Deze pagina afdrukken

Kasteel van Caloen, Loppem

De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed

Kasteel van Loppem (ID: 209986)

Foto niet beschikbaar
Alle foto's

Administratieve Gegevens

Beknopte karakterisering

Beschrijving

"Kasteel van Loppem" ook "Kasteel van Caloen" genoemd. Kasteel beschermd als monument bij M.B. van 11/02/1986 en park als landschap bij M.B. van 27/08/1985. Het "Kasteel van Loppem" is in de Landschapsatlas (versie 1.0, AROHM 2001) opgenomen als puntrelict binnen de relictzone "Kasteelparken en bosgebied Oostkamp" en de ankerplaats "Kasteel van Loppem en hof van Breda". Nr. 26A (kasteel), 26B (manege) en 28 (hoeve).

Omgracht, neogotisch kasteel (1858-1863), gelegen in een park met vijver, doolhof, poortgebouw met brug, stallingen, koetshuizen, manège, klein paviljoen ongeveer uit dezelfde periode van het kasteel. Hoeve en achthoekig tuinpaviljoen daterend uit de tijd van het vroegere landhuis (18de eeuw, kort na 1756). Tuinierswoning van 1910 en bibliotheek van 1949. De parkaanleg dateert uit dezelfde periode als het kasteel, het doolhof van circa 1873.

Het kasteel is de eerste grote architecturale prestatie van architect Jean Bethune (1821-1894), 'vader' van de Belgische neogotiek.

Historiek. Het kasteeldomein is gelegen op het zogenaamd "Pastoriegoed", een landgoed van circa 12 ha op "prochyepapen landt" met pastoorswoning en een neerhof waardoor de pastoor in zijn eigen onderhoud kon voorzien. Een legger van 1624, opgemaakt door pastoor Donatiaan Storme, beschrijft het goed "met alle de huusen, schueren, stallen ende boomen daerup staende..., mette walgrachten rondtsomme". De pastoorswoning bevindt zich dan in de noordoosthoek van de omwalling. Na 1633 lijkt het neerhof verdwenen want er is noch in documenten noch op oude kaarten iets van terug te vinden. De pastorie zelf blijkt ondertussen in vervallen toestand. Ook omwille van de verre ligging naar de kerk vraagt de toenmalige pastoor, Elias Verdick, in 1756 de toestemming van prins Karel van Lotharingen, landvoogd van de Nederlanden, om het goed te verkopen. Hij bouwt een nieuwe pastorie vlakbij de kerk en verkoopt het domein aan Clément de Potter. Door het pachten van pastoriegrond kan hij de toegangsdreef verbreden.

De familie, die sedert 1753 aan de Dijver in Brugge woont, laat de pastorie afbreken en bouwt hier vóór 1778 een zomerverblijf in neoclassicistische stijl. Het landhuis moet er zeker al staan vóór 1778 zie een aquarel uit datzelfde jaar met afbeelding van de voorgevel. Rond het landhuis wordt een rechthoekige omwalling aangelegd met daarbinnen een lusttuin. Op de Ferrariskaart (1770-1778) staat het goed aangeduid als "Pastorye Goet", een rechte dreef leidt naar de Steenbrugsestraat, dan nog de "Rousselaerschen heerewegh" genoemd. Op het einde van de 18de eeuw laat Clément de Potter jr. ten noordoosten van het landhuis een hofstede bouwen en een boomgaard aanleggen. Enkele jaren later wordt ten westen van het huis een hovenierswoning opgericht. Na de Franse Revolutie krijgt de familie tussen 1796 en 1805 de gelegenheid het landgoed uit te breiden tot 17 ha.

Aan de Dijver (nrs. 10-11) bouwt de familie circa 1794 ter vervanging van vijf woningen een imposant herenhuis, vermoedelijk ontworpen door architect Joseph-François Van Gierdegom (Brugge). In 1812 trouwt Marie de Potter de Droogenwalle (1793-1864) met Joseph-Bernard van Caloen (1776-1848) waardoor het landgoed in handen komt van deze vooraanstaande familie die al eeuwen lang belangrijke functies (onder meer als burgemeester) bekleed in het Brugse Vrije. Verwikkeld in een proces met zijn schoonbroer Louis de Potter, een republikein en vrijdenker die een belangrijke rol speelt bij de Belgische Onafhankelijkheid (1830), kan hij uiteindelijk zowel het landgoed in Loppem als het huis aan de Dijver verwerven. Hij slaagt erin zijn bezittingen in Loppem uit te breiden tot 235 ha, ongeveer een zesde deel van het Loppemse grondgebied. Hierdoor legt hij de basis voor een stevige verankering in het landelijke Loppem.

Het koppel voert de katholieke, traditionele waarden hoog in het vaandel, hun drie zonen krijgen een streng religieuze opvoeding. De tweede zoon Charles (1815-), die lijdt aan een ernstige oogziekte, leert tijdens zijn studies rechten en filosofie in Leuven onder meer Jean Bethune (1821-1894), en Augustus Welby Northmore Pugin (1812-1852), die hem vermoedelijk introduceert bij de invloedrijke Engelse kolonie in Brugge, kennen. Tevens is hij in Leuven actief in de jonge Vlaamse Beweging.

In 1847 huwt Charles met de adellijke en devote Savina de Gourcy Serainchamps (1825-1912). Om aan de wens van zijn schoonvader, graaf Félix, te voldoen kan Charles in 1857 de baronstitel verwerven. Het echtpaar neemt intrek in het huis langs de Dijver. Na het overlijden van zijn vader (1848) is Charles de enige erfgenaam en door enkele andere sterfgevallen in de familie verwerft hij alles samen een bijzonder groot vermogen waaronder, naast het landhuis in Loppem, talrijke huizen en landerijen in West-Vlaanderen en Namen.

In 1848 wordt Charles lid van de "Edele Confrérie van het Heilig Bloed" te Brugge. Daar ontmoet hij als medelid de Brugse bisschop Jean-Baptiste Malou, grote voorstander van de neogotiek, en Jean Bethune, zijn oude studiegenoot uit Leuven. De confrerie speelt een zeer belangrijke rol in het promoten van de orthodoxe neogotiek van A.W.N. Pugin, de 'gothic revival', en het lanceren van de rijpe neogotiek in België. In Brugge vormen een aantal vooraanstaande Bruggelingen (waaronder Guido Gezelle), te samen met een Engelse kolonie 'bekeerlingen' (architecten, archeologen, kunstenaars), de kern van de neogotische beweging waarin ook de familie van Caloen vele relaties heeft. De filosofie van het echtpaar van Caloen past in de tijdsgeest van circa 1870, waarbij ultraconservatieve katholieken zich afzetten tegen de liberale machthebbers. Dit streng katholiek gedachtegoed wordt veruitwendigd via de neogotiek die onder meer via Jean Bethune in België wordt gelanceerd. Charles ligt in 1851 mede aan de basis van het Sint-Vincentiusgenootschap te Brugge. Hij is wellicht ook de motor achter de stichting van een conferentie in 1862 te Loppem. Het uitoefenen van liefdadigheid via het genootschap gaat gepaard met sociale controle en geeft de mogelijkheid in te gaan tegen de liberalisering en later de uitbouw van het socialisme bij de arbeidersklasse. Daarnaast zijn Charles en Savina milde schenkers van giften zowel aan de clerus, waaronder zelfs de paus, als aan de arme volksmensen uit Loppem.

In Brugge krijgt Jean Bethune, als één van zijn eerste opdrachten, de leiding bij de herinrichting (1851) van het neogotische interieur van de Heilige Bloedkapel. Tevens krijgt hij de opdracht tot het bouwen van een graf- en bidkapel (1852-1856) voor de familie van Caloen aan de noordbeuk van de *kerk van Loppem.

Als voorzitter van het provinciaal comité van het Aartsbroederschap van Sint-Franciscus-Xaverius (1854) geeft Charles van Caloen opdracht aan Jean Bethune om voor de Brugse afdeling (opgericht in 1868) een neogotische kapel en feestzaal (opgenomen in het huidige Groeningemuseum) te bouwen.

Ondertussen rijpt de gedachte om in Loppem een groot, middeleeuws kasteel te bouwen, ter vervanging van het oude landhuis, waarvan de neoclassicistische stijl eerder geassocieerd wordt met het liberale gedachtengoed. Edward Pugin, de zoon van A.W.N. Pugin krijgt in 1856 de opdracht om een eerste ontwerp te maken. Charles en Savina laten zich bijstaan door onder meer Jean Bethune van wie het advies geleidelijk aan belangrijker wordt. Ook de visie en aanwijzingen van Savina blijken een grote impact te hebben op het concept en de aankleding van het kasteel.

De bouwwerken starten in 1858. De funderingen zijn volgens Pugins' concept aangelegd. Ontevreden echter over het werk van Pugin vraagt het echtpaar aan Jean Bethune het werk over te nemen. In "1859" zie het jaartal in geglazuurde baksteen, wordt wellicht met de bouw gestart.

Bethune is al een hele tijd actief als glazenier. Als bouwkundige echter voelt hij de nood zich een maand bij te scholen. Hij leidt vaklui op in middeleeuwse ambachtstechnieken. Onder meer de Brugse schrijnwerker Charles Van Robays (1822-1872) en aannemer Louis Bulckaert uit Loppem (1832-1913) vormen de kern van een vaste ploeg. Het opgaande gedeelte van het kasteel is meteen zijn eerste grote ontwerp. De andere constructies in het park zijn in eenzelfde stijl gerealiseerd en ongeveer in dezelfde periode als het kasteel gebouwd.

In 1862 start men met de afbraak van het oude landhuis en op 2 juli 1863 kan de familie reeds het kasteel betrekken. Voor Joseph, de oudste zoon, wordt rond 1866 in de tuin 'le petit musée' opgetrokken: een neogotisch gebouw en atelier waar de jonge Joseph zijn interesse voor kunst en zijn verzameling voorwerpen kan onderbrengen. Joseph zal later intreden als benedictijn en sticht in die hoedanigheid meerdere abdijen waaronder die van het nabij gelegen Zevenkerken in 1899 (zie Sint-Andries, Brugge) waarvan hij tot 1912 als eerste abt fungeert.

In 1867 ondergaat Charles een geslaagde oogoperatie. Uit dankbaarheid schenkt de familie in 1873 aan de kerk van Loppem het hoofdaltaar en drie glasramen in het koor, alles ontworpen door Jean Bethune. Ondertussen wordt nog tot na 1870 aan het interieur van het kasteel verder gewerkt. Op het kasteel worden vele voorname gasten, vooral uit de hogere clerus, ontvangen waaronder onder meer monseigneur Franceso Nardi (1808-1877). Deze persoonlijke vriend van de paus, kan er over een eigen kamer, 'la chambre de Monseigneur Nardi', beschikken. De familie heeft persoonlijk contact met paus Pius IX en beidt hem financiële steun.

Na de dood van haar man, in 1896, overweegt Savina om in het klooster te gaan maar blijft op vraag van haar omgeving aan het hoofd van de familie. In 1909 wordt een nieuwe lift geplaatst. Kort daarna wordt, omwille van het comfort, de eretrap, oorspronkelijk draaiend rond een spil, door architect Joseph Viérin (Brugge) als bordestrap aangepast. De wintertuin wordt in 1913 vervangen zie huidig, ontwerp van Viérin.

Na het overlijden van Savina in 1912 verhuist Albert, één van de zonen, in de lente van 1913 met zijn gezin van het zogenaamd "Wit Huis" (zie Rijselstraat nr. 13) naar het kasteel. De nieuwe kasteelheer is net als zijn vader een overtuigd katholiek, confrater van het Heilig Bloed, provincieraadslid en burgemeester van Loppem van 1891 tot 1932.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog neemt een Duitse generaal met zijn staf vanaf eind 1917 zijn intrek op het kasteel. Na de terugtrekking van de Duitsers resideert de Koninklijke familie met hofhouding tussen 24 oktober en 25 november 1918 op het kasteel. In die periode komen hoge gasten over de vloer onder meer de Franse president en de Japanse keizerlijke prins. De koning roept ook de voormannen van de socialistische en liberale partijen bij zich met de bedoeling te komen tot een regering van nationale unie, met regeringsdeelname van de drie politieke partijen. Het regeringsprogramma omvat een grondwetswijziging die belangrijke politieke besluiten zoals het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen, de erkenning van de vakbonden en de vernederlandsing van de Gentse universiteit mogelijk moet maken.

Tijdens zijn bezoek aan de frontzone logeert de Engelse koning George V op 9 en 10 december op het kasteel. Vanaf 1940 bewoont Jean, de tweede zoon van Albert, het kasteel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het kasteel gebruikt als kazerne. Enkele glasramen worden door een bominslag vernietigd. Op de plaats van de hondenhokken, vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog, ontwerpt architect Luc Viérin (Brugge) in 1949 een bibliotheek In 1951 wordt de vzw 'Fondation van Caloen à Loppem' opgericht met als doel het beheer van de gehele site. Jean schenkt in 1953 samen met zijn zoon Roland het kasteel met inboedel aan de vzw en gebruikt de bibliotheek als woning. Jean sterft in 1972, Roland neemt het voorzitterschap over en verandert de naam in 'Stichting Jean van Caloen'. Daarna volgt de openstelling voor het grote publiek, eerst van het park in 1974 en dan van het kasteel in 1975. Kasteel en park worden in 1985 beschermd, respectievelijk als monument en als landschap. In de jaren 1990 en het begin van de 21ste eeuw worden enkele onderhoudswerken en restauraties, zowel aan het kasteel als aan de bijgebouwen, uitgevoerd.

Materialen. Het kasteel en bijgebouwen zijn opgetrokken in lichtrode baksteen gebakken in plaatselijk gedolven klei. Door middel van een speciaal procédé slaagt men erin baksteen op ambachtelijke wijze te produceren gelijkend op de middeleeuwse stenen, gebruikt bij Brugse gebouwen.

Gebruik van blauwe hardsteen uit Soignies voor de kwetsbare elementen en zandsteen uit Frankrijk en Henegouwen. Alle daken zijn met Engelse leien bedekt.

Beschrijving. Geheel van park met kasteel en schoolgebouwtje, gelegen op een eiland, omringd door grachten en een vijver, en toegankelijk via een poortgebouw en brug. Buiten de omwalling ligt aan de westkant een ommuurde moestuin, en aan de oostkant de stallingen, manege en bibliotheek, gegroepeerd rond een binnenkoer, met erachter de 18de-eeuwse hoeve.

Kasteel Kasteel in voldragen neogotische, Vlaamse stijl met dezelfde oriëntatie als het vroegere landhuis met zuidelijk gerichte voorgevel. De plattegrond en volumewerking zijn wellicht van Pugins' hand maar Bethune drukt ongetwijfeld zijn stempel op de verticaliserende opbouw en detaillering van de gevels. De verschillende bewaarde plannen illustreren hoe van het oorspronkelijke, veeleer Engels-Victoriaans ogende ontwerp, wordt afgeweken om gaandeweg te resulteren in een typisch Vlaamse vormentaal met Duitse invloeden. Het 'eternel château' wordt een prototype van ambachtelijk-archeologische neogotiek, een stijl bijna exclusief ontworpen voor de Brugse, conservatieve aristocratie. In dezelfde geest en periode realiseert Bethune het complex met kerk, pastorie en school (circa 1860) in Vivenkapelle (zie Damme). Het kasteel heeft een directe invloed op de Sint-Lucasscholen waarvoor de (baksteen)architectuur, interieur en meubelontwerpen model staan.

De neogotische stijl van het kasteel is geïnspireerd op Brugse, laatgotische voorbeelden (onder meer het Gruuthusepaleis) gekenmerkt door het gebruik van doorlopende traveenissen onder rond- of spitsbogen. De boogvelden zijn versierd met driepasbogen en op de borstweringen met gekoppelde spitsboogjes. Rechthoekige vensters met kruiskozijnen en drielichten. Daken met pittoreske, bakstenen dakvensters versierd met hogels en kruisbloemen en houten dakkapellen met windberg.

De plattegrond weerspiegelt de verschillende functies van het gebouw. Enerzijds het hogere zogenaamd 'corps de logis' met pronkvertrekken en anderzijds het lagere 'klein kwartier' met woonruimtes en dienstvertrekken. Daartussen bevinden zich de kapel, de offices en de diensttrap.

Asymmetrische, verankerde bakstenen constructie bestaande uit twee langsvleugels. Ertegen aan westzijde een dwarsvleugel met aan de eindgevels tuittoppen en identieke erkers op de begane grond. Het geheel heeft drie (corps de logis) en twee (klein kwartier) bouwlagen boven een bakstenen plint afgeboord met omlopende, arduinen afzaat onder steile zadeldaken. Onder de dakgoten een omlopende zandstenen lijst versierd met bloemmotieven.

De voorgevel is het meest uitgewerkt, de verschillende geledingen zijn symbolisch opgesteld. Centraal weerspiegelt een ranke vierkante toren, met geïntegreerde hoofdingang onder steil schilddak met smeedijzeren vorstkam, de adellijke status van de bewoners. De inkom is toegankelijk via een arduinen buitentrap met ijzeren balustrade. Deur ingepast in een rechthoekige nis met geprofileerde spitsboogomlijsting en boogveld in zandsteen. De eerder smalle deur zou verwijzen naar de hemelpoort. Erboven een gebeeldhouwd wapenschild van Caloen-de Gourcy Serainchamps uitgevoerd door de beeldhouwer Fernand Van Ryckeghem (Loppem). De bovenste zone van de toren fungeert als belvedère.

Rechts ervan een als arkeltoren geconcipieerde erkeruitbouw waarachter de huiskapel. Uitgevoerd in zandsteen en rustend op een console, rijk versierd met lijstwerk en florale motieven. Aan drie zijden opengewerkt met spitsboogvormige lancetvensters versierd met gotisch maaswerk en onder ingesnoerde naaldspits. Achter de tuitgevel, links van de westelijke dwarsvleugel, ligt het salongedeelte waar zich het familieleven afspeelt. Op de begane grond met een zandstenen, rechthoekige erker onder leien lessenaarsdak en met vierlichtvenster aan de voorzijde. Het boudoir op de begane grond en de pittoreske houten loggia erboven verbinden deze vleugel met de toren.

Het lagere rechterdeel herbergt het zogenaamd 'klein kwartier' en heeft aan voor- en achterzijde gelijke gevels met eenvoudige traveenissen volgens het eerste Brugse type.

De achtergevel aan de noordzijde geeft uit op een vijver. Het hogere rechterdeel wordt verticaal geritmeerd door het drie traveeënbrede middenstuk dat wordt geflankeerd door de vooruitspringende tuitgevels met rechts de erker van het blauwe salon. De gevel van het lagere linkerdeel is identiek aan dat van de voorzijde.

De westelijke zijgevel wordt gedomineerd door twee monumentale rookkanalen die doen denken aan deze van het Brugse Hof van Watervliet (zie Brugge). Versierd met metselaarstekens met de initialen "V / C", verwijzend naar de bouwheren en het jaartal "1859".

De oorspronkelijke ijzeren serre tegen de gevel wordt in 1913 vervangen door de huidige veranda. De glazen constructie rust op een bakstenen onderbouw met steunbeertjes. Pittoresk geheel onder meer door de fraaie vensterpartijen met in de bovenlichten verticale roedeverdeling afgewerkt met een driepasboog, de steekkapjes met windveer en makelaar bekroond met smeedijzeren topstuk, en de waterspuwers.

De oostelijke zijgevel, waarachter de dienstvertrekken, is het soberst en op asymmetrische wijze uitgewerkt.

Interieur. Totaalconcept in neogotiek doorgedreven in opbouw, vensters, vloeren, schrijnwerk, smeedwerk, versieringen, stoffering, aankleding en meubilair. Het hele kasteel ademt traditie, religiositeit en familiewaarden, tot uiting gebracht in de thematiek van het aardse (geweikronen, natuurtaferelen) tegen over het hemelse (religieuze voorstellingen). Overal in het kasteel zijn wapenschilden en initialen van de opdrachtgevers en hun familie aangebracht. Hoewel het interieur op alle mogelijke manieren geïnspireerd is op de middeleeuwen wordt qua comfort gebruik gemaakt van technische nieuwigheden zoals centrale verwarming, een vaste badkamer, stromend warm en koud water en een lift.

Jean Bethune wordt bij de inrichting bijgestaan door een hele schare kunstenaars en ambachtslui. Naast de al eerder vermelde schrijnwerker Charles Van Robays nemen de broers Léopold (1832-1913) en Léonard Blanchaert (1834-1905) respectievelijk de figuratieve en ornamentele beeldhouwkunst voor hun rekening. De glasramen en medaillons worden gerealiseerd door de glazeniers Florimond van de Poele (1832-1875), Arthur Verhaegen (1847-1917) en uiteraard Jean Bethune zelf. Keramiek wordt geleverd door de Engelse firma Minton Hollins (vloer van de vestibule), Thomas Picha uit Gent (kapelvloer) en de Ryckere uit Kortrijk (tegels van de schoorstenen). Smeedijzeren sluitwerk door de Brugse kunstsmid Pierre Van Cleven (°1822). De decoratieve beschildering is van de hand van Adrien-Hubert Bressers (1835-1898) uit Tilburg. De Duitser August Martin (1837-1901), die ook in Vivenkapelle werkte, schildert de figuratieve wandschilderingen.

De meeste aandacht gaat naar de vestibule, uitgewerkt als een drie verdiepingen hoge hal en oorspronkelijk ook biljartzaal. De vestibule combineert het idee van de Engelse 'baronial hall' met de grandeur van de trappenzaal in een Frans kasteel. Tegenover een uiting van het aardse op de begane grond (jachtscènes en wapenschilden) staat het verhevene, terug te vinden in het gewelf en het Mariabeeld. Deze centrale circulatieruimte, tevens de plaats van alle officiële ontvangsten, biedt toegang tot de vertrekken van het 'corps de logis'. Neogotische schouw versierd met wapenschilden. De eikenhouten bordestrap leidt naar een galerij waarlangs de verschillende kamers en de kapel zijn gelegen. De panelen van de trapleuning bevatten prachtig gesculpteerde afbeeldingen van planten, dieren en jachtscènes gebeeldhouwd door Léonard Blanchaert. De brede, houten en okerkleurig beschilderde kooflijst van de galerij is versierd met florale motieven. De hal wordt overspannen door een monumentaal, gepolychromeerd houten gewelf. Het is een kopie van de schepenkamer van het Brugse stadhuis zoals die circa 1421 is geconcipieerd (maar met 18de-eeuwse wijzigingen en vóór de uitbreiding van 1886).

Ten westen en ten zuiden van de vestibule bevinden zich de zogenaamde pronkruimten, twee salons en de eetkamer, uitgewerkt in een doorgedreven laatmiddeleeuwse stijl. De vertrekken staan met elkaar in verbinding door dubbele deuren. De kamers hebben parketvloeren in visgraatmotief, lambriseringen en deuren met briefpanelen, vensters met glasramen (medaillons en wapenschilden in de bovenlichten, bepleisterde muren met imitatievoegen, monumentale schouwen geïnspireerd op de 16de-eeuwse voorbeelden uit het stadhuis van Kortrijk en Oudenaarde, moer- en kinderbalken met versierde balksleutels.

Het absolute hoogtepunt van luxueuze en weelderige aankleding is terug te vinden in het zogenaamd blauwe salon of salon Sint-Carolus Borromeus en tevens damessalon (allusies op de taak van de kasteelvrouw als gastvrouw en als moeder). Blikvanger is de schouw met maaswerk op de schouwbalk, erboven laatgotische nissen met gebeeldhouwde en vergulde taferelen uit het leven van de heilige Carolus Borromeus (1538-1584), met begeleidende teksten van Guido Gezelle, geflankeerd door Sint-Maarten en de aartsengel Michaël en overspannen door twee houten kruisribgewelven. De wandschilderingen, door de Duitse schilder August Martin (1837-1901) aangebracht in 1869-1870, zijn afbeeldingen van taferelen uit de geschiedenis van Vlaanderen, patroonheiligen van het Brugge uit de middeleeuwen en de kardinale deugden. Deze schilderijen passen in een totaalconcept waarbij de kunstenaar eveneens kleur en uitzicht van de stoffering van het salon bepaalt. De stijl ervan is geïnspireerd op de Rijnlandse (geboortestreek van de schilder) kunst uit de 14de en 15de eeuw. De 'oud-Vlaamse' onderschriften zijn van Guido Gezelle. In de zuidwesthoek van het salon staat een huisorgel gebouwd door orgelbouwer Louis Hooghuys (Brugge). Het ontwerp, geïnspireerd op voorbeelden zoals te zien op schilderijen van de Vlaamse primitieven, zou van August Martin zijn, de uitvoering door Charles Lenoir, opvolger en leerling van Charles Van Robays.

Het rood salon of salon Karel de Goede vormt als herensalon (biljartkamer, de keuze van de rechtvaardige Karel de Goede als patroon) de tegenhanger van het damessalon. De schouw is hier versierd met taferelen uit het leven van Karel de Goede. De gesculpteerde wapenschilden op de balksleutels zijn geïnspireerd op de 15de-eeuwse voorbeelden van het Brugse Hof Bladelin (zie Brugge).

In de aansluitende wintertuin, onder een dennenhouten gewelf, staat een Lourdesgrot.

De eetkamer is het meest sobere van de drie pronkvertrekken. Met als blikvangers de schouw, enkel versierd met maaswerk en een madonnabeeld onder baldakijn, en de ingebouwde buffetkast.

Het zogenaamd 'klein kwartier' bevat de eigenlijke woonvertrekken (het klein bureau, de kleine eetkamer, het klein salon) met een eenvoudige aankleding, uiteraard in neogotische stijl.

In het dienstgedeelte is de keuken ingericht als een functionele, hygiënische ruimte met hardstenen vloer, bepleisterde muren, brede schouw met een voor die tijd geavanceerde cuisinière. Voorts bestaan de andere dienstruimtes onder meer uit een office.

Op de eerste verdieping zijn de slaapruimtes van het 'corps de logis', toegankelijk via de galerij, aangeduid als 'les beaux appartements', het verblijf van de familie en de eregasten. Hier is de belangrijkste ruimte het 'appartement à coucher', bestaande uit een kamer op de zuidwesthoek met uitzicht op het park en met toegang tot de loggia. Deze slaapkamer was de vaste slaapplaats van de familievriend Monseigneur Nardi, maar tevens, tijdens zijn kort verblijf in 1918, de slaapkamer van Koning Albert I. Het tweede onderdeel, het verblijf van de familie, is een appartement aan de achtergevel bestaande uit vier kamers. Alle kamers, met witbepleisterde muren, zijn sober met eenvoudig versierde schouwen, planken vloeren, moer- en kinderbalken met versierde balksleutels en hoge vleugelramen met glas-in-lood en halve luiken.

Ten oosten van de galerij is de twee verdiepingen hoge, eenbeukige kapel met driezijdige apsis gelegen. Bepleisterde en roze beschilderde muren onder een blauw beschilderd, houten spitstongewelf versierd met religieuze motieven. Vloer met wit-blauwe cementtegels met geometrisch patroon en rozetten. Op de tweede verdieping een tribune vanwaar het personeel de dienst kon bijwonen. In de zijwanden telkens een segmentboognis. Koorwanden versierd met beschilderd damastmotief. Glasramen van Jean Bethune met voorstelling van de patroonheiligen van de familie.

Ook de zogenaamde gastenkamers op de tweede verdieping van het 'corps de logis' zijn op dezelfde wijze aangekleed en dienen wellicht ook voor de familie en haar gasten.

In de zolder van het 'klein kwartier' zijn de kamers van de dienstboden gehuisvest.

Meubilair. Meubilair, smeedijzer, textiel wordt in belangrijke mate ontworpen door Jean Bethune.

Belangrijke verzameling van 'archeologische' neogotische, houten meubels waarschijnlijk hoofdzakelijk ontworpen door Jean Bethune en vaak geïnspireerd op middeleeuwse voorbeelden uit Vlaanderen onder meer de meubelen van het Brugse Sint-Janshospitaal en de Potterie. Het atelier van Charles Van Robays zorgt voor de uitvoering zoals onder andere van de biljarttafel, een ontwerp van Bethune. Twee ladentafels met wapenschilden, uitgevoerd in hout van christusdoorn, wijken met hun 'expressionistische' vormentaal van het strikt neogotische af.

Smeedijzeren luchters, hoofdzakelijk uitgewerkt als middeleeuwse geweikronen uitgevoerd door Severinus Heyndrickx (Schelderode) en Edward De Vooght (Brugge). Voorts haardplaten waarop afbeeldingen van Bijbelse taferelen, verband houdend met vuur, en neogotische vuurbokken.

Glasramen in de salons (heraldische taferelen) en in de kapel van Jean Bethune, figuratieve medaillons in salon en eetkamer van Florimond van de Poele en Arthur Verhaeghen, medaillons met de hymne van Karel de Goede door Arthur Verhaeghen. Decoratief schilderwerk, overwegend verzorgd door Adrien-Hubert Bressers. Portretten van de bouwheer en zijn echtgenote, geschilderd door J. Anthony, bevinden zich in de eetkamer.

Naast het speciaal ontworpen meubilair beschikt het kasteel over belangrijke collecties schilderijen (Vlaamse Primitieven, 16de-, 17de-, en 19de-eeuws), beeldhouwwerk (14de-16de eeuw), toegepaste kunsten (vanaf de 16de eeuw). Deze collecties behoren van oudsher tot het patrimonium van de verschillende families of zijn in de loop van de 19de en de 20ste eeuw verworven.

Hofstede zogenaamd "Pastoriegoed". Kasteelhoeve uit het einde van de 18de eeuw, gebouwd door de toenmalige eigenaar Clément de Potter. Gelegen ten oosten van het kasteel. Pieter Baes is de eerste pachter, waarschijnlijk vanaf 1795. In een schuurbalk staat "P. BAES 1802" ingekerfd. De hoeve wordt van 1835 tot 1853 uitgebaat door Jan Deketelaere en Anna Janssens. Ondertussen is het kasteeldomein bezit geworden van de familie van Caloen en wordt de hoeve door enkele dagloners uitgebaat. Het boerenhuis wordt nauwelijks nog bewoond. Circa 1860 krijgt het erf een gesloten bebouwing. In 1934 wordt de hoeve opnieuw verpacht aan Oscar Vandewalle en Lucie Claeys. In 1975 wordt hun zoon Georges parkwachter en de boerderijgrond aan meerdere mensen verpacht.

Bijgebouwen ongeveer uit dezelfde periode als het kasteel. Het eilandje met het kasteel is omringd door grachten en een vijver en is toegankelijk via een poortgebouw met brug (1862). Verankerde baksteenbouw onder zadeldak (leien), op elke hoek overhoekse geplaatste, verjongende steunberen. Spitsboogpoorten met erboven twee rechthoekige vensters in een spitsboognis, glas-in-lood. Aan de ingang liggen twee halfronde, arduinen bollen. Doorgang overspannen met een stenen kruisribgewelf met op de sluitsteen het wapen van de Gourcy. Bakstenen boogbrug, balustrades met arduinen dekplaten. De zolder, met vlieggaten, diende als duiventil.

Een bakstenen boogbrug met gekasseid wegdek en balustrades onder arduinen dekplaten leidt naar het koetshuis met koetsierswoning, stallingen, manege en bibliotheek gegroepeerd rond een rechthoekige, formele binnentuin (Italiaanse tuin).

Koetshuis met koetsiersverblijf en stallingen (1861) in verankerde baksteen onder zadeldaken (leien) met verschillende nokhoogten. De koetsierswoning van twee bouwlagen is in dezelfde Vlaamse stijl uitgevoerd als het kasteel, gekenmerkt door gebruik van boognissen, kruis, klooster- en bolkozijnen en dakvenster. Stallingen met eenvoudige segmentboogvormige poorten.

Een petit donjon (1875), in oorsprong bedoeld als duiventoren, verbindt de stallingen met de manege. Vierkant poortgebouw onder tentdak met verhoogde, houten lantaarn onder ingesnoerde naaldspits. Brede segmentboogpoorten met erboven een dakvenster met bolkozijn. Uurwerk en windwijzer van Edward De Vooght. De manege (1862), overdekt met een schilddak (leien), werd in 1875 door Bethune 'verbeterd' door de toevoeging van de dakkapellen. Laag gebouw met telkens tussen de rechthoekige vensters (bolkozijnen met glas-in-lood) steunberen uitgewerkt als sokkels met borstbeelden.

De bibliotheek (1949), tegenover de manege, is ontworpen door architect Luc Viérin in de geest van Jean Bethune.

Kasteelpark Historiek Op het moment van aankoop in 1756 door de familie de Potter heeft het tracé van de omwalling en binnenwal van het pastoriegoed een onregelmatig verloop, zoals te zien op een figuratieve kaart opgemaakt in datzelfde jaar door landmeter C. Verhaeghe. Palend aan het domein liggen pastoriegronden en ten oosten ervan het Balanderbos. In 1760 vergroot de weduwe de Potter haar eigendom door aankoop van het noordwestelijk gelegen "Paepelandt".

Op de Ferrariskaart (1770-1778) staat de site getekend met andere bebouwing binnen een rechthoekige omwalling. Er zijn geen concrete data of namen gekend van bouw en heraanleg van respectievelijk het neoclassicistische kasteel en de omringende tuin. Dankzij de Franse bezetting kan de toenmalige eigenaar Clément de Potter (1759-1824) circa 1800 de aanpalende pastoriegronden verwerven. Het eiland, met kasteel, hofstede en hovenierswoning, is toegankelijk via twee bruggen.

Volgens een perceelsplan van 1809 scheiden twee parallel lopende dreven het park af van het platteland. Aan de zuidkant van het kasteel lag binnen de kleine omwalling een 'parterre'. Een brug over de omwalling leidt naar de 'jardin anglais'. In 1812 kan Clément de Potter het "hulstbosch" van vier ha groot verwerven, waardoor het park uitzicht krijgt op een horizon. Er bestaan meerdere ontwerpen van een tuin- en parkaanleg in een stijl 'anglo-chinois', typisch voor de Engelse landschapsstijl met rustieke folies en Chinese fantasieën. Het is niet duidelijk wat van dit alles werd gerealiseerd. Bij het overlijden in 1824 van Clément de Potter komt het domein in handen van de familie van Caloen-de Potter. Op een akte is dan onder meer sprake van een kasteel met omwallingen, Engelschen hof, lusthof, hovingen, wandelingen en een dreef.

Wanneer de familie van Caloen-de Gourcy in 1848 het domein erft is de toestand van tuin en park nagenoeg ongewijzigd. De familie van Caloen doet in 1851 een beroep op de Luikse tuinarchitect Jean Gindra die meerdere ontwerpen maakt. De stijl sluit aan bij de Engelse landschapsstijl gekenmerkt door kronkelende waterpartijen, waarlangs bochtige wandelpaden die afwisselend uitzicht bieden op verschillende soorten beplantingen en uitzichten. Als lid van de Gentse Société d'Horticulture et de Botanique heeft het echtpaar contact met vooraanstaande tuinbouwers voor het leveren van loof- en naaldbomen, azalea's, rododendrons en orchideeën. De heraanleg van het park is voltooid circa 1861.

In de aanleg blijven een aantal oude elementen bewaard zoals de oude dreven, omwalling, boomgaard, moestuin en het perspectief van en naar het kasteel. De omwalling wordt omgevormd tot een grillig meer waarin op een eiland het kasteel. Het park is een geheel van ovale graspartijen afgezoomd met boom- en struikpartijen.

Achthoekig paviljoen in bruine baksteen onder kegeldak (leien). Rechthoekige muuropeningen onder strekken, met deuropening of opengewerkt met ovale oculi.

Aan de voorzijde van het kasteel staan vier beelden opgesteld. Ze zijn afkomstig van het kasteel van Lilaere (Sint-Maria-Oudenhove nabij Brakel) en zijn hier in 1935 opgesteld. Twee zandstenen beelden uit het midden van de 18de eeuw met voorstelling van Bacchus en Neptunus zijn van een onbekende beeldhouwer. De twee andere beelden met de voorstelling van Apollo en een Atalanta zijn van de hand van de Amsterdamse beeldhouwer Ignatius van Logteren (1685-1732), en dateren uit het eerste kwart van de 18de eeuw. Op de sokkel met opschrift "I.V.LOGTERE". Een vijfde beeld is van de Brugse beeldhouwer Pieter Pepers (1730-1785) met voorstelling van de allegorie van de tuinbouw uitgebeeld door een zittend meisje. Het beeld zou dateren van 1785 en is afkomstig van de tuin van zijn woonhuis langs de Sint-Annarei (zie Brugge).

In de noordhoek van het park, tegen de Steenbrugsestraat, ligt het doolhof, in 1873 waarschijnlijk ontworpen door de jonge Albert van Caloen en met behulp van zijn broer Ernest en de huisleraar, abbé Vandermeersch gerealiseerd. In 1892 stelt Albert van Caloen het doolhof open voor vrienden, nog later is het ook toegankelijk voor het grote publiek en groeit het uit tot een populair attractie. Op een oppervlakte van 20 are worden de gangen gevormd door hagen van groene en rode beuk met centraal een boom. Het park bevat een ijskelder.

  • ARCHIEF RUIMTE EN ERFGOED – AFDELING WEST-VLAANDEREN, Archiefnr. W/00596, W/01059.
  • AROHM, Monumenten en Landschappen, Landschapsatlas, 2001, OC GIS-Vlaanderen.
  • CORNILLY J., Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel II: Arrondissementen Brugge, Diksmuide, Oostende en Veurne, Brugge, 2005, p. 275-276.
  • VAN CALOEN V., VAN CLEVEN J., BRAET J., Het kasteel van Loppem, Oostkamp, 2001.
  • VERVENNE A., Oude hoeven, herbergen en molens en hun bewoners te Loppem, Loppem, 1976, p. 26-28.

Bron: Van Vlaenderen P. & Vranckx M. 2010: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West- Vlaanderen, Gemeente Zedelgem met deelgemeenten Aartrijke, Loppem en Veldegem, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL47, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Van Vlaenderen, Patricia & Vranckx, Martien

Relaties