Beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek

Dijver, Arentshuis, Gruuthuse en Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving

Beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek van tot heden

ID
113563
URI
https://id.erfgoed.net/aanduidingsobjecten/113563

Besluiten

Dijver, Arentshuis, Gruuthuse en Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving
definitieve beschermingsbesluiten: 22-05-2019  ID: 14846

Rechtsgevolgen

Meer informatie over de rechtsgevolgen van beschermingen vind je op onze website.

Beschrijving

Deze bescherming betreft de Dijver, het Arentshuis, het Gruuthuse en de Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving.



Waarden

De Dijver, het Arentshuis, het Gruuthuse en de Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving zijn beschermd als stadsgezicht omwille van het algemeen belang gevormd door de:

historische waarde

Het stadsgezicht van de Dijver, het Arentshuis, het Gruuthuse en de Onze-Lieve-Vrouwekerk  met omgeving, omvat historische assen en straten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de stad Brugge. Ze vormen binnen de stad uitzonderlijke stedelijke structuren, die gekenmerkt worden door een architectuur die fasegewijs tot stand is gekomen. De aanwezige structuren en de bebouwing zijn het resultaat van opeenvolgende politieke, sociale, culturele en economische gebeurtenissen die plaats vonden door de eeuwen heen. Ze hebben gezorgd voor een opmerkelijke historische gelaagdheid in het stadsbeeld.

Bepalend in dit stadsdeel is het verloop van de Reie waarlangs de belangrijkste en oudste historische gebouwen liggen. Op de linkeroever ligt de Onze-Lieve-Vrouwekerk, hier gesitueerd sinds de 9de eeuw. De Onze-Lieve-Vrouwekerk en omgeving vormt dan ook een belangrijk historisch kerngebied binnen de Brugse binnenstad. Op de rechteroever van de Reie splitst zich een reitje af, genaamd de Bakkersrei, dat loopt tot aan de Dijver en overbrugd wordt door Gruuthusebrug ter hoogte van de Nieuwstraat. De Dijver is een segment van de Reie dat een eigen naam heeft. De zeer oude naam Dijver, gaat terug tot de Kelten en betekent “Heilig water”. Dit zou wijzen op het bestaan van een pre-germaanse cultusplaats.

Langsheen de Dijver, de Bakkersrei en de aanpalende straten is een beeldbepalende en heterogene bebouwing tot stand gekomen, dit getuigt van de evolutie van de stad buiten de eerste stadsomwalling. De nieuwe bruggen waren dan ook nodig om nieuwe complexen of wijken te ontsluiten die buiten de eerste omwalling lagen. Zo houdt de bouw van de eerste Grote Eeckhoutbrug in 1282, nu Nepomucenusbrug, verband met de voorgeschiedenis van de ten zuiden van de Dijver gevestigde Eeckhout- of Sint-Bartholomeusabdij die vóór 1130 ontstaan is.

In de omgeving van de Dijver is de oorspronkelijke perceelstructuur nog aanwezig in het straatbeeld zoals bij aan de Oude Burg. Het "Raamstraatje" wordt er in 1537-1538 afgesloten en is vanaf dan een privéweg die nu nog hoort bij het pand Oude Burg nummer 21. Ter hoogte van de Bakkersrei is de oorspronkelijke perceelstructuur nog af te leiden van de nog aanwezige verbindingen tussen de Kastanjeboomstraat en de Bakkersrei.

Het stadsgezicht met centraal de Dijver, de Onze-Lieve-Vrouwekerk, het hof van Gruuthuse en de Bonifatiusbrug zijn vastgelegd in talrijke niet geschreven bronnen zoals schilderijen en foto’s. Het stadsgezicht vormt één van de klassieke stadsgezichten die al in de 19de eeuw door de pioniers van de fotografie werden vastgelegd. De Dijver en omgeving met onder andere de Bonifatiusbrug is dan ook één van de meest gefotografeerde en geschilderde zichten van Brugge. Dit stadsbeeld werd door gekende en minder gekende kunstenaars vastgelegd en illustreert de waardering ervan door verschillende generaties. Tot op heden is de Dijver en omgeving een trekpleister voor schilders die dit zicht willen vereeuwigen op doek.

De houten gevels aan de Bonifatiusbrug zorgen voor een pittoresk en romantisch stadsbeeld. Het voorliggend stadsgezicht, en de Bakkersrei in het bijzonder, vormt een typevoorbeeld van hoe het stadsbeeld in Brugge in de 20ste eeuw vaak kunstmatig verouderd werd. Er werden compleet nieuwe pseudo-middeleeuwse huizen gebouwd die ervoor zorgen dat dit  stadsgezicht een romantisch en pittoresk uitzicht krijgt.

Het water en de statige architectuur vormen tot op heden zonder twijfel een interessante toeristische trekpleister. In 1905 gebeurde de eerste aanvraag om de toeristische mogelijkheid van de Brugse reien volop te benutten. De Dijver en de omgeving van de Bonifatiusbrug getuigen dan ook van een vroege vorm van recreatief gebruik zoals de toeristische rondvaarten die vanaf 1905 werden georganiseerd en die tot op heden nog steeds bestaan. De eerste uitbating van bootjes was in handen van de familie Godfroid Coucke die hun opstapplaats hadden ter hoogte van de huidige Bonifatiusbrug.

architecturale waarde

De bebouwing binnen het stadsgezicht vertoont een grote historische gelaagdheid en bevat belangrijke merktekens in het stedelijk landschap. De heterogene gevelwanden en het stadssilhouet met zijn torens zijn het resultaat van het bouwen en verbouwen door de eeuwen heen. Binnen het stadgezicht zijn verschillende architectuurstijlen en -types te onderscheiden. Dit stadsbeeld wordt gekenmerkt door een gaaf bewaard, heterogeen karakter met hoge architecturale kwaliteiten. De gevelwanden van de opgenomen straten vormen een staalkaart van verschillende architectuurstijlen vanaf de 13de eeuw tot de 20ste eeuw: gotiek, 17de-eeuwse trapgevels, barokke architectuur, rococo, classicistische en neoclassicistische architectuur en gevels in historiserende stijl waarbij de restauratie, gekend als “Kunstige Herstelling”, goed wordt geïllustreerd.

De Onze-Lieve-Vrouwekerk is dominant aanwezig binnen dit stadsgezicht. De imposante, volledig in baksteen opgetrokken toren beheerst het Brugse stadsgezicht. De toren is een meesterwerk van de regionale baksteen- of kustgotiek. Het monumentale bouwwerk verenigt bovendien door zijn opeenvolgende bouwfasen op unieke wijze alle gotische stijlen in één monumentaal bouwwerk. Het schip en de westgevel van de kerk vertonen kenmerken van de vroeg-gotiek, meer bepaald de Scheldegotiek, een spontane en logische evolutie van het Schelde-Romaans, ook Doornikse stijl genoemd, nog zelden bewaard in onze streken. De Franse hooggotiek is vertegenwoordigd in het koor van de kerk. De Brabantse gotiek is dan weer vertegenwoordigd in het Paradijsportaal aan de noordzijde, terwijl de toren zelf een meesterwerk is van regionale baksteengotiek

Bij de gotische privé-architectuur is het Hof van de heren van Gruuthuse een kenmerkend voorbeeld van een luxueuze residentie met typische L-vormige plattegrond voorzien van een hoge trap- of uitkijktoren. De imposante gevels worden verticaal geritmeerd door Brugse traveenissen en maaswerk. De opmerkelijke ligging van het Hof van de Heren van Gruuthuse tussen de Reie en de Dijver, in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, onderstreept het belang van dit ensemble. De oudste gevel van deze patriciërswoning, de Reiegevel, is de vroegst gekende toepassing van de “Brugse travee”, een type gotische gevelindeling die ook in het stadhuis opdook. De gotiek met kenmerkend maaswerk en de typische Brugse traveenissen zijn onder meer ook terug te vinden bij het pand Onze-Lieve-Vrouwekerkhof-Zuid nummer 14.

De renaissance is binnen het stadsgezicht in uiterst beperkte mate bewaard. De omlijsting van blauwe hardsteen van de toegang in de noordzijgevel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk is één van de enige behouden voorbeelden uit deze stijlperiode.

Het tot de middeleeuwen teruggaande traditionele diephuistype met bakstenen trapgevel blijft lang doorleven, maar wordt vanaf de 17de eeuw opgesmukt met barokelementen. Een uitgesproken voorbeeld van barokke architectuur is het pand Wollestraat nummer 28 gekend als het Huis "Dits in den grooten mortier". De overkragende bovenbouw is voorzien van mascarons en in de boogvelden van natuurstenen reliëfs die verband houden met het Beleg van Brugge door prins Frederik Hendrik van Oranje van 1631.

In de loop van de 18de eeuw ondergaat de architectuur meerdere invloeden die zich in Brugge in een versneld tempo zullen manifesteren en mekaar opvolgen. Opvallend is het poortgebouw van de Proosdij van Onze-Lieve-Vrouw dat aan de Dijver wordt opgericht in 1749. Zowel het materiaalgebruik als de drieledige ordonnantie geritmeerd door pilasters met Franse voegen en het bekronend gebogen middenfronton boven de gekorniste kroonlijst, sluiten nauw aan bij de toenmalige Lodewijk XV-architectuur.

Een ander kenmerkend voorbeeld is het pand Dijver nummer 7, een monumentaal dubbelhuis met sobere vlakke lijstgevel gemarkeerd door het bepleisterd entablement met fijne waterlijsten onder de omlopende kroonlijst op klossen. De deur is gevat in een geriemde omlijsting van blauwe hardsteen onder een gekorniste kroonlijst met behouden deurschrijnwerk getypeerd door een guirlande, een strikmotief, een siervaas en Lodewijk XVI-slingers.

Het pand Dijver nummer 15, is ook een getuige van een vrij sober 18de-eeuws pand met een verankerde bakstenen lijstgevel opengewerkt met licht getoogde openingen, op de eerste en de tweede bouwlaag voorzien van een vlakke 18de-eeuwse omlijsting. De laat-barokke hoeknis is voorzien van een beeld van Maria met Kind van blauwe hardsteen.

De orangerie bij het pand Oude Burg nummer 21, gebouwd aan de Reie-oever in het derde kwart van de 18de eeuw is een typerend voorbeeld voor de Lodewijk XVI-stijl. Het langwerpig volume heeft een kenmerkend mansardedak. De bepleisterde en beschilderde lijstgevels zijn opengewerkt met rondboogvensters gescheiden door vlakke pilasters voorzien van spiegels.

Het laat-classicisme wordt geïllustreerd bij verschillende panden. Een bijzonder voorbeeld voor het laat-classicisme is het pand Dijver nummer 16, het zogenaamde Arentshuis. Dit pand heeft een imposante verankerde bakstenen lijstgevel met in de oostgevel een portiek van drie traveeën breed en brede buitentrap van blauwe hardsteen en colonnade van vier slanke zuilen op postamenten en met egyptiserende palmbladkapitelen bekroond door een omlopend hoofdgestel met kroonlijst op klossen. Op de bovenverdieping twee ondiepe typische erkers in Lodewijk XVI-stijl.

De laat-classicistische vormentaal loopt ook in de 19de eeuw verder door. In het Brugse stadsgezicht is het beeldbepalende Dijver nummer 10-11 uit het laatste kwart van de 19de eeuw naar ontwerp van de Brugse architect J.F. Van Gierdegom er exemplarisch voor.

De neoclassicistische vormentaal is terug te vinden bij het pand Dijver nummer 13. Dit pand werd gebouwd circa 1840 en wordt gekenmerkt door een bepleisterde en beschilderde lijstgevel met typerende horizontale belijning.

Op het einde van de 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw krijgen de nieuwe lijstgevels van de oudere breedhuizen samen met hun laat-classicistisch uitzicht een empiretintje. De empire-inslag is in het middenrisaliet van de laat-classicistische lijstgevel aan de Dijver nummer 9 meer stijlbewust aanwezig. Naast typische rondboogvormige muuropeningen op de begane grond markeert het centrale Palladiaans venster opgenomen in een rechthoekige nis de bovenverdieping. De sobere empire-invloeden zijn ook te zien bij de Reiegevel van het pand Kartuizerinnenstraat nummer 10. Typisch zijn de halfronde mezzaninovensters met waaier en de erker op de verdieping.

Aansluitend bij de gevoerde gemeentelijke politiek wordt vanaf 1877 met het oog op het behoud van waardevolle gevels, een vorm van stedelijke subsidies ingesteld. Deze zogenaamde "Kunstige Herstellingen" stimuleren het historiserend en verfraaiend restaureren van waardevolle panden en zelfs het optrekken van nieuwe gevels in historiserende stijl. Binnen het voorliggend stadsgezicht zijn er typevoorbeelden van deze aanpak Een kenmerkend voorbeeld zijn de houten gevels van de panden Groeninge nummer 2 en 4 die uitgeven aan de Bakkersrei en die als compleet nieuwe neo-brugse huizen werden gebouwd. Hierdoor kreeg dit stadsgezicht een romantisch en pittoresk uitzicht. Aan het Onze-Lieve-Vrouwekerkhof-zuid nummer 2 zorgt architect L. Viérin in de L-vormige pastorie uit 1911 dat het ensemble met de nodige ornamentatie in die nagestreefde context past. De huizen aan Groeninge en in het bijzonder hun achtergevels en hun achterbouwen aan de overkant van de Reie werden mettertijd met de nodige zorg “verfraaid”. Het huis aan Groeninge nummer 2 komt in 1933 aan de beurt. De architecten J. en L. Viérin zijn verantwoordelijk voor de verfraaiende "Brugse" herbouw van het pand waarbij ze de nodige aandacht schenken aan de verfijnde uitwerking van de gevels en van de schoorsteenschachten. Het achterhuis en de aanpalende muur aan de Reie sluiten dan de stadstuin naar middeleeuws patroon af. Het aanpalende lage achterhuis met zijn "middeleeuwse" gevel in houtbouw en verspringende bedaking is drie jaar later gebouwd naar ontwerp van dezelfde architecten. Samen met het bruggetje is dit een van de meest gefotografeerde locaties van de stad.

Vanaf 1877 worden restauraties opgevat als historiserende en verfraaiende “Kunstige Herstellingen” waarbij het Brugse karakter wordt geaccentueerd. De rol van de “Kunstige Herstellingen” binnen het stadsgezicht is heel groot en geeft tevens een evolutie aan van de historiserende restauraties. Relevant in deze context is de restauratie van het hof van de heren van Gruuthuse die van 1883 tot 1895 plaatsvindt onder leiding van architect L. Delacenserie.

Binnen het stadsgezicht zijn verschillende voorbeelden van panden in neobarokke stijl. Het hoekpand bij de Dijver is een beeldbepalend neobarok pand gebouwd circa 1904-1905 als een “Kunstige Herstelling” naar ontwerp van architect C. De Wulf. Bij het ontwerp werd rekening gehouden met het perspectief vanuit de erker naar het Belfort.

Voor de panden in neobarokke stijl werd vaak een beroep gedaan op architect C. Dewulf. Een kenmerkend voorbeeld van zijn architectuur is het complex Kartuizerinnenstraat nummer 6. Hier zien we duidelijk de invloed van de neobarok. De gevels van deze volumes worden gekenmerkt door een overkragende bovenbouw op steekbogen aanzettend op natuurstenen consolestenen. De gevel die uitgeeft aan de Dijver wordt gekenmerkt door de neo-brugse invloeden zoals onder meer de Brugse traveenissen type I aanzettend op natuurstenen zuiltjes en met op de borstwering gekoppelde spitsboognissen met driepassen. Ter hoogte van de middentravee bevindt zich een massieve erkeruitbouw. 

De panden Onze-Lieve-Vrouwekerkhof-Zuid nummers 6-8 vertonen naast de gebruikelijke neoclassicistische ornamenten ook art-nouveau-elementen zoals onder meer de sierlijke belijning, de decoratieve bogen en de ijzeren hekken. Het meest representatief zijn de kleurrijke voorstelling van de "Dageraad" en de "Zonsondergang" in de sgrafittopanelen boven de deur.

De kaaimuren, de Nepomucemusbrug, de Gruuthusebrug, de Bonifatiusbrug, de imposante bebouwing langs de oevers vormen – samen met de gaaf bewaarde gevelrijen in de aanpalende straten  - een uniek geheel. De Dijver, het Arentshuis, het Gruuthuse en de Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving zijn mede door hun hoge esthetische en architecturale kwaliteiten, steeds een publieke aantrekkingspool geweest, die ook internationaal gesmaakt werd en wordt.

stedenbouwkundige waarde

De Brugse binnenstad wordt door de Reie en de waterlopen en aangelegde kanaaltjes gestructureerd. De eerste omwalling van 1127, waar de Dijver deel van uitmaakt, en de tweede omwalling met de zogenaamde stadsvesten van 1297 vormen de grens van de stad Brugge. Een hoofdader van de rivier de Reie doorsnijdt de stad van zuid naar noord. Langsheen de oevers van de Reie zijn belangrijke historische gebouwen ingeplant zoals onder meer de Onze-Lieve-Vrouwekerk en het huis van de heren van Gruuthuse.

De Dijver en de Bakkersrei vormen binnen dit stadsgezicht een belangrijke lineaire stedelijke structuur die duidelijke staat weergegeven op de kaart van Marcus Gerards (1562). Het toen weergegeven tracé is nog steeds herkenbaar in het huidig verloop van de Reie.

Het stadsgezicht van de Dijver, het Arentshuis, het Gruuthuse en de Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving illustreert de stadsuitbreiding in de 13de eeuw. Nieuwe bruggen waren ook nodig om nieuwe complexen of wijken te ontsluiten die buiten de eerste omwalling lagen. Zo houdt de bouw van de eerste Grote Eeckhoutbrug, nu Nepomucenusbrug, verband met de voorgeschiedenis van de ten zuiden van de Dijver gevestigde Eeckhout- of Sint-Bartholomeusabdij die vóór 1130 werd opgericht.

Binnen het stadsgezicht worden een aantal belangrijke stedenbouwkundige ingrepen uitgevoerd. Als gevolg van de verplichting onder Jozef II om vanaf 1784 de kerkhoven in de binnenstad af te schaffen, verdwijnen ook de begraafplaatsen aan de noord- en zuidzijde van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Aan de zuidkant herinnert de naam van de aanpalende gebogen straat nog aan de historische bestemming, aan de noordkant wordt de naam "Onze-Lieve-Vrouwekerkhof Noord" in 1963 vervangen door Guido Gezelleplein. Nu geeft een omheiningsmuurtje de historische omtrek aan.

De wandelas van het “Arentshuis” naar de Mariastraat getuigt van een belangrijke stedenbouwkundige ingreep waarbij de tuin van het “Arentshuis” openbaar domein werd.

Dit geheel is in 1911-1912 ontworpen door stadsingenieur C. Salmon en architect J. Viérin (Brugge). Dit ontwerp omvat een wandelas naar de Bonifatiusbrugje met een overdekte doorgang, een nieuwe toegangspoort in de zuidelijke muur, het verlagen van de muur aan de waterkant, het heraanleggen van de tuinen, het voormalige kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, het bouwen van de pastorie (Onze-Lieve-Vrouwekerkhof-zuid nummer 2), en het plaatsen van twee zuilen van Doornikse steen afkomstig van de in 1787-1791 afgebroken waterhal. Architect Vierin realiseerde hiermee het belangrijkste vroeg 20ste-eeuwse project van stadsverfraaiing in de Brugse binnenstad.

De 15de-17de-eeuwse noordvleugel van het Gruuthuse gelegen aan de straat moet in 1900-1901 wijken voor de verbreding van de Gruuthusestraat: de opgravingen van 1908 leggen de funderingen van het 15de-eeuwse Gruuthuse bloot waarop architect L. Delacenserie het jaar nadien de L-vormige conciërgewoning en het lapidarium in historiserende stijl zal optrekken.

archeologische waarde

De Dijver met omgeving wordt beschouwd als een zone met een belangrijk bodemarchief en rijkdom aan zowel onder- als bovengrondse sporen van gebouwen met grote archeologische waarde. Binnen het stadsgezicht zijn er sporen van menselijke activiteiten en constructies die daar achtereenvolgens aanwezig waren, die belangrijk zijn voor de studie van de stad Brugge. Op het stadsplan van Marcus Gerards van 1562 staan verschillende constructies die in de loop der eeuwen zijn verbouwd of afgebroken. Het stadsplan van Marcus Gerards visualiseert ook de oude perceelstructuur en de vroegere straten.

De omgevende zone bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk verwijst naar het voormalige kerkhof op deze plek zoals die ook voorkomt op de kaart van landmeter Frans Lobberecht van circa 1685. Vermoedelijk gaat het kerkhof terug tot de stichtingsdatum van de kerk. Het kerkhof bleef in gebruik tot het “Edict van den Keyser aengaende de begraeffennissen” van Jozef II in 1784 waarna het een gemeenschapsfunctie kreeg.

De Dijver maakte bovendien deel uit van de eerste omwalling van 1127 en vormde een belangrijke en geschikte verdedigingsstructuur.


Aanduiding van

Is de bescherming van

Dijver, Arentshuis, Gruuthuse en Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving

Dijver, Eekhoutstraat, Groeninge, Gruuthusestraat, Guido Gezelleplein, Kartuizerinnenstraat, Kastanjeboomstraat, Katelijnestraat, Mariastraat, Nieuwstraat, O.-L.-Vrouwekerkhof-Zuid, Oude Burg, Wollestraat (Brugge)
Deze bescherming betreft de Dijver, het Arentshuis, het Gruuthuse en de Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving.

Is de omvattende bescherming van

Burgerhuis

Groeninge 10 (Brugge)
Diephuis van drie/vier traveeën en drie bouwlagen onder schilddak (Vlaamse pannen), uit de 19de eeuw. In 1959 verbouwing aan interieur en gevel naar ontwerp van architect A. Degeyter (Brugge).


Burgerhuis

Nieuwstraat 10 (Brugge)
Breedhuis van vier en drie traveeën en twee bouwlagen onder mansardedak (Vlaamse pannen). Mogelijk 18de-eeuwse kern.


Burgerhuis

Dijver 13 (Brugge)
Enkelhuis van drie traveeën en drie bouwlagen onder schilddak (nok loodrecht op de straat, Vlaamse pannen); neoclassicistische bepleisterde en beschilderde lijstgevel op arduinen plint van 1840.


Burgerhuis

Dijver 14 (Brugge)
Dubbelhuis van vijf traveeën en drie bouwlagen onder zadeldak (nok parallel aan de straat, Vlaamse pannen), mogelijk uit 18de-19de eeuw.


Burgerhuis

Dijver 15 (Brugge)
Dubbelhuis, op L-vormige plattegrond, van vijf traveeën en drie bouwlagen onder zijdelings afgesnuit schilddak (Vlaamse pannen), deels uit het tweede kwart van de 18de eeuw (eerste twee bouwlagen) en deels uit de 19de eeuw (derde bouwlaag).


Burgerhuis

Groeninge 2 (Brugge)
Deels vrijstaand dubbelhuis, palend aan tuin van het Huis Arents, zie Dijver nummer 16. Breedhuis van vijf/zes traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (leien) op L-vormige plattegrond; kern opklimmend tot de 17de eeuw.


Burgerhuis

Groeninge 4 (Brugge)
Diephuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen), uit de 17de eeuw zie balklagen en dakconstructie bestaande uit twee schaar- en nokgebinten met nokbalk en gordingen. Verankerde bakstenen trapgevel (9 treden + topstuk).


Burgerhuis

O.-L.-Vrouwekerkhof-Zuid 14 (Brugge)
Breedhuis met dubbelhuisopstand van vier traveeën en twee bouwlagen teruggaand tot de 16de eeuw; tegen de achtergevel, twee jongere diephuizen onder zadeldaken (Vlaamse pannen).


Burgerhuis gedateerd 1720

Wollestraat 34 (Brugge)
Gelegen aan de voet van de Nepomucenusbrug. Diephuis van drie/twee traveeën + vier traveeën en drie bouwlagen onder afgewolfd zadeldak (tichelen). Heden lijstgevel gedateerd "17 / 20" als verbouwing van houten gevel.


Burgerhuis van 1865

Katelijnestraat 1-3 (Brugge)
Quasi volledig vrijstaand diephuis van vier + drie/vier traveeën en twee bouwlagen onder schilddak (Vlaamse pannen), opgetrokken in 1865; niet uitgevoerd ontwerp voorziet fronton boven een centraal risaliet en consoles onder vensters van tweede bouwlaag.


Burgerhuizen ontworpen door J.P. Ledoux

O.-L.-Vrouwekerkhof-Zuid 6-8 (Brugge)
Twee enkelhuizen met art-nouveau-inslag van 1904 naar ontwerp van architect J.P. Ledoux (Gent) opgesteld volgens spiegelbeeldschema; ze vervangen één huis van twee bouwlagen en drie traveeën. Breedhuizen van twee traveeën en drie bouwlagen (leien) onder gemansardeerd mank zadeldak.


Burgerhuizen van 1904

O.-L.-Vrouwekerkhof-Zuid 10-12 (Brugge)
Twee diephuizen van 1904 met gelijkaardige winkelpuien volgens spiegelbeeldschema; twee bouwlagen en twee/één traveeën onder zadeldaken (Vlaamse pannen).


Gruuthusebrug

Gruuthusestraat (Brugge)
De Gruuthusebrug verbindt de Dijver met de Gruuthusestraat en scheidt de rei, zogenaamd Dijver, van het Bakkersreitje. Reeds in 1288 wordt melding gemaakt van een houten brug, zogenaamd de Nieuwbrug, verwijzend naar de nabijgelegen Nieuwstraat. In 1388 wordt een eerste stenen brug opgetrokken door de meester-metselaar Jan van Oudenaerde († 1412). In 1389 wordt de brug door dezelfde metselaar al verbreed. Circa 1425 komen de heren van Gruuthuse zich vestigen bij die brug en sindsdien krijgt de brug de huidige benaming. In 1760 wordt de huidige brug gebouwd. De Gruuthusebrug is een gekasseide brug van één brede boog. Het parement bestaat hoofdzakelijk uit baksteen, in combinatie met natuursteen voor de boog en arduin voor de dekbladen. Aan de noordzijde bevindt zich een borstwering met bakstenen parement en natuurstenen rollaag. Aan de westzijde is op de brug in de loop van


Herenhuis

Dijver 7 (Brugge)
Monumentaal dubbelhuis van negen traveeën en drie bouwlagen, oude kern. Van 1578-1581, plaats waar relikwie van het Heilig Bloed is verborgen door Juan Perez de Malvenda. Circa 1780, vervangt het huidige herenhuis met classicistische, beschilderde en bakstenen lijstgevel kleinere panden. In 1987-1988, verbouwd tot hotel.


Herenhuis Arentshuis en Arentshof

Dijver 16 (Brugge)
Voormalige herenwoning met tuin, vanaf 1910 ingericht als museum. Oorspronkelijk deel uitmakend van het Gruuthusedomein tot het in 1662 definitief een afzonderlijk perceel wordt. Huidig geheel op onregelmatige plattegrond.


Herenhuis met achterhuis

Kartuizerinnenstraat 8 (Brugge)
Bepleisterd breedhuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak vormde oorspronkelijk één geheel met buurpand nummer 6, een bepleisterde lijstgevel uit de 19de eeuw, maar huidig uitzicht resultaat van verbouwingen in 1923. Aan de Reie bevindt zich een achterhuis, uitgewerkt als een breedhuis van vier traveeën en twee en een halve bouwlaag met een bepleisterde en beschilderde verankerde lijstgevel.


Herenhuis met koetshuis

Kartuizerinnenstraat 6 (Brugge)
Complex naar ontwerp van architect C. Dewulf, van 1903. Volgens de jaarcartouche gebouwd in plaats van een 19de-eeuws herenhuis, waarvan elementen bewaard in het interieur en de planindeling. Het complex bestaat uit een koetshuis, een diephuis in neobarokke stijl met hierop aansluitende Reievleugel in neo-Brugse stijl, gegroepeerd rondom een binnenplaats. Het complex is toegankelijk via een steekboogpoort opgenomen in een gekanteelde muur doorlopend in een lagere afsluiting met houten balustrade. Baksteenbouw met gebruik van zandsteen.


Hoekcomplex van stadswoningen

Mariastraat 19-23, 21A, O.-L.-Vrouwekerkhof-Zuid 16 (Brugge)
Samenstel, op een hoek, van verschillende panden achter eenvormige gevel uit het vierde kwart van de 18de eeuw. Aan de Mariastraat, in 1771 zie tekening, één lijst- en vijf tuitgevels van één à twee bouwlagen. In 1844 opsplitsen van nrs. 16 en 18, in de loop van de 19de en 20ste eeuw plaatsen van houten winkelpuien.


Hoekhuis

Groeninge 18 (Brugge)
Hoekpand met dubbelhuisopstand van vijf traveeën en twee bouwlagen onder half afgewolfd zadeldak (nok parallel aan de straat, Vlaamse pannen); 17de-eeuwse kern doch met in 1931 vernieuwde, neorococogetinte, bakstenen lijstgevel, ter vervanging van 19de-eeuwse lijstgevel.


Huis de Halleux

Oude Burg 21-23 (Brugge)
Herenhuis met bijhorend koetshuis en tuinpaviljoen aan de Dijver.


Huis Dits in den grooten Mortier

Wollestraat 28 (Brugge)
Huis van drie/twee + twee traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak. Trapgevel van 1634 wordt in de loop van de 18de eeuw vervangen door klokgevel. Huidige gevel van 1879 gebouwd als Kunstige Herstelling. Toevoegen van Mariabeeld met Kind in 1856. 20ste-eeuwse Kunstige Herstellingen, namelijk in 1911 naar ontwerp van architect Ch. Poupaert en in 1989 naar ontwerp van architect L. Dugardyn. Verankerde bakstenen trapgevel met gebruik van arduin voor drieledige winkelpui.


Huis Groeninghe

Eekhoutstraat 2 (Brugge)
Beeldbepalend, neobarok breedhuis van vier + drie traveeën en drie bouwlagen onder leien zadeldak; deels aanpalend en vooruitspringend op de nieuwe rooilijn, hoekpand van drie + één travee waarvan de onderbouw echter opgevat is als open voetgangersgalerij en de bovenverdieping gemarkeerd wordt door een uitgewerkte erker.


Huis van de Heren van Gruuthuse

Dijver 17A-C (Brugge)
Voormalige patriciërswoning van de heren van Gruuthuse, nu Gruuthusemuseum. Het pand heeft een kern uit de 15de eeuw, in het vierde kwart van de 19de eeuw grondig gerestaureerd door architect L. Delacenserie en met vleugel aan Gruuthusestraat van het eerste kwart van de 20ste eeuw. Aan westkant van de Reie gelegen complex op onregelmatige plattegrond met binnenplaats: de hoofdvleugel met 15de-eeuwse kern op L-vormige plattegrond met hoektoren, in de noordwesthoek conciërgewoning en lapidarium.


Kartuizerinnenklooster

Kartuizerinnenstraat 2-4 (Brugge)
Voormalig Kartuizerinnenklooster, hier opgericht vanaf de late 16de eeuw en fasegewijs uitgebouwd en uitgebreid, voornamelijk in de eerste helft van de 17de en 18de eeuw. Tussen 1575 tot 1783 in gebruik geweest als klooster. De bakstenen kloostergebouwen op een U-vormige plattegrond zijn gelegen rond een binnenplaats met voornamelijk een 18de-eeuws karakter. Ze omvatten een zaalkerk palend aan de huidige Kartuizerinnenstraat, die opklimt tot de vroege 17de eeuw en die vanaf 1893 gebruikt werd als militaire kapel en in 1927 werd omgevormd tot oorlogsgedenkteken. Het kloosterpand bewaart twee pandgangen, waarvan de bouw aanving in de vroege 17de eeuw, en een vleugel aan de Reie met 18de-eeuws uitzicht.


Laatclassicistisch herenhuis

Dijver 9 (Brugge)
Laatclassicistische, bepleisterde en beschilderde lijstgevel met empire-inslag uit het eerste-tweede kwart van de 19de eeuw, oorspronkelijk als voorgevel van een breedhuis met oudere kern dat volledig werd gesloopt in 1971.


Laatclassicistisch herenhuis

Dijver 10-11 (Brugge)
Imposante, laatclassicistische lijstgevel van veertien traveeën en drie bouwlagen met bepleisterd en beschilderd parement, vermoedelijk in de loop van het eerste kwart van de 19de eeuw ontworpen door de Brugse architect J.F. Van Gierdegom (Brugge).


Laatclassicistisch herenhuis

O.-L.-Vrouwekerkhof-Zuid 4 (Brugge)
Laatclassicistisch herenhuis, dubbelhuis op T-vormige plattegrond; zeven traveeën en tweeënhalve bouwlaag onder schilddak (nok parallel aan de straat, Vlaamse pannen); vleugel uit de eerste helft van de 19de eeuw aan de straat en haaks hierop een 16de-17de-eeuwse vleugel aan de tuinzijde.


Leerlooierij de Coevoet

Groeninge 12 (Brugge)
Diephuis van drie traveeën en drie bouwlagen onder afgewolfd schilddak (Vlaamse pannen). Verankerde, bakstenen lijstgevel met licht getoogde openingen op arduinen lekdrempels. Moderne vormgeving van houtwerk, luiken, vensterleuningen en garagepoort.


Nepomucenusbrug

Dijver, Rozenhoedkaai, Wollestraat (Brugge)
De Nepomucenusbrug verbindt de Wolle- met de Eeckhoutstraat en verbindt de Reie met de rei, zogenaamd de Dijver.


Parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw

Mariastraat (Brugge)
Georiënteerde, gotische kerk, waarvan het driebeukige schip in Scheldegotiek opklimt tot de eerste helft van de 13de eeuw. Het koor en de toren werden later in de 13de eeuw aangevat; in de 14de en 15de eeuw wordt de kerk verder vergroot. De huidige plattegrond ontvouwt: een vijfbeukig basilicaal schip van vijf traveeën, centraal westportaal geflankeerd door twee ronde traptorentjes, uitspringende noordelijke zijbeuk. Het pseudo-transept vormt een bredere, zesde travee met aan de noordkant de vierkante toren en het Paradijsportaal, ten oosten de Heilige Kruiskapel. Het vijf traveeën tellende driebeukige koor heeft vijf straalkapellen en een driezijdige apsis; ten noorden ingebouwde zijkapellen en bidtribune van Gruuthuse, ten zuiden sacristie, Lanchals- en Van Overtveltkapel.


Pastorie

O.-L.-Vrouwekerkhof-Zuid 2 (Brugge)
Pastorie gebouwd in 1911 naar ontwerp van architect J. Viérin (Brugge) en deel uitmakend van de nieuwe aanleg tussen het Hof Arents en het Onze-Lieve-Vrouwekerkhof. Bakstenen gebouw op L-vormige plattegrond van één en twee bouwlagen onder zadeldaken (leipannen), met zijgevel aan de tuin achter het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, en Reiegevel.


Poortgebouw van de proosdij van Onze-Lieve-Vrouw

Dijver 12 (Brugge)
Voormalig poortgebouw van de proosdij van Onze-Lieve-Vrouw, heden ingang van het Groeningemuseum, zie smeedijzeren uithangbord met opschrift "GROENINGE / MUSEUM"/. Poortgebouw van 1749 met parement van arduin; drie traveeën en één bouwlaag onder leien zadeldak.


Samenstel van stadswoningen

Dijver 5 (Brugge)
Samenstel van twee panden met oudere kern, op L-vormige plattegrond. Enerzijds, diep dubbelhuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen), uit de 17de eeuw met aanpassingen uit 18de en 19de eeuw. Restauratie in 1988-1989 naar ontwerp van architect S. Van Melkebeke (Haaltert-Kerksken): na jarenlange leegstand, sanering en inrichting van de begane grond als winkelpui en de verdieping als appartementen.


Stadswoning

Kartuizerinnenstraat 10 (Brugge)
Samenstel van enerzijds een volume met een bakstenen verankerde lijstgevel in historiserende stijl en anderzijds een onderkelderd breedhuis van vier traveeën en drie bouwlagen, mogelijk met oudere kern, maar huidig uitzicht resultaat van een "Kunstige Herstelling" in 1955. Achterhuis met Reigevel van zes traveeën breed en twee en een halve bouwlaag hoog, met een bepleisterde en beschilderde lijstgevel met uitzicht uit de eerste helft van de 19de eeuw, maar 17de-eeuwse kern.


Stadswoning

Nieuwstraat 9 (Brugge)
Diephuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen) uit de 16de eeuw met latere aanpassingen onder meer in de loop van de 19de eeuw gewijzigde openingen met typische ramen, voorheen beluikt op de begane grond.


Stadswoning

Groeninge 16 (Brugge)
Gelegen aan de hoek met de voormalige Eekhoutrei. Dubbelhuis van vijf traveeën en twee bouwlagen onder afgewolfd zadeldak (nok parallel aan de straat, Vlaamse pannen, twee recente dakvensters). Vermoedelijk zijn de rechter traveeën resultaat van verbouwing uit de eerste helft van de 19de eeuw van een 17de-eeuws pand, zie balklagen.


Stadswoning

Kastanjeboomstraat 20 (Brugge)
Dubbelhuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak, met kern uit de 16de eeuw, zie balklagen. Later samengevoegd met nummer 18. Gekoppelde schoorsteenschachten met afgeronde rookmonden aan rechter zijde.


Stadswoning

Kastanjeboomstraat 2 (Brugge)
Diephuis van drie traveeën en twee en een halve bouwlaag onder zadeldak, uit de 17de eeuw. Bepleisterde en beschilderde lijstgevel uit de eerste helft van de 19de eeuw. Zeer verzorgde Reiegevel, gerestaureerd tijdens verfraaiende "Kunstige Herstelling" naar ontwerp van architect H. Scherpereel.


Stadswoning

Kastanjeboomstraat 18 (Brugge)
Enkelhuis van drie traveeën en één bouwlaag onder geknikt zadeldak , uit de 18de eeuw. Achteraan, dwarsvleugel uit de 16de eeuw.


Stadswoning

Dijver 1 (Brugge)
Diephuis van drie traveeën en drie bouwlagen onder half schilddak (Vlaamse pannen), mogelijk opklimmend tot de 17de eeuw. Bepleisterde en beschilderde lijstgevel uit de 19de eeuw, op later tot gevelbrede winkelpui verbouwde begane grond.


Stadswoning

Dijver 4 (Brugge)
Diephuis van vier traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak, uit de 17de eeuw. Huidig uitzicht resultaat van "Kunstige Herstelling" van 1925-1926 naar ontwerp van architect U. D'Helft (Brugge).


Stadswoning

Dijver 8 (Brugge)
Breedhuis van vier traveeën en drie bouwlagen onder zadeldak, kern opklimmmend tot de 14de eeuw, zie rechter zijmuur. Verbouwd circa 1400, zie lavabonis met rondstaafomlijsting op tweede bouwlaag en centraal geplaatst venster met segmentboog en afgeschuinde zijkanten op de derde. Het achterhuis is later verdwenen.


Stadswoning

Groeninge 14 (Brugge)
Gelegen aan de hoek met Reie. Diephuis, sterk vooruitspringend ten opzichte van rooilijn van vorige panden; vier traveeën en twee bouwlagen onder afgewolfd schilddak (Vlaamse pannen), met kern uit de 17de eeuw.


Stadswoningen

Mariastraat 17 (Brugge)
Samenstel van twee diephuizen van respectievelijk twee en drie + drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen;) uit de 16de(?)-17de eeuw.


Stadswoningen

Nieuwstraat 11 (Brugge)
Diephuizen van samen zes traveeën en twee bouwlagen elk onder zadeldak (Vlaamse pannen), uit de 17de eeuw met gevelaanpassing in de loop van de 19de eeuw.


Stadswoningen met trapgevels

Wollestraat 28-30 (Brugge)
Twee diephuizen van drie traveeën en twee bouwlagen onder twee gelijklopende zadeldaken. Verankerde trapgevels van baksteen, uit de 18de eeuw. Latere aanpassingen onder meer consoliderende "Kunstige Herstelling" in 1989 naar ontwerp van architect L. Dugardyn. Drieledige onderbouw, nummer 28 met arduinen winkelpui voorzien van steenhouwersmerken te identificeren met J. Dieux en P.C. Trigalet.

Andere relaties

Heeft als voorganger

Dijver, Arentshuis, Gruuthuse en Onze-Lieve-Vrouwekerk met omgeving

Dijver, Eekhoutstraat, Groeninge, Gruuthusestraat, Guido Gezelleplein, Kartuizerinnenstraat, Kastanjeboomstraat, Katelijnestraat, Mariastraat, Nieuwstraat, O.-L.-Vrouwekerkhof-Zuid, Oude Burg, Wollestraat (Brugge)


Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.