W.-gevel gedomineerd door de monumentale vierkante W.-toren (ca. 1400) naar het typisch gotisch schema van de kuststreek; ook de bakstenen spitsbekroning van 1905 sluit bij deze torenbouwtraditie aan. Vier torengeledingen aangegeven door kordon. Op elkaar gestelde hoeksteunberen met versnijdingen. Polygonale traptoren met bakstenen spits afgezet met hogels, tegen de Z.-torenwand. Gesuperposeerde korfbogige casementen typeren zowel het bovenste gedeelte van de hoeksteunberen als de wanden van de traptoren.

Tussen de hoeksteunberen uitgebouwd W.-portaal (natuursteen) vermoedelijk daterend uit XIV; de versiering van de archivolten met bloemen en vruchten lijkt XVII.

Spitsboogportaal met uitgewerkte archivolten opgevangen door baldakijnen van nissen zonder beelden; omschrijvende ezelsboogrug met hogels en centrale kruisbloem; ster- en driepastraceringen in het boogveld; twee korfboogdeuren gescheiden door een penant versierd met beeld van O.-L.Vrouw met kind (XVII?). Het in de jaren 1970 gerestaureerde gevelvlak is verlevendigd met blinde traceringen voorzien van baldakijoen ter hoogte van de rechtstanden; het geheel wordt afgelijnd door een geajoureerde borstwering. Eerste torengeleding doorbroken door spitsbogig tweelicht in de N.- en Z.-gevel. Tweede en derde geleding verlevendigd met spitsbogige casementen voorzien van traceerwerk (driepassen) in de koppen onder doorgetrokken druiplijst. Per torenzijde, twee spitsbogige, gesplitste galmgaten met laatgotisch traceerwerk (o.m. visblaasmotief); druiplijsten aansluitend bij de blinde korfboogtraceringen onder de omlopende kroonlijst. Gesloten borstwering met korfboognissen, onderbroken door pinakelvormige hoektorens. Zeszijdige bakstenen naaldspits afgezet met hogels op de hoeken.

W.-puntgevel van zijbeuken voorzien van dichtgemetseld spitsbogig drielicht met drie- en vierlobbig traceerwerk en druiplijst. L.g. sluit aan bij de Z.geveltop verfraaid door klimmende spitsbogige casementen met ingeschreven driepas in de kop. N.-geveltop: korfbogig casement tussen twee spitsbogige onder druiplijst; erboven, resp. blinde oculus met ingeschreven vierlob, en korfbogig casement. N.- en Z.zijbeukgevels: trav. geritmeerd door steunberen met drie versnijdingen, op elkaar gesteld op de vrijstaande hoek van de W.-puntgevels, en uitlopend op de sobere pinakels van de licht overkragende gesioten borstwering (baksteen) op fries van donkere bakstenen. Per trav., twee spitsbogige tweelichten onder druiplijst rustend op hoofdjes; slechts één tweelicht doorbreekt de eerste (halve) en de tweede trav. Twee spitsbogige casementen flankeren het venster in l.g. trav., voorts met dichtgemetselde getoogde deur in natuurstenen omlijsting ten N., en schouderboogdeur verdiept in rondboogomlijsting van Atrechtse zandsteen ten Z.

Transeptpuntgevels met bakstenen topstuk. Behouden N.-portaal (natuursteen): twee gekoppelde accoladeboog-deuren verdiept in rondboogomlijsting met geprofileerde archivolten op halfzuiltjes met loofwerkkapiteel; boogveld met drielobtracering en klein portaalbeeld van "O.-L.-Vrouw van St.-Jan" onder houten baldakijn (XX) . Het soortgelijk Z.-portaal is dichtgemetseld. Boven de portalen, twee gekoppelde spitsbogige drielichten onder druiplijst aansluitend bij twee spitsboogcasementen ter hoogte van de vensterkoppen; l.g. waren tot voor de herstellingswerken van na W.O I, gevat in een brede spitsboogomlijsting (cf. sporen), wet resulteerde in een zeslicht. Z.-geveltop verfraaid door spitsbogig casement met traceerwerk; bijkomende casementen en blinde oculi met traceerwerk, in de N.-geveltop.

N.- en Z.-zijkoorgevel evenals de vijfzijdige hoofdkoorsluiting, op dezelfde wijze gestut en afgelijnd als zijbeuken, echter met één drielicht per trav. dat voorts dezelfde kenmerken vertoont als de zijbeukvensters.

Vlakke zijkoorsluitingen met puntgevel gemarkeerd door dichtgemetseld spitsbogig vierlicht tussen kleinere spitsboogcasementen, alle met traceerwerk; geveltoppen verfraaid door klimmende spitsbogige casementen cf. de W.-gevel van de Z.-zijbouk. Aanleunende N.sacristie en Z.-bergplaats, van één bouwl, en twee trav. onder leien schilddak; neogotisch uitzicht (XIX-restauratie) geïnspireerd op de bouwtrant van het bedehuis.

Gedeeltelijk witbepleisterd interieur met ruim karakter eigen aan een hallekerk. Onder de toren: portaalruimte overkluisd met bakstenen kruisgewelf voorzien van natuurstenen ribben en z.g. klokkegat; overwelving vermoedelijk daterend van ca. 1863 nadat het oorspronkelijke (?) torengewelf instortte.

Midden- en zijbeuken gescheiden door bakstenen spitsboogarcade op zuilen van Doornikse steen met knoppenkapiteel; W.-halfzuilen van Atrechtse zandsteen. Boven de scheibogen, zowel in de midden- als in de zijbeuken: spitsbogenlijst opgevangen door kraagstenen in de vorm van hoofdje. Transept: bakstenen scheibogen, waarboven de muren niet doorgetrokken tot de overdekking en verlevendigd met getoogde casementen. Samengestelde kruisingpijlers (vierpasdoorsnede) van natuursteen (o.m. Atrechtse zandsteen) met koolbladkapiteel. Midden- en zijkoren gescheiden door spitsbogen resp. van baksteen op achtzijdige zuilen van Atrechtse zandsteen met koolbladkapiteel ten N.; van Doornikse steen en baksteen op zuilen van Doornikse steen met knoppenkapiteel ten Z.

Overdekking d.m.v. drie doorgetrokken houten spitstongewelven, uitstralend ter hoogte van het hoofdkoor en met twee steekkappen in het transept; houten trekbalken (1905-'9).

Mobilair. Vnl. daterend uit XVIII. Z.-transept: "Opwekking van Lazarus" (doek), uit XVII A. Middenbeuk, bij het portaal: twee reliekhouders uit midden XVIII, resp. met buste van de H. Anna en de H. Apollonia van Alexandrië (hout). W.gevel van N.-zijbouk: "Jezus in het graf omringd door de drie Maria's, Johannes, Jozef van Arimatea en Nikodemus" (marmer), uit XVIII. N.-zijbouk: geknielde en geboeide slaaf boven een offerblok (gepolychromeerd hout), uit XVII (?). N.-transept, in beglaasde nis: "O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangenis met scepter en kind staand op de maansikkel, vertrapt de slang" (eik), uit XVIII. Z.-transept: reliekhouder met buste van de H. Eligius van Noyon (geschilderd en verguld hout), uit XVIII.

Z.-zijkoor: H. Rochus van Montpellier (gepolychromeerd hout), uit XVII. N.-zijkoor: portiekaltaar (geschilderd en gemarmerd hout) van ca. 1750, o.m. met geschilderde voorstelling van de stichting van de Orde der Trinitariërs; houten antependium met voorstelling van de H. Barbara, uit midden XVIII. Z.-zijkoor: portiekaltaar toogewijd aan O.-L.-Vrouw (geschilderd en gemarmerd hout) van ca. 1750, o.m. met schilderij van O.-L.-Vrouw met kind die de rozenkrans schenkt aan de H. Dominicus Guzman. Eikehouten lambrizering, hekken, en kerkmeestersbank in het hoofdkoor door E. Wallyn (Poperinge), in rococostijl uit midden XVIII. Houten XVIII-communiebank in rococostijl, in het hoofdkoor; toogeschreven aan J.B. Jonckers. In de recentere houten communiebanken van de zijkoren zijn XVIII- fragmenten verwerkt afkomstig van het voormalig retabel van het hoofdaltaar.

Preekstoel (eik) n.o.v. architect J. Lernould (Ieper) van 1833; de door H. Pulinx jr. vervaardigde preekstoel van de Brugse St.-Salvatorskerk (1777-'78) diende als voorbeeld. Vier biechtstoelen (eik), resp. twee in de zijbeuken en twee in het transept, van het drieledige type uit eind XVIII-XIX A. Orgel van 1715, toegeschreven aan J. van den Eynde (Ieper). Doopvont (wit en zwart mariner) van 1788.

Archief K.C.M.L., 713. S.A.P., 660.
DELANOTE M., De Onze-Lieve-Vrouwekerk te Poperinge (De Gidsenkring, XVIII, 2, 1980, p. 21-28).


DESCHREVEL A., PAUWELS H., Notre-Dame de Poperinge (Congres archéologique de France, Flandre, 1962, p. 92-100).


DEVLIEGHER L., Beeld van het kunstbezit. Inleiding tot een inventarisatie (Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, b, Tielt-Den Haag, 1965, p. 95-96.
HOSTE H., La flêche de l'église Notre-Dame à Poperinghe (Annales de la Société d'Emulation de Bruges, deel 56, 1906, p. 102).


ROOSE-MEIER B., VERSCHRAEGEN H., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen. Provincie West-Vlaanderen. Kanton Poperinge, Brussel, 1977, p. 20-25.


THEYS G., Kort historisch overzicht van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Poperinge (De Gidsenkring, XIV, 1, 1976, p. 8-10).


TILLIE W., Historische gevels en gebouwen. Monumentenjaar 1975, Poperinge, 1975, p. 20-21.

Bron: Delepiere A.-M. & Huys M. 1989: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Ieper, Kanton Poperinge, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 11N2, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Delepiere, Anne Marie & Huys, Martine

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Casselstraat

Casselstraat (Poperinge)

omvat Orgel kerk Onze-Lieve-Vrouw

Poperinge (Poperinge)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.