Parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Brugge
Deelgemeente Brugge
Straat Mariastraat
Locatie Mariastraat zonder nummer, Brugge (West-Vlaanderen)
Status Bewaard

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Onze-Lieve-Vrouwekerk

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

is beschermd als monument Parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw

Deze bescherming is geldig sinds 25-03-1938.

Beschrijving

Georiënteerde, gotische kerk gelegen aan de oostzijde van de Mariastraat. Ten noorden en ten zuiden voormalig kerkhof afgeschaft in 1784; aan zuidkant is de naam Onze- Lieve-Vrouwekerkhof Zuid behouden, aan noordkant wordt naamgeving Onze-Lieve-Vrouwekerkhof Noord in 1963 vervangen door Guido Gezelleplein, Aan oostzijde plantsoen grenzend aan de achtergevel van Gruuthuse. Voormalig kerkhof, aan noordkant afgeboord met lage arduinen muur, aan oostkant ingericht als parkje met leilinden en haagjes, bronzen beeld van de Spaanse humanist J.L. Vivès (1492-1540) van 1957 naar ontwerp van beeldhouwer R. Mateu (Spanje).

Circa 875: vermoedelijke stichting, aan de oever van de Reie, als hulpkerk van de parochie Sijsele. Het eerste bedehuis was wellicht een houten kapel. Tijdens opgravingen in het koor in 1979 zijn 9de-eeuwse grafkuilen blootgelegd.
1075: uit een bul van Gregorius VII met betrekking tot een betwisting over het patronaat van de kerk blijkt dat het Sint-Maartenskapittel van Utrecht de kerk reeds 200 jaar bezit.
1089: vermelding als autonome parochiekerk.
1091: stichting van een kapittel.
Derde kwart van de 11de eeuw-eerste kwart van de 12de eeuw: oprichting van een driebeukige Romaanse kerk.
1116: het Utrechtse kapittel verklaart de Onze-Lieve-Vrouwekerk onafhankelijk van de moederkerk in Sijsele. Kronieken vermelden een grote stadsbrand die ook de kerk teistert.
Tweede kwart van de 13de eeuw: start van een volledige herbouw waarbij de oude Romaanse kerk geleidelijk wordt vervangen, het driebeukige schip van vijf traveeën wordt opgetrokken in Scheldegotiek. Bij deze bouwcampagne hoort het pseudo-transept en de aanzet van de koorpartij.
1270-1280: hervatten van de werkzaamheden aan het koor. De verhoudingen van het schip worden nagevolgd in koor, kooromgang en straalkapellen; de vormgeving knoopt evenwel aan bij de "klassieke" Franse gotiek en is geïnspireerd op het koor van de Doornikse kathedraal. De bestaande kruisingspijlers worden geflankeerd door colonnetten die de bogen moeten schragen.
1270-tweede helft van de 14de eeuw: optrekken van de bakstenen torenromp die tot aan de uitbreiding van de zijbeuk aan drie kanten vrijstond.
1335: vermelding van herstellingen behelzen waarschijnlijk werken aan het middenschip: het vervangen van zuilen en scheibogen, plaatsen van gewelven en luchtbogen zoals aan het koor.
Tweede helft van de 14de eeuw: aanbouwen van de linker noordbeuk van vier traveeën. Het vooruitgeschoven deel aan de westkant laat vermoeden dat men aanvankelijk het schip over de hele breedte wilde vooruitbrengen.
Begin 15de eeuw: oprichten van de Heilige Kruiskapel aan de oostzijde van de toren.
1440: bouwen van de torenspits met hoektorentjes.
1448: bouwen van de Sint-Margrietekapel ten noorden van de kooromgang.
Midden 15de eeuw: bouwen van rechter zuidbeuk van vijf traveeën.
Circa 1465: aanbrengen van het Paradijsportaal in Brabantse laatgotiek aan de noordkant van de toren.
Circa 1472: plaatsen van de bidtribune van Gruuthuse ten noorden van de kooromgang.
1482: plaatsen van het praalgraf van Maria van Bourgondië in het koor.
Vóór 1483: bouwen van de van Overtveltkapel ten Z. van de kooromgang.
Vóór 1488: oprichten van de Pieter Lanchalskapel ten Z. van de kooromgang.
1519: herbouwen van de bouwvallige torenspits.
1524: plaatsen van de hoektorentjes op de toren en van een natuurstenen kroon op de spits.
1563: plaatsen van het praalgraaf van Karel de Stoute in het koor.
1759: slopen van de hoektorentjes van de toren.
1762: vervangen van het vroegere houten hanggewelf van koor en middenbeuk door de huidige kruisribgewelven. Uitbreken van de triforia van schip en koor, vervangen door eenvoudige nissen en bepleisteren.
1788: dichten van het westportaal van de noordbeuk.1806: verplaatsen van de praalgraven van Maria van Bourgondië en Karel de Stoute van het koor naar de Lanchalskapel.
1813-1817: herinrichten van de Lanchalskapel naar ontwerp van architect J.F. Van Gierdegom: vervangen van het 15de-eeuwse kruisribgewelf door een houten, vergroten van de vensters en aanbrengen van aankleding uit het eerste kwart van de 19de eeuw.
1818: verlagen van de torenspits met circa vijftien meter.
1827-1829: leggen van nieuwe vloeren in schip en koor.
1829: inrichten van het Paradijsportaal als doopkapel.
1830: Vervangen van de binnendeuren door het ijzeren hek afkomstig van de Lanchalskapel.
1853-1858: herbouwen onder leiding van stadsarchitect J.B. Rudd (Brugge) van de torenspits vanaf het eerste gewelf; de spits is nu smaller dan de vorige.
1871: onder leiding van stadsarchitect L. Delacenserie (Brugge) terugplaatsen van de hoektorentjes en balustrade van de torenspits.
1874: vrijmaken en restaureren van de muurnissen in de kooromgang en blootleggen van muurschilderingen uit de eerste helft van de 14de eeuw.
1896-1900: restaureren van alle bovenlichten waarbij de onversierde vensters worden voorzien van neogotisch maaswerk. Stadsarchitect C. De Wulf (Brugge) baseert zich hiervoor gedeeltelijk op het bewaarde maaswerk van het dichtgemetselde venster van de Heilige Kruiskapel.
1900-1904: C. De Wulf (Brugge) ontdekt bij voornoemde werken in het schip onder de in 18de eeuw aangebrachte nissen sporen van het oorspronkelijke triforium. Aan de hand daarvan maakt hij een gezamenlijk restauratie-ontwerp van de vensters en de 13de-eeuwse toestand van triforium in schip, transept en koor.
1903-1905: restauratie van het portaal aan de zuidelijke beuk door stadsarchitect C. De Wulf (Brugge).
1906-1908: restauratie van het triforium gaf de aanzet tot het heropbouwen van de westgevel door architect L. Delacenserie (Brugge). Voor deze grotendeels op hypothese berustende restauratie inspireerde hij zich op voorbeelden van de Scheldegotiek, onder meer voor de buitenloopgang op de Sint-Jakobs- en de Sint-Niklaaskerk te Doornik, het timpaan van het portaal en de schikking van de drielichten op de Sint-Kwintenskerk te Doornik.
1910-1911: restauratie van de Lanchalskapel waarbij het oorspronkelijke 15de-eeuwse uitzicht van gewelven en vensters wordt hersteld naar ontwerp van architect J. Viérin (Brugge). Toevoegen van een nieuwe sacristie in neogotische stijl.
1952-1954: restauratie van de luchtbogen door architect L. Viérin (Brugge).
1979-1980: plaatsen van de praalgraven in het koor, daaruit volgt in 1981 de ontdekking van 13de-14de-eeuwse grafkelders en fragmenten van veldstenen fundering, laatst genoemde is waarschijnlijk deze van de oostelijke koormuur van het Romaanse of vroeggotische koor; overbrengen van enkele 14de-eeuwse grafkelders naar de Lanchalskapel.
1984-1986: restauratie van het Paradijsportaal en inrichting naar ontwerp van architect L. Vermeersch (Brugge) als kapel en bezinningsruimte.
1999-2002: restauratie van alle gevels naar ontwerp van architecten L. en S. Vermeersch (Brugge). Restauratie van de torenspits naar ontwerp van architect T. Toussaint en technisch hoofdmedewerker M. Meulemeester, beiden van de Stad Brugge, Dienst Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening, Ontwerpbureau van Gebouwendienst.
2002: bij vooronderzoek ten behoeve van restauratie van het interieur worden belangrijke fragmenten van architectuurimiterende muurschildering en ondersteunende binnenafwerking ontdekt: onder meer uit de 13de eeuw en de 15de eeuw in het schip, uit het eerste kwart van de 14de eeuw in het transept, laatmiddeleeuwse polychromie onder meer in enkele kapellen in het schip.

De huidige plattegrond ontvouwt: een vijfbeukig basilicaal schip (eerste helft van de 13de eeuw - 14de eeuw -15de eeuw) van vijf traveeën, centraal westportaal geflankeerd door twee ronde traptorentjes, uitspringende noordelijke zijbeuk (tweede helft van de 14de eeuw). Het pseudo-transept vormt een bredere, zesde travee met aan de noordkant de vierkante toren (1270-tweede helft van de 14de eeuw) en het Paradijsportaal (1465), ten oosten de Heilige Kruiskapel (eerste kwart van de 15de eeuw). Het vijf traveeën tellende driebeukige koor (tweede helft van de 13de eeuw) heeft vijf straalkapellen en een driezijdige apsis; ten noorden ingebouwde zijkapellen (15de eeuw) en bidtribune van Gruuthuse (1472), ten zuiden sacristie (15de eeuw), Lanchals- (15de eeuw) en Van Overtveltkapel (tweede helft van de 15de eeuw).
De complexiteit van de plattegrond komt tot uiting in de volumewerking die "klassiek" zou kunnen aandoen maar evenwel afwijkt van dit patroon door de uitbreidingen en aanbouwsels. De middenbeuk onder zadeldak gestut door luchtbogen en de gebruikelijke aanleunende, zijbeuken onder lessenaarsdaken evenals de uitgebreide koorpartij sluiten aan bij de gebruikelijke typologie. Opvallend is uiteraard de rijzige, 122m hoge noordtoren en de bijkomende zijbeuken met eigen puntgevel en dito parallel zadeldak die het geheel zijn specifiek uitzicht en karakter verlenen.

Materialen. Zeer waarschijnlijk werd veldsteen van de Romaanse kerk hergebruikt in steunberen en de onderste muren van de noordoostelijke kapellen; tufsteen en veldsteen werd gebruikt in de westgevel. Doornikse steen in de westgevel, het triforium, zuilen, bogen en buitenmuur van de loopgang voor de bovenlichten en in de opgaande delen van de drie westelijke traveeën van het koor. Franse kalksteen in de kroonlijsten en zuilen van de kooromgang en in de pijlers, bogen en triforium van het koor, maaswerk, plinten en hoekkettingen aan het buitenmetselwerk. Toepassing van baksteen voor de binnenmuren tussen de bovenlichten, de torenromp en voor het buitenmuurwerk van zijbeuken, koor en kooromgang. Balegemse kalksteen voor het Paradijsportaal en oude steunberen aan het koor. Als restauratiesteen gebruik van veldsteen, Doornikse steen en steen van Euville. Schip en koor onder leien zadeldaken, flankeertorentjes onder natuurstenen kegeldaken, torenspits in baksteenbouw met verwerking, sinds de restauratie, van Massangissteen.
Luchtbogen ondersteunen over de hele lengte middenschip en -koor met de zijbeuken. Luchtbogen aan het middenschip van natuursteen, die aan het koor gedeeltelijk van bak- en natuursteen.

Westgevel van middenbeuk met traptorens en flankerende zijbeuken is hypothetische reconstructie (1906-1908) in Scheldegotiek van de oorspronkelijke (eerste helft van de 13de eeuw), onder meer gebaseerd op teruggevonden sporen (torentjes, drielichten in de zijbeukgevels, triforium, portaal). Vóór de restauratie stonden tegen de gevel parasietgebouwen, daarboven stak een groot 16de-eeuwse spitsboogvenster, zie Marcus Gerards (1562), de traptorens waren helemaal vervallen.
1896-1898: na afbraak van parasietgebouwen blootleggen van het portaal, oorspronkelijk vooruitspringend met aan de binnenkant beeldnissen met baldakijnen.
1906-1908: restauratie naar ontwerp van architect L. Delacenserie: volledige herbouw van gevel en traptorentjes met veldstenen parement, structurele elementen en versieringen van Doornikse steen.
Middengevel. Het portaal is een hypothetische interpretatie van het oorspronkelijke. Daarboven een blinde spitsboogarcade en triforium gebaseerd op in 1901 teruggevonden sporen aan de binnenkant. De twee drielichtvensters met buitenloopgang zijn een historiserende interpretatie geïnspireerd op de Doornikse Sint-Kwintenskerk, vormgeving van het grote drielichtvenster gaat terug op de nog aanwezige drielichten van de flankerende zijbeuken; in de top een ronde oculus.
De twee torentjes zijn versierd met lisenen en boogfriezen en afgedekt met kegelvormige daken, horizontale lijsten lopen door over midden- en zijgevels. Blinde gevels sporadisch opengewerkt met spleetvormige openingen.
In de gevels van de flankerende noordelijke en zuidelijke zijbeuk steken twee drielichtvensters gebaseerd op teruggevonden sporen.
Westgevel uiterste noordbeuk (tweede helft van de 14de eeuw): vooruitspringende gevel heeft een parement van Doornikse steen, zand- en baksteen: hoge rondboogingang van voormalig portaal, waarin kruisbeeld, met daarboven een driezijdig venster en in de topgevel twee rondboogopeningen in rondboognissen. Rechts, in de bakstenen zuidelijke zijgevel sporen van afsluiting van niet uitgevoerde uitbouw van de westgevel van het schip, oude openingen en vroegere aanbouwsels.

Westgevel uiterste zuidelijke beuk (15de eeuw) met twee licht vooruitspringende puntgevels: een hoog, blind spitsboogvenster met witte beschildering van dagkanten aangebracht tijdens restauratie in 2001, zie teruggevonden sporen aan de noordbeuk; in de toppen twee spitsboognissen; rechter steunbeer over het voetpad waarin doorgang.

Zijgevels. Zuidgevel (15de eeuw) van zuidelijke zijbeuk, vooruitspringend ter hoogte van eerste twee traveeën, pseudo-transept, Sacramentskapel en Pieter Lanchalskapel. Neogotische ingang in eerste travee vervangt in het eerste kwart van de 20ste eeuw een Renaissanceportaal, spitsboogvensters, breder ter hoogte van transept, op kordonvormende lekdrempels, neogotisch maaswerk (1900-1904) naar ontwerp van architect C. De Wulf, witte beschildering van dagkanten aangebracht tijdens restauratie in 2001, zie teruggevonden sporen aan de noordelijke beuk. Vervolgens, terugwijkend op de rooilijn, gevels van sacristie (15de eeuw), Pieter Lanchalskapel (tweede helft van de 15de eeuw) en van Overtveltkapel (vierde kwart van de 15de eeuw). In 1910 restauratie en aan zuidzijde uitbreiden van sacristie in neogotische stijl naar ontwerp van J. Viérin (Brugge): plaatsen van spitsboogramen aan de Pieter Lanchalskapel, zie teruggevonden sporen, maken van travee-nissen, tudor- en accoladebogen bovenaan zijn oorspronkelijk. Sacristie heeft op de begane grond geblokte rondboogvensters met eenvoudig maaswerk.
Tuin met leilinden en haagjes, pomp met arduinen sokkel waarop zandstenen beeld van Maria en Kind; calvarie onder houten afdak, houten beeld van Christus, natuurstenen beelden van Maria en Johannes van beeldhouwer H. Pickery (Brugge).
Noordgevel (tweede helft van de 14de eeuw) van noordelijke zijbeuk: drie traveeën afgescheiden door steunberen, brede spitsboogvensters op kordonvormende lekdrempels en met neogotisch maaswerk, witte beschildering van dagkanten aangebracht tijdens restauratie in 2001, zie hier teruggevonden sporen. In tweede travee ingang met arduinen Renaissanceomlijsting, steenhouwersmerken uit de tweede helft van de 14de eeuw te identificeren met A. Hanicq en Nopère (Arquennes en Feluy). Daarvoor vrijstaande arduinen neogotische kapel met beeld van Maria.
Noordelijke transeptgevel (tweede helft van de 14de eeuw): licht vooruitspringende tuitgevel met zandstenen hoekkettingen, groot spitsboogvenster gevat tussen waterlijsten, in de top klein segmentboogvenster.

Aan de noordkant massieve bakstenen toren, tussen noordelijk transept en Heilige Kruiskapel met aan noordzijde tegen aan de voet het Paradijsportaal. Toren werd ten opzichte van eerste enkele meter meer naar het noorden gebouwd; tot stand gekomen in verschillende fasen: romp tussen 1270-1340, eerste spits circa 1440 heeft ronde hoektorentjes en geen kroontje, herbouwen van de spits circa 1519 nu met kroontje met daarboven hardstenen spits, afbreken in 1760 van de hoektorentjes en in 1853 van de spits tot aan het eerste gewelf, herbouwen in 1858 van de spits en in 1871 van de balustrade en achtzijdige hoektorentjes, in 2001 restauratie van 19de-eeuwse spits,- hoektorentjes en -balustrade.
In zijn huidige vorm, vierzijdige torenromp met versneden, op elkaar gestelde hoeksteunberen verrijkt met casementen. De voor de baksteengotiek typische toren vertoont drie geledingen telkens gemarkeerd door omlopende waterlijsten. De gesloten gevels van de benedenbouw zijn enkel gedifferentieerd door een grote blinde spitsboog; over de twee bovenste geledingen lopen spitsboognissen, daarin spaarzaam aangebracht rechthoekige en rondboogopeningen. Bakstenen achthoekige spits; bovenste deel, zandstenen kroontje en ribben op de hoeken; balustrade van arduinen tussen de hoektorens.

Paradijsportaal (derde kwart van de 15de eeuw), vanaf 1830 dienstdoend als doopkapel zogenaamd "het Paradijs", restauratie in 1984-1986 naar ontwerp van architect L. Vermeersch en ingericht als gebedskapel. Portaal opgetrokken uit Balegemse zandsteen in Brabantse gotiek. Twee traveeên breed en één travee diep. Kenmerkende registerindeling en opstand geritmeerd door steunberen; laatgotische beeldnissen en pinakels; doorgetrokken tracering in de bovenbouw en bekronende, omlopende balustrade opengewerkt met maaswerk. Twee schouderboogdeuren en spitsbogige bovenvensters met doorlopende waterlijst en kruisbloem. Rechthoekig venster in spitsboognis in de zijpuntgevels afgezet met hogels.

Noordelijke en zuidelijke koorgevels, gevels van de Heilige Kruiskapel en driezijdige koorsluiting geritmeerd door afwisseling van spitsboogvensters en kleine en grote steunberen, laatst genoemde dragen stoelen met spitsboognissen van de luchtbogen (circa 1325 of later). Blind venster van de Heilige Kruiskapel met oorspronkelijk 15de-eeuws maaswerk. Aan noordzijde tegen de eerste straalkapel aanbouwen van de bidtribune van de Heren van Gruuthuse (zie Dijver nummer 17). Aflijnende bovenmuur met spitsboogfries en palmetten.

Interieur. Onduidelijke opbouw van het schip door verspringende travee-indeling van noordelijke zijbeuk. Restanten van de oorspronkelijke 13de-eeuwse opstand in Scheldegotiek: Doornikse zuilen met achtzijdige sokkel en knoppenkapitelen (halfzuilen tegen de westgevel), enkele drielichtvensters van Doornikse steen (+ fragmenten van flankerende colonnetten en knoppenkapiteeltjes), schouderbogen op driekwartzuiltjes (onder nog bestaande drielicht) en steunberen opgenomen in nieuwbouw. Westportaal geflankeerd door schouderboognissen, daarboven een blinde spitsbogenarcade en triforium teruggaand op in 1901 teruggevonden sporen.
Schip met drieledige opstand. Geprofileerde spitsboogarcade en gotische bundelpijlers van het tweede kwart van de 14de eeuw, laatst genoemde voorzien van kapitelen met loofwerk; het triforium, gereconstrueerd in 1900-1904, heeft per travee vijf rondboogopeningen steunend op zuilen, halfzuilen en samengestelde halfzuilen. Daarboven in 1901-1904 herbouwde drielichten gevat in een gedrukte rondboog en met buitenloopgang. Bakstenen kruisribgewelf in 1762 herbouwd door meester-metselaar E. Goddyn, steenhouwersmerke uit het derde kwart van de 18de eeuw te identificeren met P.C. Trigalet (Arquennes) en J. Dieux (Feluy), opvangende schalken en verstevigende trekstangen. De dakkap bewaart nog onderdelen van het Romaanse gebinte, makelaarsspanten later verstevigd met schaargebinten.
Flankerende zijbeuken onder 14de-eeuwse kruisribgewelven steunend op bundelpijlers van middenbeuk; schouderboognissen tegen zij- en westmuren.
Noordbeuk uit de 14de eeuw overkluisd door middel van vijf stergewelfjes ingewerkt tussen de voormalige steunberen van oorspronkelijke buitenmuur.
Torenmassief met ten noorden aansluitend Paradijsportaal opengewerkt met twee rijen spitsboognissen met driepassen, per nis, typische oplopende schalken doorlopend als gordelbogen van het gedrukt tongewelf. Tegen de oostzijde van de toren in het eerste kwart van de 15de eeuw aangebouwde Heilige Kruiskapel: haar gedicht apsisvenster met oorspronkelijk maaswerk stond model voor de restauratie van de vensters in 1900-1904.
Kruisribgewelven opgevangen door bundelpijlers met loofwerkkapitelen en in de de 15de eeuw zuidelijke zijbeuk door onversierde pijlers; in noord- en zuid gevels gerestaureerde spitsboogvensters (1900-1904).
Het pseudo-transept vormt de zesde bredere travee van het schip. Aanzetten van andere bogen boven noordelijke en zuidelijke kruisingsbogen suggereren dat op deze plaats geen triforium was voorzien. De kruisingspijlers zijn in oorsprong Scheldegotische zuilen met knoppenkapitelen die tijdens de bouwcampagne van het koor werden geflankeerd door colonnetten om scheibogen en gewelven op te vangen. Triforium en roosvenster boven de bogen aan noord- en zuidkant. Drieledige opstand van het schip doorgetrokken in het driebeukige koor (1270-1280), echter onder invloed van de Franse gotiek. Fragmenten van de bouwcampagne 1220-1230 terug te vinden aan de noordkant: steunbeer in kooromgang, drielicht in zijkoor en muurwerk van Doornikse steen aan de noordkant van het middenkoor boven de eerste drie scheibogen.
Hoofdkoor overkluisd door kruisribgewelf van 1762, zie schip en afwisselend opgevangen door zuilen en bundelpijlers met doorlopende schalken (aan zuidzijde werd één zuil door een pijler vervangen), loofwerkkapitelen, twee zuilen ter hoogte van de apsis wellicht in de loop van de 18de eeuw vernieuwd zie steenhouwersmerken te identificeren met P.C. Trigalet (Arquennes) en J. Dieux (Feluy). Boven de spitse scheibogenarcade triforium, gereconstrueerd in 1900-1904, bestaande uit zes (vijf in de sluiting) driepasboogjes gedragen door pijlertjes, bovenlichten voorzien van neogotisch maaswerk. De kooromgang, overkluisd door kruisribgewelven, heeft vijf straalkapellen met twee- of driezijdige afsluiting en stergewelven opgevangen door zuilen van het hoofdkoor en colonnetten aan de zijkant, gebeeldhouwde sluitstenen (eerste kwart van de 14de eeuw); spitsboognissen met driepas in de wanden; neogotische beschildering in de apsis.
In de loop van de 14de en de 15de eeuw zijn verschillende kapellen en sacristie bijgebouwd. Aan noordoostkant is de houten bidtribune van Gruuthuse circa 1472 verbonden met het paleis van de heren van Gruuthuse en opgericht boven de toenmalige Sint-Agneskapel benedenkapel toegankelijk via deur geflankeerd door vijflicht en daarboven houten bidtribune. Aan zuidoostkant tweebeukige Lanchalskapel (vóór 1488), aan zuidkant 15de-eeuwse Sacramentskapel. 16de-eeuwse deuromlijsting van arduin naar de sacristie en voormalige kerkmeesterskamer met steenhouwersmerken respectievelijk te identificeren met A. Hanicq en Nopè re (Arquennes en Feluy) en met J. Le Vassal (Ecaussines, Feluy).

Mobilair. Schilderijen. "De roeping van de Heilige Mattheus" toegeschreven aan J. Van Oost, circa 1640; "De aanbidding van het Kind Jezus door Heiligen" door G. de Craeyer, 1662; "De aanbidding van de Drie Koningen" door G. Seghers, 1630, triptiek met "Madonna met Kind" toegeschreven aan A. Claeissins, vierde kwart van de 16de eeuw; "Christus bij Simon de Farizeë er" door F. Francken, 1628; "Geef aan de armen" toegeschreven aan A. Claeissins, 1590; "Onze-Lieve-Vrouw, toevlucht van de zondaars" door P. Bernaerdt, 1660; tien schilderijen met passieta- ferelen door J. Garemyn, 1775-1777; "De drie sanctinnen" door J. Garemyn, ca. 1763; "De Emmaü sgangers" toegeschreven aan Ter Brugghen, 17de eeuw; "De kroning van de Heilige Rosalia" van J. Van Oost, 1646; "Onze-Lieve-Vrouw, omringd door Heiligen en met St.-Elooi" door J. Van Oost, 1648; drieluik met passietaferelen door B. Van Orley, 1534; interieur van de Onze-Lieve-Vrouwekerk door H. van Minderhout, tweede helft van de 17de eeuw; "De aanbidding van de Drie Koningen" en "Onze-Lieve-Vrouw Boodschap" toegeschreven aan de Keulse school, vierde kwart van de 15de eeuw; "Het laatste avondmaal" door P. Pourbus, 1562; "Onze-Lieve-Vrouw van de zeven smarten" door A. Isenbrandt, circa 1520; triptiek onder meer "De Kruisafneming" anoniem, vierde kwart van de 15de eeuw; "De verheerlijking op de berg Thabor" door G. David, vierde kwart van de 14de eeuw - eerste kwart van de 15de eeuw; twee portretten van Anselmus De Boodt en Johanna Voet door P. Pourbus, 1573; triptiek met de "Aanbidding van de Herders" door P. Pourbus, 1574; "Kind aanbeden door Heiligen" onder invloed van van Caravaggio, 17de eeuw; "Esther van Assuerus" door L. De Deyster, 1695; "Het visioen van Thomas van Aquino" door G. De Craeyer, 1644.
Muurschilderingen: "Christus en de Samaritaanse Vrouw" fragment, 15de eeuw; "De Heilige Lodewijk", circa 1350.
Beeldhouwwerk: "Madonna" door Michelangelo, circa 1505; "Reliekhouder van Sint-Jan Nepomucenus", tweede helft van de 18de eeuw; "Twaalf apostelelen", 1618; "Piëtagroep", tweede helft van de 17de eeuw; "Onze-Lieve-Vrouw van de vrede, tweede helft van de 15de eeuw; twee "Adorantenengelen" door P. Pepers, 1779; grafgedenktekens van: "J. Van den Velde", tweede helft van de 15de eeuw; "L. de Baenst en M. Boulangier", 15de eeuw; "L. de Baenst en C. Losschaert", 15de eeuw; "J. Van den Velde en A. van de Gheenste", vierde kwart van de 15de eeuw.
Graven: in 1979 werden in het koor 16 beschilderde 13de-15de-eeuwse graven van baksteen gevonden, drie graven werden overgeplaatst naar de Pieter Lanchalskapel.
Praalgraven van onder meer Maria van Bourgondië , bronzen beeld naar ontwerp van J. Borman gegoten door R. van Tienen op zwartmarmeren sarcofaag, 1502; Karel de Stoute, bronzen beeld naar ontwerp van C. Floris en J. Jonghelinck op zwartmarmeren sarcofaag, 1562; de Heer van Haveskerke, tweede helft van de 16de eeuw; Pieter Lanchals, vierde kwart van de 15de eeuw.
Meubilair. Altaren van: Onze-Lieve-Vrouw 1768 en de Drie Sanctinnen, 1763 beide door P. Pepers; barok koordoksaal, 1722 met beelden uit het eerste kwart van de 17de eeuw, en eikenhouten triomfkruis van J. Aerts, 1594; eikenhouten communiebank, tweede kwart van de 18de eeuw; marmeren communiebank, 1843; eikenhouten rococo-preekstoel naar ontwerp van J. Garemyn, uitgevoerd door beeldsnijders J. Van Hecke, P. Van Walleghem en P. Scherlaecken, 1743; barokke eikenhouten biechtstoelen onder meer door J. Berger en L. Hagheman, 1697; eikenhouten koorgestoelte, 1776; orgel door C. Cacheux (Atrecht),1721-1724.
Smeedwerk. Rococo koorhekken circa 1742 en aan het Paradijsportaal, tweede-derde kwart van de 18de eeuw, beide door Kinsoen; koordeur door J. Ryckam, 1699; classicistische koorhekkens, vierde kwart van de 18de eeuw.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg West-Vlaanderen, Cel Monumenten en Landschappen, archief, doss. DW000042.
  • DEVLIEGHER L., De opkomst van de kerkelijke gotische bouwkunst in West-Vlaanderen gedurende de XIIIe eeuw, in Bijdragen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, 1954, nr. 5, p. 188-201.
  • DEVLIEGHER L., De bouwgeschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, in Kunst & Geschiedenis, 1997, p. 99-108.
  • JANSSENS DE BISTHOVEN A., Brugge - Onze-Lieve-Vrouwekerk. Praalgraven van Maria van Bourgondië en Karel de Stoute, verslag voor de K.C.M.L. Juli-September 1980.
  • RYCKAERT M., Historische Stedenatlas van België, Brussel, 1991, p. 213-215.
  • RYCKAERT M., Historische kerken en kapellen, in Kunst & cultuurgids Brugge, 1997, p. 61-72.
  • VAN BELLE J.L., Signes Lapidaires. Nouveau dictionnaire. Belgique et Nord de la France, Louvain-la-Neuve, 1994, nr. 431, p. 58; nr. 698, p. 64; nr. 1079, p. 70, p. 156, p. 822; nr. 1301, p. 69, p. 156, p. 803.
  • VAN VLAENDEREN P., Restauratiewerken aan de Onze Lieve Vrouwkerk te Brugge uit de 19de en begin 20ste eeuw, licentiaatsverhandeling Rijksuniversiteit Gent, 1979.
  • VROMMAN F., Kunstwerken in de Brugse kerken en kapellen, Brugge, 1986, p. 61-97.

Bron: Gilté S., Vanwalleghem A. & Van Vlaenderen P. 2004: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Brugge, Middeleeuwse stadsuitbreiding, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 18NB Zuid, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Gilté, Stefanie; Van Vlaenderen, Patricia & Vanwalleghem, Aagje

Datum tekst: 2004

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Mariastraat (Onze-Lieve-Vrouwekwartier)

Mariastraat (Brugge)

omvat Muurschilderingen Onze-Lieve-Vrouwekerk

Mariastraat zonder nummer, Brugge (West-Vlaanderen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.