Geografisch thema

Onze-Lieve-Vrouwekwartier

ID: 14694   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14694

Beschrijving

Afbakening en typische bestanddelen in de stadsstructuur tijdens het ancien regime

Met zijn oppervlakte van 34 hectare sluit dit kwartier ten noorden aan bij de eerste omwalling met de Gruuthusebrug en de Dijver en ten zuiden bij de tweede omwalling met de Begijnenvest; ten oosten wordt het begrensd door de Reie en het Minnewater en ten westen door de Koning Albert I-laan en het gelijknamige park. Bepalend in het gebied is het verloop van de Reie waaraan de belangrijkste en oudste historische gebouwen liggen met hun omgevende ruimten en landerijen. Van noord naar zuid zijn dat, op de linkeroever: de Onze-Lieve-Vrouwekerk, hier gesitueerd sinds de 9de eeuw, wat bevestigd wordt door opgravingen onder het koor die in 1979 grafkuilen uit de 9de eeuw hebben blootgelegd; het Sint-Janshospitaal, gelegen tegenover de kerk sinds de 12de eeuw en de locatie van het Begijnhof dat teruggaat tot het tweede kwart van de 13de eeuw. Ten zuiden van het Begijnhof vertakt de Reie zich aan de westzijde in een rei die tot het Capucienenreitje loopt; op die eerste rei sluit de gracht rond het Begijnhof aan terwijl het Capucienenreitje, dat gelijkloopt met de huidige Koning Albert I-laan, de eerste en de tweede stadsgracht verbindt. De kaart van Marcus Gerards (1562) toont nog verdere aftakkingen die de meersen ten zuiden van het Begijnhof bevloeien; aan de voet van de stadsmuur sluit een waterreservoir met sluizensysteem met aan zijn westzijde een windmolen, aan bij het Capucienenreitje. Gelijklopend met dit reitje lopen doorheen dit lage, waterrijke gebied twee assen in noord-zuidelijke richting, met name de West- en de Oostmeers verbonden door haakse dwarsstraten die de bouwblokken van verschillende afmetingen aflijnen. Wat ze gemeen hebben is hun dichte bebouwing op kleine percelen aan beide zijden van de straat. Op de Oostmeers komt de haakse weg van het Zonnekemeers uit dat via zijn brug over de Reie het Walplein bereikt. De grote complexen zijn hierdoor opgenomen en gescheiden door een netwerk van straten: de Mariastraat scheidt de kerk met aanpalende noorder- en zuiderkerkhoven van het uitgestrekte domein van het hospitaal, dat zijn oorspronkelijke oppervlakte van 4 hectare tot vandaag heeft behouden.

Op de rechteroever van de Reie splitst zich een reitje af dat gelijkloopt met de Dijver en overbrugd wordt door Groeninge. Marcus Gerards tekent aan de Dijver, tussen Groeninge en de Eekhoutstraat, een aaneengesloten bebouwing met aanpalende beboomde tuinen bezaaid met achterhuisjes en paviljoentjes. Het opvallend grote pand van de Heren van Gruuthuse, met een complexe woning met 15de-eeuwse kern, opgetrokken tussen het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Reie en zijn aanpalend domein met tuin dat tot Groeninge reikt, geeft hij gedetailleerd weer. Hetzelfde geldt voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk die als parochiekerk wordt vermeld sinds 1089 en tijdens de eerste helft van de 16de eeuw afgewerkt is, haar hoge toren met spits en flankerende hoektorentjes incluis.

De kaart van Marcus Gerards geeft ook een beeld van de achtergevels of westzijde van de 13de-eeuwse ziekenzalen en de aanpalende zustervleugel, ook gerieflijk gebouwd aan de Reie die via een ombuigend reitje tot op de binnenplaats binnendringt.

In het opgetekende beeld van het omgrachte Begijnhof domineert de georiënteerde, driebeukige kerk met een dakruiter uit het midden van de 13de eeuw; haar koor paalt nagenoeg aan de Reie en haar westgevel aan het beboomde plein met omringende huizen. De brug over de Reie en de poort liggen ten noordoosten van de kerk; ten zuiden ervan leidt een brug over de Reie naar de bebouwing die aansluit bij de meersen; een poortje en een brug aan de westzijde komen hier uit op het uiteinde van de Oostmeers.

De bestemmingen van de drie hoofdcomponenten blijven behouden in de 17de en de 18de eeuw, wat niet wegneemt dat de gebouwen zelf aan wijzigingen en uitbreidingen onderhevig zijn. Voor de patriciërswoning van de heren van Gruuthuse is dit niet het geval: wanneer ze in verval raakt, wordt ze in 1596 opgekocht door de Spaanse koning Filips IV die ze schenkt aan W. Cobergher: als stichter van de Bergen van Barmhartigheid zal hij er in 1628 een Brugs filiaal in onderbrengen en hiertoe, als architect, enkele aanpassingen en uitbreidingen doorvoeren die A. Sanderus met aandacht voor de houten galerij over de Reie en de aanpalende tuin laat optekenen in 1641. Later, in 1662, wordt het huis afgesplitst van de rest van het domein ten oosten ervan. Hier komt , door het overbouwen van de Reie, de kern van het Arentshuis dat in loop van de 18de eeuw nagenoeg zijn huidige vorm van een ruim classicistisch herenhuis zal krijgen met aanhorigheden, tuin en paviljoen.

Tijdens de 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw zullen de vroegere smalle panden verder worden samengevoegd om er naar Franse mode stijlvolle "hotels" te bouwen, zoals het huis nummer 7 van circa 1780 waarvan de kern in de tweede helft van de 16de eeuw de relikwie van het Heilig Bloed heeft verborgen. Voordien, in 1749, had ook de proosdij van Onze-Lieve-Vrouw zich aan de Dijver in een stijlgebonden gebouw gevestigd waarvan het poortgebouw nog bestaat (nummer 12).

Overgang naar de 19de eeuw en latere wijzigingen

Als gevolg van de verplichting onder Jozef II om vanaf 1784 de kerkhoven in de binnenstad af te schaffen, verdwijnen ook de begraafplaatsen aan de noord- en zuid zijde van de Onze-Lieve-Vrouwekerk; de open ruimten blijven echter bestaan. Aan de zuidkant herinnert de naam van de aanpalende gebogen straat nog aan de historische bestemming, aan de noordkant wordt de naam "Onze-Lieve-Vrouwekerkhof Noord" in 1963 vervangen door Guido Gezelleplein. Nu geeft een omheiningsmuurtje de historische omtrek aan. Tijdens het Franse Bewind wordt het Sint-Janshospitaal als verzorgende sociale instelling behouden maar het beheer wordt vanaf 1796 overgedragen aan de "Commissie voor de Burgerlijke Hospitalen". In 1798 valt het Begijnhof hetzelfde lot te beurt gezien het wordt beschouwd als caritatieve instelling. In tegenstelling met andere steden, worden te Brugge de begijnen niet verjaagd maar wel tot 1803 en 1814 verhinderd hun religieus leven behoorlijk te hernemen.

De toestand van het bodemgebruik in de eerste helft van de 19de eeuw is goed weergegeven op de Poppkaart van 1865. Grosso modo is het patroon van straten, bebouwde en onbebouwde omgeving in het kerngebied niet veranderd. Op het domein van het Sint-Janshospitaal, geïdentificeerd als "Hôpital civil St Jean", zijn de historische gebouwen aan de Mariastraat opgetekend samen met enkele aanhorigheden als een brouwerij, schuren en een grote boomgaard en moestuin reikend tot aan de achterkant van de bebouwde percelen van de Oostmeers.

Het Begijnhof is hier nog omringd door zijn meersen, die aan de zuidzijde doorlopen lot aan de dubbele omgrachting van de Begijnenvest met twee windmolens op hun molenberg. Ingrijpend in de structuur van de stadsrand en zijn omwalling is wel hel tracé van de doorgetrokken spoorweg Gent-Brugge-Oostende: sinds 1837-1838 loopt liet in zuid-noordelijke richting doorheen de zuidwestelijke blekerijvelden van de binnenstad tot aan het in 1841-1844 opgerichte station aan de Vrijdagmarkt, en bereikt verder de Bloedput via een gebogen verloop dat overgenomen is door de huidige Hoefijzerlaan. Het Onze-Lieve-Vrouwekwartier wordt hierdoor afgescheiden van het binnen de tweede omwalling gelegen West-Bruggekwartier. De spoorlijnen doorbreken tweemaal de Begijnenvest, ter hoogte van de huidige, zich vertakkende Koning Albert I-laan met de "chemin de fer de la Flandre occidentale" aan de meest zuidwestelijke zijde. Dit tracé zal blijvend zijn stempel drukken op dit deel van de binnenstad: na het verleggen van het station van 't Zand naar de huidige locatie buiten de stadsomwalling in 1939, wordt het de Stationslaan, die later Koning Albert I- laan wordt genoemd en nu deel uitmaakt van de binnenring; sinds de jaren 1940 wordt die hier aan de oostzijde afgeboord door het toen aangelegde Koning Albertpark.

Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw worden in het Onze-Lieve-Vrouwekwartier de meest bepalende gebouwen opgetrokken die alle verband houden met de uitbreiding en specialisatie binnen de medische sectoren de rol van het Sint-Janshospitaal. Op het domein zelf komen van 1856 tot 1858 de nieuwe ziekenzalen tot stand die de plaats innemen van de vroegere brouwerij, de tuin en andere kleine bouwsels aan de Zonnekemeers, op de grens van het domein, komt in 1863 een bedrijfsgebouw te liggen. Gespecialiseerde medische instellingen volgen vanaf het begin van de 20ste eeuw: in 1908-1010 wordt een kraamkliniek gebouwd aan de Oostmeers nummer 17 waar ze vier kleine huisjes vervangt, in 1913 komt een oogkliniek achter de gevels van de Mariastraat nummer 36 tot stand en in de jaren 1920 een aansluitend gebouw voor de verzorging van neus, keel en oren.

Anderzijds treedt de Commissie van Burgerlijke Godshuizen vanaf de jaren 1880 op als opdrachtgever voor de bouw van een gasthuis voor oude vrouwen waarvoor een nieuwe, met de Begijnenvest gelijklopende straat zal worden doorgetrokken doorheen het zuidelijke deel van de Begijnhofmeersen. Wanneer de nu zogenaamde Minnewaterkliniek in 1935-1940 wordt gevoegd bij het Sint-Janshospitaal, zal een verbindingsweg worden aangelegd met een viaduct over Zonnekemeers. In diezelfde periode wordt aan de noordzijde, op het hoekpand van de Oostmeers, het Sint-Jansinstituut voor verpleegkunde opgericht.

De nieuwe, nu zogeheten Professor Sebrechtsstraat, kort het domein van het Begijnhof en zijn zuidelijk straatje over het reitje in met één huisje palend aan nummer 54; zijn zijgevel wordt dan omstreeks 1890 aan de straatzijde afgewerkt met blinde vensternissen en de aanpalende moestuinen afgeboord met een bakstenen muur en poort.

Omstreeks die jaren begint het Begijnhof aan leegstand te lijden - in 1905 leven er nog maar zeven rentenierende begijnen - en worden enkele huizen verhuurd aan seculiere vrouwen. Na de strubbelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog vervoegt een religieuze gemeenschap aanleunend bij de benedictinessenorde de nog aanwezige begijnen. Na de stichting in 1935 van de "Vrienden van het Brugs Begijnhof' en de opening van het Begijnhofmuseum in het huisje naast de poort, worden aan de westzijde van het plein het Monasterium en de kloostergang bijgebouwd evenals de muren en de duiventil die een aantal voortuinen van de noordzijde afsluiten en vermooien en het gewild schilderachtige karakter van het ensemble accentueren.

In de aanpalende buurt van de Oost- en Westmeers met verbindende straten blijven de kleine parcellering en de volkshuisvesting die ze van oudsher typeren, voortbestaan op enkele uitzonderingen na. Vanaf het einde van de 18de eeuw en hoofdzakelijk tijdens de 19de eeuw komen hierbij enkele beluiken of forten van verschillende omvang en type. Het oudste blijkt het "Fort Piessens of Meese" te zijn aan de Westmeers nrs. 93-111. Aan de straat stonden vijf 17de-eeuwse lage huisjes met een Vlaamse gevel en achterin tien kleine woningen van 1815, opgetrokken rond een binnenplein dat via een donkere gang bereikbaar was. Voorts worden er aan de Oostmeers een vijftal forten vermeld en aan de Westmeers twee. Het "Fort Verstraete" ter hoogte van Oostmeers nummer 5, tegenover Sint-Jan in de Meers was met zijn 21, tussen 1850 en 1853 gebouwde woningen wel het grootste. Typologisch sluit het aan bij het steegbeluik met L-vormige binnenplaats waar een doorgang naartoe leidde die aan de straatzijde voorzien was tussen het eerste en de andere twee huisjes. Na heel wat perikelen wordt het volledige pand in 1886 aangekocht door de "Parochiale Werken van Onze-Lieve-Vrouw" en vervangen door de nieuwgebouwde zondagsschool. Andere forten zoals "De Groote Poorte", Oostmeers nummer 114 of "De Rozenhoed", Oostmeers nummers 38-44, bestonden respectievelijk uit één of vier rijhuisjes die wat de laatstgenoemde betreft nog als individuele woningen behouden zijn. Het "Fort Van Hoorebeke," gelegen aan de westzijde van de Westmeers, schuin tegenover de Koolbrandersstraat, behoort met zijn drie huisjes gebouwd tegen de zijmuur van de binnenplaats van een bestaande woning, tot het gereduceerde en bescheiden type van steegbeluik.

De evolutie van het "Fort Benninck", dat een perceel innam tussen de Oost- en Westmeers en gelijkliep met het aanpalende Capucienenreitje, kan vanaf 1800 tot de jaren 1880 worden gevolgd: vanaf die tijd wordt het gedeeltelijk gesloopt en uiteindelijk volledig ingenomen door de mouterij Gauwe, die er een uitstekende locatie vindt aan een waterloop.

De Zonnekemeers groepeert vanaf de 19de eeuw bedrijfsgebouwen - zoals een stokerij en een meelfabriek - aan het Bakkersreisje en volkshuisvesting ten westen ervan. In 1850 wordt hier het "Fort Wevershof" opgetrokken, dat met 34 huisjes het grootste beluik van de stad wordt en bestaat uit 16 woningen ingericht in bestaande werkplaatsen en 18 nieuwe. De resterende 18de-19de-eeuwse werkhuizen zullen worden betrokken door de meubelfabriek Claeys, die op het hoekpand, aan de straat, een woonhuis met een winkel laat optrekken in 1911.

Door het verder samenvoegen van percelen en het optrekken van stijlvolle, brede 19de-eeuwse herenhuizen aan de Dijver profileert dit deel van het oosten van het Onze-Lieve-Vrouwekwartier zich als betere buurt voor de hogere klasse. Deze scenografie contrasteert met die van de achterliggende straten, zoals Groeninge waar het oude stramien is behouden en nog sporadisch pakhuizen en bedrijfsgebouwtjes staan.

In de typische sfeer van het laatste kwart van de 19de eeuw groeit de belangstelling voor deze omgeving en meer bepaald voor de grote "middeleeuwse" monumenten die aan herbestemming en restauratie toe zijn. Op aandringen van het Oudheidkundig Genootschap dat een geschikte plaats zoekt om de verzamelingen van de Stadshal te herbergen, zal de Stad in 1875 het Huis van de Heren van Gruuthuse aankopen en het laten restaureren tussen 1883 en 1893. Na het verwerven van deze collectie wordt Gruuthuse vanaf 1955 ingericht als Stedelijk Museum voor Oudheidkunde en Kunstnijverheid. In deze context past ook, in 1906-1908, de onteigening van het aanpalende Arentshuis: vanaf 1910 wordt het laatclassicistische herenhuis opengesteld als museum met tentoonstellingsruimten. Twee jaar later wordt ook de tuin ontsloten en een parcours aangelegd dat via het nieuwe Bonifatiusbrugje over de Reie leidt naar het groen achter het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk; van daaruit loopt één pad verder langs Onze-Lieve-Vrouwekerkhof Zuid tot het Sint-Janshospitaal aan de Mariastraat, terwijl het andere uitkomt aan de noordzijde van de kerk en de binnenplaats van Gruuthuse. In diezelfde openbare tuin wordt een doorgang voorzien naar het in 1929-1930 opgerichte Groeningemuseum dat nog een achterin gelegen deel van de gronden van de verdwenen Eekhoutabdij inneemt; hier zullen de collecties worden tentoongesteld van de 18de-eeuwse Academie voor Teken- en Schilderkunst en van het in 1898 opgerichte Museum voor Moderne Kunst. Aan de Dijver wordt hiermee het laatste stuk ingevoegd van een onverwachte puzzel waarin gebouwen uit verschillende periodes aangenaam afwisselen met het groen van vroegere tuinen en domeinen en noden tot een "kunst- en architectuurwandeling".

In het tussengebied, richting Mariastraat, ondergaat de imponerende Onze-Lieve-Vrouwekerk vanaf het begin van de 19de eeuw opeenvolgende restauraties en aanpassingen die zowel het exterieur als het interieur bepalen zonder haar oorspronkelijke bestemming als parochiekerk te wijzigen. De herstellingen en restauraties van de middeleeuwse ziekenzalen van het Sint-Janshospitaal (1853, 1895-1913) leiden niet onmiddellijk tot hun herbestemming. Na de verhuizing naar de nieuwe bouw van 1855-1858 wordt hun afbraak even overwogen maar ten slotte opgegeven en worden ze als stapelplaats gebruikt. Pas in 1939 worden onder meer schilderijen van Memling in de opengestelde kapittelzaal van het zusterklooster ondergebracht. Later zullen ze, volgens plannen van 1949-1961, terechtkomen in het gedeelte van de zuidelijke ziekenzaal dat aan de straat paalt en waarvan ook de gevel aan de Reie wordt gerestaureerd. Deze museale opzet wordt in 1972 verruimd tot het opnemen van de oude apotheekgebouwen in het plaatsbezoek.

Recente ontwikkeling

In 1972 vergelijkt het Structuurplan het Onze-Lieve-Vrouwekwartier in zekere mate met het Seminariekwartier door de tot stand gekomen "Culturele spie" die het kwartier beheerst en de resterende kleinschalige bewoning die zich hoofdzakelijk concentreert in de strook van de Oost- en Westmeers. Opvallend is dat bij de evaluatie en aanbevelingen de toen nog functionerende Minnewaterkliniek als storend en buitenschalig element wordt ervaren, ook al omdat ze bij het begin ligt van de "toeristisch culturele wandeling" die het Begijnhof aandoet en verder de Musea. Bij de aangekondigde verhuis van het Sint-Janshospitaal wordt gewaarschuwd voor de nefaste gevolgen van een grote parkeerplaats op dit domein. Voor het woongebied Oostmeers-Westmeers wordt aangedrongen op het saneren en het inbrengen van pleintjes met de overbrugging van de Capucienenrei ten behoeve van de voetgangers.

Interessant om te zien is hoe een dertigtal jaar later deze aanwijzingen zijn opgevolgd. Opvallend is enerzijds de valorisatie en de ontwikkeling van de "Culturele spie" en anderzijds de zorg voor de verbetering van de leefbaarheid van de buurt en haar bewoning.

Grote complexen aan de wandelas, zoals de herbestemde Minnewaterkliniek en het volledige Begijnhof, zijn sinds 1996 als monument beschermd en opgenomen in het stadsgezicht van hun omgeving dat nog drie andere monumenten bevat. Het Begijnhof zelf is sinds 1972 in het bezit gekomen van de Stad en sinds die periode tot 2002 fasegewijs gerestaureerd, met inbegrip van de kerk. Het ensemble herbergt nog steeds de kloostergemeenschap in haar eigen gebouwen terwijl huizen en erin ondergebrachte studio's en flats worden verhuurd aan religieuze verenigingen en alleenstaande dames.

In de cluster tussen de Mariastraat en de Dijver is, na het overbrengen van het ziekenhuis naar de nieuwe bouw van Sint-Pieters in 1976, veel aandacht besteed aan de herbestemming van het Sint-Janshospitaal met zijn aanhorigheden en omgeving van 4 hectare. Het middeleeuwse hospitaal wordt fasegewijs gerestaureerd in de jaren 1980 met een groeiend aandeel van de museale bestemming waarbij de schilderijen van Memling worden overgebracht naar de kerk en de Sint-Corneliuskapel. Na de gevelrestauratie komt van 1996 tot 2001, in het vooruitzicht van Brugge 2002, het volledige interieur aan de beurt om er museum- en tentoonstellingszalen in te richten. Na heel wat polemieken over het al dan niet "redden" van het 19de-eeuwse ziekenhuis starten in 1991 de renovatie en de aanpassing als Onthaalcentrum, Kunstencentrum en multifunctioneel ensemble. Intussen zijn voor bestaande aanhorigheden gepaste nieuwe functies gevonden: zo wordt de voormalige kraamkliniek aan de Oostmeers sinds 1978 betrokken door de stedelijke Dienst Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening, en worden de gebouwen aan de Mariastraat in de jaren 1980 gebruikt door de dienst Archeologie en een paar museumdiensten. Sinds 1997 herbergt het huis nummer 36 het Archeologisch Museum.

De buitenruimte is deels als parkeerplaats aangelegd en deels van groen en terrassen voorzien voor de aanwezige horeca, waarbij een voetgangersdoorgang aangelegd is van de Mariastraat naar de Oostmeers en een andere naar de Zonnekemeers.

De groep van Musea aan de Dijver heeft ook, in het vooruitzicht van Brugge 2002, een aanpassings- en opknapbeurt gekregen. Het meest opvallend en belangwekkend is de reorganisatie van het Groeningemuseum, dat al in 1995-1996 was uitgebreid met nieuwe bouw en integratie van de neogotische kapel van het aartsbroederschap van de Heilige Franciscus-Xaverius uit 1876 .

De gevraagde aandacht voor de leefbaarheid en huisvesting in de Oost- en Westmeersbuurt is opgevolgd in passende projecten van verschillende omvang, gefinancierd door de openbare en de privésector.

Al in 1974 wordt een in het Structuurplan voorgestelde plan nagenoeg letterlijk gerealiseerd: aan de Westmeers komt, tussen de nummers 72 en 74, een ondergrondse parking met erboven een pleintje en een voetgangersbrug over het Capucienenreitje dat naar het Koning Albertpark leidt. In 1984 is de mouterij Cauwe van omstreeks 1888 aan de Oostmeers nummer 122 herbestemd als wooncomplex dat aansluit bij het saneren en herbouwen van rijhuizen aan de Oost- en Westmeers, met de herinrichting van de tussenruimten en groenvoorziening; deze toen innoverende realisatie waarin hergebruik is gecombineerd met bescheiden nieuwe bouw, werd in 1985 bekroond met de prijs van Europa Nostra.

De "Kunstige Herstelling" van het Wevershof in 1994-1996 past in het evoluerende beleid van het OCMW dat sinds 1936 eigenaar is van het Fort. De aanpak van de woningen gaat ook hier gepaard met de herwaardering van de inpandige ruimte maar eveneens met de aanleg van buurtgarages die met de wagen toegankelijk zijn aan de Oostmeers en voorts met een voetgangerspad verbonden zijn met het Wervershof en Zonnekemeers.

De toenmalige bedenking dat de meubelfabriek Claeys met haar opslagplaatsen storend werkt in de omgeving, is intussen opgevangen door het nog in uitvoering zijnde project waarbij het woonwinkelhuis en de werkhuizen worden geïntegreerd in een nieuwbouw met verschillende woonvormen die passen in het huisvestings- en herbestemmingsbeleid.


Bron     : Gilté S., Vanwalleghem A. & Van Vlaenderen P. 2004: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Brugge, Middeleeuwse stadsuitbreiding,Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 18NB Zuid, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Gilté, Stefanie, Van Vlaenderen, Patricia, Vanwalleghem, Aagje
Datum  : 2004


Relaties