erfgoedobject

West-Vlaamse heuvels en omgeving

landschappelijk geheel
ID: 135405   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135405

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld landschapsatlasrelict West-Vlaamse heuvels en omgeving
    Deze vaststelling is geldig sinds 22-02-2013

  • omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Kemmelberg en omgeving
    Deze bescherming is geldig sinds 04-02-2005

  • omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Scherpenberg: fase 1
    Deze bescherming is geldig sinds 22-11-1979

  • omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Scherpenberg: fase 2
    Deze bescherming is geldig sinds 30-06-1982

Beschrijving

Het landschap van dit gebied wordt gekenmerkt door de centraal gelegen getuigenheuvels Vidaigneberg, Rodeberg, Scherpenberg en Monteberg-Kemmelberg en de zuidelijke gelegen getuigenheuvel van Nieuwkerke (Zwartemolenhoek en De Walletjes) gescheiden door de vallei van de Douvebeek. Ten noorden van de getuigenheuvels komen steile hellingen voor en een overgangszone naar het laagland van Poperinge en Ieper. Ten zuiden van de getuigenheuvel van Nieuwkerke komt een zwak hellend landschap voor met overgangszone naar de Leiestreek.

De heuvelrij van de Vidaigneberg, Rodeberg, Scherpenberg en Monteberg-Kemmelberg met respectievelijke hoogten van 125 m tot 156 m vormt enerzijds de natuurlijke waterscheidingslijn tussen het IJzerbekken in het noorden en het Leiebekken in het zuiden verbonden via een relatief steile waterscheidingspas van de Hillebeek en Kemmelbeek welke de landschappelijke begrenzing vormt tussen de heuvelrij Vidaigneberg-Rodeberg-Scherpenberg en de Monteberg-Kemmelberg en anderzijds de fysische grens tussen de Zandleemstreek en de Leemstreek respectievelijk ten noorden en ten zuiden van de heuvels. Het landschap ten noorden van deze heuvelrij wordt gekenmerkt door steile hellingen met zuidwest-noordoost georiënteerde beekvalleien en een overgangszone naar het laagland van Poperinge en Ieper. Ten zuiden van de heuvelrij wordt het landschap kenmerkt door minder steile hellingen met een overgangszone naar de Douvevallei. Ten oosten en in het verlengde van de getuigenheuvels Vidaigneberg, Rodeberg, Scherpenberg en Monteberg-Kemmelberg wordt het landschap gekenmerkt door het voorkomen van een lager gelegen heuvelrij (70-80 m) te Wijtschate en Ieper uitlopend tot Westrozebeke.

Gezien de strategische ligging van het gebied in de omgeving van Ieper, was deze ankerplaats het toneel en de inzet van verschillende gevechten gedurende de Eerste Wereldoorlog.

Fysische geografie

Het huidige landschap van dit gebied vindt zijn oorsprong in het cenozoïcum (tertiair). In het gehele gebied vormt de Formatie van Kortrijk, meer bepaald het Lid van Moen de basis. De tertiaire lagen in het gebied werden afgezet als lagen in marien milieu met wisselende waterdiepte. In diep water - zonder turbulentie - kon klei afgezet worden wat zich ondermeer vertaalt in het voorkomen van een continu dik kleipakket. De top van deze kleiafzettingen situeert zich van +50 m ter hoogte van de Franse grens nabij de Vidaigneberg en tot +25-30 m ter hoogte van Geluveld en Beselare. Deze zwakke noordoostelijke hellende lagen is kenmerkend voor de volledige tertiaire sequentie in het noorden en westen van België (mede hierdoor worden dagzomende tertiaire lagen steeds jonger in noordoostelijke richting).

Meer recente afzettingen zijn de Formatie van Tielt (kleiig zand) en de Formatie van Gent (klei-zand). Deze laatste afzettingen (vroeger paniseliaan genoemd) vormen de topzones van de heuvelrij van Nieuwkerke in het zuiden van de afbakening. Ten noorden en ten zuiden van deze heuvelrug zijn deze formaties geërodeerd door respectievelijk de Douve en de Leie. Boven op deze afzettingen van het midden eoceen, Formatie van Aalter (zand), Formatie van Lede (zand) en Formatie van Maldegem (klei), welke enkel voorkomen op de hoogste heuveltoppen op + 100 m en + 130 m. De jongste tertiaire afzettingen zijn van miocene ouderdom en behoren tot de Formatie van Diest (7 miljoen jaar geleden) welke uitsluitend op de heuveltoppen voorkomen op + 125 m. Tijdens deze periode van zee-afzettingen ontstonden zandbanken parallel aan de toenmalige kustlijn.

Bij het (geleidelijk) terugtrekken van de zee gingen de beken en rivieren op het nieuw gevormde land vanzelfsprekend stromen in de geulen tussen de zandbanken. Geleidelijk aan sneden deze waterlopen hun valleien dieper in het landschap en vormden de huidige beekvalleien. Door de erosie kwamen de voormalige zandbanken steeds hoger boven hun omgeving te liggen. Doordat zich in toppen van de zandbanken ijzerzandsteen gevormd had (ontstaan door oxidatie van glauconiet -een ijzerhoudend silicaat- tot limoniet), werden deze slechts matig geërodeerd. Op deze wijze werden de Vidaigne-, Rode-, Scherpen- en Kemmelberg gevormd (zogenaamde getuigenheuvels). Deze reiken allen tot +125 m en hoger, het niveau vanaf waar de Formatie van Diest een aanvang neemt. Het Diestiaan-relict op de Scherpenberg is wel minimaal (enkele m dik) Ten zuiden van de centrale heuvelrij waren de Diestiaanafzettingen dunner waardoor deze minder weerstand boden en wegerodeerden tijdens de daaropvolgende ijstijden. De onderliggende lagen erodeerden hierdoor eveneens tot op de Formatie van Tielt op de rug van Nieuwkerke. In de beekdalen, waar oxidatie niet mogelijk was doordat in de geulen nooit ijzerrijk zand was afgezet in de Diestiaanzee, had de erosie vrij spel. De erosie zette zich in de belangrijkste valleien dan ook verder tot in Formatie van Kortrijk met de vorming van de Leievallei, de Douvevallei in het zuiden van de afbakening en de beekvalleien van de Pandoenebeek, Grote Beek, Fransebeek, de Scherpenbergbeek, de Grote en Kleine Kemmelbeek en de Willebeek in het noorden van de afbakening, met als centrale verbinding de Hillebeek. De jongere afzettingen van de Formaties van Tielt en Gentbrugge werden op veel locaties differentieel geërodeerd, afhankelijk van het dagzomen van klei of zand. Dit resulteerde in een zwakke hellingsgraad voor kleilagen en een steilere voor dagzomende zandlagen; deze afwisseling is op veel plaatsen zichtbaar in de bovenloop van de beekvalleien. De watervoerende lagen zijn beperkt tot de zandhoudende lagen in de Formaties van Tielt, Gentbrugge, Aalter, Lede en Diest. Ook de valleiopvullingen uit het kwartair zijn in zekere mate watervoerend. De kwartaire sedimenten hebben bijgedragen tot het vervlakken van het (tertiaire) reliëf.

Door de sterke lithologische verscheidenheid in een uitgesproken topografie komen op diverse niveaus bronnen voor. Zo is een eerste belangrijke bronniveau gesitueerd rond 55-60 m ter hoogte van de overgang van het Lid van Aalbeke (klei) naar de bovenliggende Formatie van Tielt (kleiig zand).

Een tweede belangrijke bronniveau bevindt zich in op de scheiding tussen onderliggende klei en bovenliggend zand in de Formatie van Gent rond een hoogte van circa +75/+90 m. Hieronder bevinden zich tal van oppervlaktewaters (vijvers, drenkplaatsen, grachten,...) in de slecht doorlatende kleilagen van de basis van de Formatie van Gent en in de Formatie van Tielt. Deze lagen zijn trouwens zeer gelijk in sedimentologische samenstelling. In het noordelijke gedeelte van het gebied komt dit hoge bronniveau niet voor (lagere ligging, noordelijk hellend substraat).

Het hoogste bronniveau bevindt zich op of boven +110 m op de scheiding van klei (Formatie van Maldegem) en het bovenliggende limonietzand van de Formatie van Diest en is het bronniveau van de Douvebeek op de zuidzijde van de Vidaigneberg en het bronniveau van de Grote en Kleine Kemmelbeek op Scherpenberg en Kemmelberg. De andere bronnen van betekenis op deze heuvelrug Vidaigneberg – Rodeberg ontspringen in het onderste gedeelte van de Formatie van Gentbrugge van +75 tot +90 m (vroeger Paniseliaan-complex): Hellegatbeek, Sulferbergbeek, Scherpenbergbeek, Broekelzenbeek, Klijtebeek en Hillebeek. Het paniseliaan kleicomplex kenmerkt zich overigens door de aanwezigheid van tal van kwelbronniveau’s en stuwwatergronden. Door de noordelijk gerichte helling van de tertiaire lagen zijn de regionale stromingsrichtingen eveneens noordwaarts gericht. Om die reden komen er meer bronnen voor op noordelijk gerichte hellingen dan op zuidelijke.

Tijdens het kwartair wisselden ijstijden en tussenijstijden zich af met enerzijds niveo-eolische afzettingen en anderzijds verdere insnijding van de waterlopen. De geologische structuur ligt eveneens aan de basis van heel wat bronnen. Gedurende de laatste ijstijd (weichseliaan van 116.000 tot 11.500 jaar geleden) werd op grote schaal zandleem en leem afgezet. De sedimenten werden door noordwestenwinden aangevoerd uit het Noordzeebekken en landinwaarts differentieel afgezet. Het zand - met het hoogste specifieke korrelgewicht - zette zich eerst af wat zich vertaalt in de afzetting van een 'zandstreek' in het noordelijk landgedeelte. In het meer zuidelijk gelegen landgedeelte werd leem afgezet ("löss"). Hier speelde de heuvelrij - als natuurlijk obstakel - een belangrijke rol door het induceren van lagere en turbulente windsnelheden aan de noordelijke en westelijke zijden wat resulteert in een ruwe natuurlijke scheiding in twee bodemtypes. Typisch is eveneens het voorkomen van asymmetrische dalen, door de ongelijkmatige afzetting van de lösspakketten tijdens deze laatste ijstijd.

Het meest noordelijke deel van dit gebied, ten noorden van de as gevormd door de Rodeberg-Scherpenberg en ten noordoosten van de as Kemmel-De Klijte bestaat de bodem overwegend uit zandleem. De drainageklasse van deze zandleembodems neemt af in noordelijke richting. Nabij de heuvelkam zijn de gronden met andere woorden sterk gleyig. In de beekvalleien worden voornamelijk natte kleibodems aangetroffen. De (noordelijke) heuveltoppen zijn veelal gekenmerkt door drogere zand- en zandleembodems met op de hoogste toppen de typische ijzerzandsteen (Formatie van Diest). Soms worden complexen gevormd van zand, zandleem en klei. Op de zuidelijke hellingen van de heuvelrij komen zwak gleyige leembodems voor. In het uiterste zuiden van het gebied, de Leievallei, bestaat de bodem uit klei, met in het westen zware klei.

Cultuurhistorie

Vanaf het midden paleolithicum (350.000-30.000 voor Christus) wordt het gebied beïnvloed door menselijke activiteiten. Archeologische vondsten uit het paleolithicum en het neolithicum meer bepaald ter hoogte van de Kemmelberg en de Zwartemolenhoek tonen dit aan. De hoogteligging maakt van de plaatsen immers typische heuveltopsites die lange tijd (al dan niet permanent) zijn bewoond. De afwisseling in ijstijden en tussenijstijden had zijn invloed op het landschapsbeeld alsook op de aan- of afwezigheid van bewoning. Er kan aangenomen worden dat de gebieden omwille van de barre klimatologische omstandigheden tijdens de ijstijden niet bewoond waren. Het landschap bestond er toen ook overwegend uit een toendravegetatie.

Een permanente occupatie kan dan ook aangenomen worden na de laatste ijstijd (weichseliaan 116.000 – 11.500 jaar geleden). Het gebied ontwikkelde zich na de ijstijden spontaan tot bos. Uit pollenonderzoek blijkt dat zo’n 13.000 jaar geleden berk en wilg de voorhoede vormden. Ze schoten op in boomloze grazige steppen. Daaruit ontstonden geleidelijk echte berkenbossen. Zo’n 11.300 jaar geleden eiste de den een belangrijke plaats op, zodat een millennium later de streek bedekt werd door taiga, een halfopen dennen-berkenbos. Zo’n 7.500 jaar geleden was de evolutie naar een gemengd bos voltooid. Hierin waren er telkens één of meerdere boomsoorten, die naargelang klimaat, bodemgesteldheid en vochtgehalte het gemengde bos domineerden.

De Kemmelberg is één van de oudste woonsites in de Westhoek. Deze site situeert zich ten westen van de huidige kern Kemmel. Silexartefacten en fragmenten van gebruiksvoorwerpen werden na archeologisch onderzoek aan paleolithische en mesolithische nomaden toegeschreven. De oudste fragmenten zijn midden-paleolithisch. Vondsten uit het laat-paleolithicum (circa 35.000 tot 12.000 voor Christus) zijn schaars, wat wellicht te wijten is aan de barre klimaatsomstandigheden. Op de Kemmelberg werd ook materiaal aangetroffen dat de kenmerken vertoont van het aurignaciaan. Pas tegen het einde van de laatste ijstijd (epi-paleolithicum, circa 12.000 tot 8.000 jaar voor Christus), bij klimaatsverbetering, wordt de bevolking dichter. Op de Kemmelberg worden dan eveneens restanten van de Tjongercultuur, aangetroffen. Het mesolithicum kent zijn aanvang na de laatste ijstijd. Sporen hiervan zijn talrijk op de heuvels. Op de Kemmelberg werd een aanzienlijke hoeveelheid homogeen mesolithisch materiaal aangetroffen.

Ook ter hoogte van de Zwartemolenhoek - Breemeersch zijn verschillende archeologische vondsten (vooral lithisch materiaal) die wijzen op bewoning tijdens het paleolithicum en neolithicum. In Westouter, meer bepaald in de buurt van de Lourdesgrot op de Rodeberg werden stenen bijlen en fundamenten van een neolithische woonhut aangetroffen. Verder is er nog melding van neolithische vondsten op de Scherpenberg (onder de vorm van een stenen bijl). Omstreeks 6.000 jaar geleden wordt de mens meer sedentair en beïnvloeden zij de vegetatie door kaalkap voor de aanleg van akkers en weiden voor het vee. Door deze landbouw werd een snelle bevolkingsgroei mogelijk. Dit proces van omvorming van jager tot landbouwer werd zo’n 5.000 jaar geleden voltooid. Pollenanalyses laten vanaf dan concentraties van granen, akkeronkruiden, grassen en heide zien. Dit wijst op bosdegradatie. Door de akkerbouw erodeerde de grond op de heuvels en werd de aarde meegevoerd tot in de valleien.

De overgang van steentijdperk naar bronstijdperk (3.600 jaar geleden) is in landschappelijk opzicht onscherp. Grafheuvels zijn de belangrijkste sporen van nieuwe bevolkingsgroepen. Landschappelijk blijkt uit pollenanalyse de intrede van vooral beuk en in mindere mate haagbeuk. Naarmate de menselijke activiteiten meer en meer druk uitoefenden op het bos kreeg deze boomsoort het moeilijk, want voor hakhout was deze soort niet geschikt.

In de ijzertijd bestonden de nederzettingen uit losse bewoningskernen met een paar boerderijen. Omdat de bewoning gemakkelijk verplaatsbaar was, trok men na uitputting van de grond naar andere gebieden. Het zwaartepunt van de ontbossing moet wellicht in die periode te situeren zijn, namelijk 2.700-2.400 jaar geleden.

In de laatste eeuwen voor onze tijdrekening veroverden de Kelten onze contreien. Rond die periode ontstonden ‘stammen’. De stamhoofden resideerden in heuvelforten, waarvan die van de Kemmelberg een bekend voorbeeld is. Het hoogtepunt van deze nederzetting zou zich tussen 430 en 300 voor Christus situeren. Ze werd bewoond door de Keltische aristocratie, terwijl de rest van de bevolking wellicht de onderworpen vroegere bevolking was. De grond bij de Kelten behoorde in ruime mate toe aan de aristocratische grootgrondbezitters en werd verpacht. De landbouw was hoogstaand. Er was een goed ploegsysteem, bemesting met mergel. Daarnaast floreerde ook de ambachtelijke industrie, met voor de streek belangrijke ijzerwinning uit het Diestiaan. Er zijn vermoedens dat op de Scherpenberg eveneens een religieuze site of begraafplaats kan verwacht worden.

Kemmel is mogelijks een Keltisch toponiem. ‘Kemlis’ wordt door sommigen verklaard als afgeleid van het Keltisch ‘Kemla’, dat op de Kemmelbeek sloeg, door anderen evenwel van het Latijn ‘cumulus’ dat heuveltop betekent. De Kemmelberg lijkt als bewoningssite net voor de komst van de Romeinen verlaten. Wellicht was er een verhuis naar de Casselberg. Naar het einde van de IJzertijd trok Caesar door onze regio (100-44 voor Christus). Een landschapsbeschrijving gewaagt van eindeloze moerassen en bossen. De bossen waren ‘niet hoog, maar dicht en doornig’. Het bos waarin de Keltische stam de Menapiërs zich schuilhielden werd op bevel van Caesar omgehakt. Waarschijnlijk stonden in deze bossen weinig opgaande bomen en veel hakhout en/of struweel. De andere belangrijke Keltische stam, de Nerviërs, hinderden de Romeinen door hun ondoordringbaar gevlochten hagen. De Romeinen bouwden een verhard wegennet uit, rooiden bossen en rationaliseerden de landbouw. Sporen van hun typische rastervormige verkaveling (kadastrering) zouden we nog terugvinden in de perceelsstructuur rond de heuvels, hoewel dit nog niet onomstootbaar aangetoond werd. Enkele van de huidige bewoningskernen zouden reeds vanaf de Romeinse tijd bestaan hebben, waarbij de heirbaan Boulogne-Keulen een rol zou hebben gespeeld. In dit gebied zijn er twee Romeinse tracés. Het noordelijk tracé valt samen met de noordelijke grens van het gebied. Het is de Casselstraat, de weg die Cassel met Wervik verbindt over Reningelst. In het zuiden van het gebied loopt eveneens een Romeinse weg van Cassel over Nieuwkerke en Wulvergem naar Wervik. De vondst van een Romeinse muntenschat (geslagen onder Marcus–Aurelius, Antonius en Commodus, 138-180 n. Chr.) in Wulvergem, gelegen aan de heirbaan Cassel-Wervik, doet dan ook het vermoeden dat de kern in de Romeinse tijd reeds een permanente woonkern was.

Ter hoogte van Loker is er de Galooie-motte. Deze motte was oorspronkelijk een Gallo-Romeins brandrestengraf en werd nadien verhoogd en omwald en voorzien van een torengebouw. Naast deze versterkte motte bezaten de heren van Loker een in 1200 vermelde villa waarop het huidige Lokerhof gesitueerd is.

Vanaf de 2de eeuw na Christus beginnen Germaanse bevolkingsgroepen, meer bepaald de Franken, onze regio op te zoeken en vanaf de 4de eeuw beginnen ze zich te vestigen. Vermoed wordt dat in die tussenperiode het bos opnieuw kan uitbreiden en zich enigszins herstellen. Tijdens de Germanen bestaan privé-eigendom, maar is eveneens een groot deel van de gronden vrij beschikbaar voor iedereen. Die ‘gemene gronden’ waren de ideale graasplaatsen voor het vee. Verschillende dorpen in de ankerplaats zijn in de Frankisch-Merovingische periode ontstaan, vanaf het einde van de 5de eeuw, als nederzettingen van veeboeren. De ‘dries’ van Kemmel is er ongetwijfeld het fraaiste voorbeeld van. Dit centraal plein was een gemeenschappelijke drink- en verzamelplaats voor vee. In de middeleeuwen fungeerde het plein ook voor het bleken van de lakens vooraleer deze verkocht werden op de markten (onder andere in Ieper). De dries is tot op heden nog steeds herkenbaar als een open grasplein (met kiosk) omgeven door bomen. Samen met de site van het voormalige kasteel met omwalling en de kerk respectievelijk ten noorden en ten oosten van de dries vormt dit geheel een mooi voorbeeld van middeleeuwse dorpsontwikkeling. Ook in Nieuwkerke met het driehoekig dorpsplein, kerk en de motte ten zuiden ervan alsook in Westouter met opper- en neerhof, kerk en dorpsplein zijn deze oude dorpsstructuren nog herkenbaar. Wulvergem is als gem- of ingahem-benaming duidelijk Germaans. De naam komt voor het eerst voor in 703 onder de benaming ‘Wulferisele’, nederzetting van Wulfer, die het gebied aan de abdij van Sint-Winoksbergen zou geschonken hebben.

Hoewel tamelijk aaneengesloten vormde het bosgebied toch geen ongedifferentieerd geheel in de Volle Middeleeuwen. De graaf van Vlaanderen en de Burggraven van Ieper hadden delen van hun gronden aan abdijen evenals aan talrijke grotere en kleine leenmannen in leen uitgegeven. Ongetwijfeld heeft deze bezitsverbrokkeling de versnippering van het natuurlandschap in de hand gewerkt, zodat de controle op wilde ontginningen en begrazingen minder doeltreffend was en het bos op verschillende plaatsen degradeerde. Aan de rand van deze boszone kwamen moerassen voor waaruit turf werd gedolven.

In 1217 is er sprake van een Ieperse waterregie waarin de aanleg van vijf spaarbekkens worden vermeld. Dikkebusvijver is één van deze spaarbekkens, vermeld in 1320, en ontstond door het afdammen van de Kemmelbeek. De vijver bevoorraadde Ieper van drinkwater via de bekende Ieperse grachten en eikenhouten pijpen, die het water tot bij de stadswoningen brachten. Het water werd eveneens voor de lakennijverheid gebruikt en voorzag de vestingen van Ieper van voldoende water. Op de noordelijke oever van Dikkebusvijver staat de zogenaamde ‘Vaubantoren’, gebouwd in 1684 als versterking ter verdediging van de Ieperse waterbevoorrading en als sashuis voor de valsluis die de watertoevoer vanuit de vijver van Dikkebus naar Ieper moest regelen. De toren maakt deel uit van stadsvesting. Vandaag de dag wordt het water nog steeds aangewend als drinkwater voor de stad Ieper.

Hoewel de meeste dorpen hier wellicht reeds uit de Gallo-Romeinse tijd of de vroege Middeleeuwen stammen, verschijnen ze in geschreven bronnen meestal pas vanaf de 10de, 11de of zelfs 12de eeuw. Westouter werd reeds vermeld in 1089 als ‘Wistaltare’ wat ‘altaar naar het westen gericht’ betekent. Westouter was al een parochie in 1069. Het dorp is ontstaan rond een kunstmatig aangelegde verhevenheid omringd door een gracht (motte) het opperhof. Archeologische vondsten wijzen zelfs op neolithische bewoning. Na de vernieling van de Eerste Wereldoorlog werd het dorp heropgebouwd zoals afgebeeld door Sanderus (1641).

De heerlijkheid Loker wordt voor het eerst vermeld in 1072 als ‘Lokre’, dat zou betekenen ‘heldere beek’ Andere bronnen spreken van omheining, heuvelachtig landschap met beekjes en een afleiding van het Latijnse ‘Locus’ of ‘verpachte plaats’. Loker, gelegen nabij de heirbaan Cassel-Kortrijk, was reeds bewoond ten tijde van de Romeinen; een brandrestengraf op Galooie-motte wijst op deze aanwezigheid en vroegere bewoning.

Nieuwkerke wordt voor het eerst vermeld in 1100 als ‘Nova Ecclesia’. Het is een oude parochie van de kasselrij Belle. In de middeleeuwen profileert Nieuwkerke zich als een stadje met een bloeiende textielnijverheid en –handel. In de 16de eeuw bereikt de linnennijverheid hier zijn hoogtepunt en was ze belangrijker dan in Ieper, Brugge of Gent! Dranouter staat sinds 1113 als parochie bekend. De naam zou betekenen ‘altaar of kerk van Draba’, een eigennaam. In het noorden is er de kern Reningelst (Poperinge). De parochie Reningelst werd door de Graaf van Vlaanderen Diederik van de Elzas in 1161 gesticht. De naam werd reeds eerder vermeld in 1107. Reningelst was tevens een belangrijke heerlijkheid. Het kasteel van de heren van Reningelst werd opgericht in de 12de eeuw op de vroegere motte-versterking met neerhof en groeide in 13de-14de eeuw uit tot een kasteel met ringmuur en torens, die in de 17de eeuw een meer residentieel uitzicht kreeg, de zogenaamde ‘zeven torren’ met wal en ophaalbrug. In 1793 werd het kasteel door brand verwoest en rest enkel nog het weiland met walgrachtdepressie en ondergrondse bakstenen fundamenten tussen de kerk en de kasteelhoeve.

In de 10de–13de eeuw ontstaan eveneens door hagen en houtkanten omzoomde percelen. In de vroege middeleeuwen was het gebruikelijk slechts akkers te omgeven met een vlechtwerk van dode takken om het vee buiten te houden. Naarmate de oppervlakte ontgonnen land echter toenam werd het gebruikelijker het vee in weiden binnen te houden met levende hagen. De grootste hagendichtheid wordt zelfs pas bereikt in de 18de en 19de eeuw. Metingen van oude hagen leveren zelden een ouderdom op van meer dan 100 jaar, omdat niet functionele hagen afgezet werden tot de grond. De ondergrondse ouderdom kan dus best wel enkele eeuwen ouder zijn, maar middeleeuws is al heel erg onwaarschijnlijk. De commentaar bij de kabinetskaarten van de Ferraris vernoemt expliciet de regio Nieuwkerke-Kemmel-Mesen voor zijn enorme hagendichtheid. Uit literatuur blijkt dat het totale houtkantenbestand in 1775 ongeveer twee derde van de oppervlakte bos in Binnen-Vlaanderen uitmaakte wat wijst op het belang van houtkanten ten aanzien van het totale bosareaal. De ankerplaats vormt dan ook een uitgesproken voorbeeld van hagendichtheid in Vlaanderen in de 18de eeuw.

Behalve als veekering waren hagen en houtkanten ook als belangrijke houtleveranciers. Het gemengd voorkomen van doornstruiken met opgaande en geknotte bomen is dan ook zeer verbreid. Bijna elke boomsoort werd in de streek ook geknot. De ankerplaats toont bovendien een mooie staalkaart van verschillende vlechtmethoden van hagen, die hier beter bewaard zijn dan elders in Vlaanderen. Behalve de meer algemene verspreide manier van vlechten (‘leiden’) treft men hier ook nog ‘kruis’- en ‘plakhagen’ aan (onder andere ter hoogte van de Rozenhillestraat, Lepelaarstraat, Vitsemolenstraat, Lokerhof en Poorthof). Kenmerkend voor de late middeleeuwen zijn de ontbossingen. Deze ontbossingen waren reeds gestart in de 10de eeuw (de eerste fase van de grote ontginningen) en zetten zich verder in de latere eeuwen. Kenmerkend was dat in de Zandleem- en Leemstreek de bossen niet werden gerooid op plaatsen waar de leemmantel ontbrak of weinig diep was. Dit was het geval op de steile hellingen van rivieren en beken en de heuvelkammen van meer dan 100 m. Quasi alle bossen die vermeld werden in de 12de en 13de eeuw zijn nog steeds terug te vinden op de 18de-eeuwse Ferrariskaart. Op het einde van de 16de eeuw is de Westhoek zo goed als ontvolkt door de godsdienstoorlogen. Volgens sommige bronnen herstelt de streek daarna nauwelijks, omdat ze nadien wordt meegesleept in een algemene economische en religieuze depressie. Volgens andere bronnen herstelt de streek zich, zeker op landbouwkundig vlak op nauwelijks een generatie tijd en eens te meer blijkt de landbouweconomie van de streek vooruitstrevend voor zijn tijd. In 1568 werd ten gevolge van de Beeldenstorm de kerken van Dranouter, Loker, Kemmel, Nieuwkerke en Reningelst vernield en geplunderd. Drie priesters van Reningelst werden terechtgesteld te Nieuwkerke op de Zwartemolenhoek, waar in 1909 een Calvariekruis en in 1929 een Kruistombe werden gebouwd.

In de 17de en 18de eeuw blijft de landbouw verder evolueren, onder meer door nieuwe bemestingstechnieken. De kabinetskaart van de Ferraris (1771-1779) geeft een goed beeld van het landschap in de 18de eeuw, zijnde een bocagelandschap met veel boomgaarden en bos op de heuveltoppen en hellingen met kwel- en stuwwatergronden. Dit ontginningspatroon is nog steeds goed herkenbaar in het landschap. Het bocagelandschap bestond uit een patchwork van akkers, weilanden, bossen en heel wat boomgaarden waarbij de velden omzoomd waren met hagen en houtkanten. Kenmerkend voor dit gebied was het voorkomen van boomgaarden bij hoeves, het talrijk voorkomen van boomgaard rond de kernen, op onder andere de noord- en zuidzijde van de Kemmel- en Monteberg en het zeer talrijk voorkomen ervan in de omgeving van Nieuwkerke. Uit het beperkt onderzoek van het primitief kadaster (Kemmel 1834) blijkt dat de grootteorde van aanduidingen van boomgaard steeds gekoppeld aan huis en hof een gemiddelde oppervlakte had van 1 à 2 ha soms tot 3 ha en zelfs 4 ha (hoeve Traisnel) en 5 ha (Bruuloze). Bij een vergelijking met de kabinetskaart van de Ferraris kunnen we concluderen dat er een zeer grote gelijkenis waar te nemen is tussen het voorkomen van boomgaarden op de beide kaarten met een iets grotere dichtheid op de kabinetskaart van de Ferrariskaart.

Gelet op het gelijke beeld van boomgaarden ten tijde van de Ferraris als bij de opmaak van het primitief kadaster in 1834, en gelet op de beschrijving van Vandermaelen (1846-1854), kan worden verondersteld dat het veelvuldig voorkomen van boomgaarden in deze regio bedoeld was zowel voor eigen gebruik als voor verkoop en zelfs in functie van opkweek van fruitbomen en dat dit verschijnsel vermoedelijk een aanvang nam halfweg de 18de eeuw.

In de 18de eeuw komen verspreid in het gebied hoeves met een ringgracht voor. Van enkele zijn hier nog sporen terug te vinden in het landschap zoals het Oosthove, 'Cense du Don' hoeve, Groot Westhof en ten westen van het Klein Westhof allen ten zuiden van Nieuwkerke. Van andere hoeves zijn hier nog sporadisch restanten terug te vinden.

In het gebied waren ook verschillende windmolens (reeds in de 17de eeuw maakte Sanderus hier melding van). Zo had nagenoeg iedere heuveltop een molen. De Hillemolen en Swartenmolen in Dranouter; de Lettenbergmolen, Keyserinnemolen en Kemmelbergmolen in Kemmel, de Montebergmolen en Scherpenbergmolen te Loker; de Spiermolen en Warandemolen te Nieuwkerke, de Rodenbergmolen te Westouter … zijn enkele van de meer dan 20 molens die er ooit hebben gestaan. Naast windmolens was er ook op de Douve te Wulvergem een watermolen. Deze molens zijn allen verdwenen (hoofdzakelijk als gevolg van de Eerste Wereldoorlog). In Westouter is er wel een bewaarde houten staakmolen, de Lijstermolen. Dit is een molen uit de Lijsterhoek te Beernem die in 1957 werd aangekocht door de gemeente Westouter.

Er is in de 18de eeuw eveneens heel wat bos; het zijn de bosrelicten van het middeleeuwse bos. De grootste bossen komen voor ter hoogte van de top van de Kemmelberg, op de Scherpenberg en de vallei van de Scherpenbergbeek, ten zuiden van Dikkebusvijver (huidig kasteeldomein Elzenwalle), de Monteberg, langs de Galooiebeek (huidig Eeuwenhout) en ter hoogte van Zwartemolenhoek-Breemeersch. Langs verschillende waterlopen zijn de gronden overwegend in graslandgebruik, lokaal is er een bosje. De Douvevallei is nagenoeg volledig grasland. Het gebied ter hoogte van de Rodeberg-Westouter werd door Graaf de Ferraris niet gekarteerd aangezien Westouter pas na 1778 Oostenrijks grondgebied werd. In 1769 waren Nieuwkerke en Dranouter reeds overgedragen van Frans-Vlaanderen naar de Oostenrijkse Nederlanden. De wijzigingen werden op het terrein gemarkeerd door het plaatsen van grenspalen. Een tweede grenswijziging was er in 1779-1780. In het zuiden en het westen van het gebied zijn nog grenspalen (1819) aanwezig die de grens tussen Frankrijk en de Nederlanden weergeven.

De merkwaardige zuidelijke uitloper, op het grondgebied van Nieuwkerke, loopt parallel aan de Spierebeek en wordt ‘Clé d’Hollande’ genoemd. Vanuit Frankrijk bekeken vormde deze strook immers de ‘sleutel’ tot de Nederlanden. Eeuwenlang liep de ‘Clé d’Hollande’ tot aan de Leie. Zo hoefde Nieuwkerke aan niemand tol te betalen als het zijn lakens via de Spierebeek wilde uitvoeren. Pas in 1962, toen de taalgrens in de grondwet werd vastgelegd, werd de ‘Clé d’Hollande’ ingekort tot wat ze nu is. In deze smalle strook bevinden zich de historische hoeves ‘Oosthof’ en ‘Cense du Don’.

In 1820 zorgt het Verdrag van Kortrijk tussen Frankrijk en Nederland voor een definitieve regeling van de grens. De grens met Frankrijk zoals we die nu kennen is toen vastgelegd en vormt de zuidelijke en westelijke grens van het gebied. Rond 1850 is er een duidelijke toename van de oppervlakte akker- en weiland waarneembaar ten koste van het bosareaal. Vandermaelen vermeldt in zijn ‘Dictionnaire Geographique de la Flandre occidentale’ (1836) onder de gemeente Kemmel bij de beschrijving van de landbouw het economische belang van de fruitteelt. De verklarende tekst betreffende het bodemgebruik, in het bijzonder onder ‘arbres fruitiers’, bevat een aanwijzing voor de aanvang van het aanplanten van boomgaarden voor enerzijds de consumptie (fruits) en anderzijds voor de kweek (pépinières). Wel zien we een uitbreiding van het bos op de Kemmelberg en een versnipperde herbebossing op de Rodeberg.

Na de landbouwcrisis van 1880 vond een herbebossingsfase plaats. De boomsamenstelling van deze herbebossing was groter dan ooit tevoren. Boswallen, hoofdzakelijk bestaand uit haagbeuk, werden tot eind de 19de eeuw gebruikt om bossen of bospercelen af te scheiden. Ten gevolge van de dominante positie van bouwland, de intensivering en mechanisatie van de landbouwbedrijvigheid, begon de dichtheid aan hagen en bomenrijen eind de 19de eeuw af te nemen. De grote industrialisering van de 19de eeuw gaat in grote mate voorbij aan de Westhoek en blijft beperkt tot een aantal kleigroeven en steenbakkerijen, agrarische nijverheid en vlas- en textielnijverheid (in de Leievallei). In 1890 worden tramlijnen aangelegd tussen Ieper, Kemmel en Nieuwkerke.

Bij de intrede van de mechanische landbouw in de loop van de 20ste eeuw worden kavels samengevoegd waardoor heel wat houtkanten en boomgaarden verdwijnen. Tevens werden vele taluds tussen de akkerlandpercelen weggeploegd. Deze taluds ontstonden ondermeer door het beplanten van perceelgrenzen op hellend terrein waardoor deze fungeerden als 'vangrail' voor afspoelend leem. Hagen en houtkanten zijn nagenoeg nog enkel aanwezig rond graslanden, huisweiden en op sommige plaatsen langs onverharde paden.

Op de topografischekaart van 1911 ziet men een reductie van de hagen, houtkanten en boomgaarden. Het bosareaal daalt eveneens. In tegenstelling tot de rest van Vlaanderen gaat de industrialisatie hier niet gepaard met een zeer grote ontginningen van bosareaal. Op de zuidflank van de Rug van Nieuwkerke is het bosareaal nagenoeg volledig verdwenen op een vijftal restperceeltjes na. Op de top van de Monteberg en de Scherpenberg is het bosareaal verminderd maar nog prominent aanwezig. Langs de Scherpenbergbeek is er een sterke daling van het bosareaal en komen reeds heel wat akkers en sporadisch enkele weilanden voor. Op de overige plaatsen (Kemmelberg, Galooiebeek, Hellebeek) is het bosareaal meer versnipperd en slechts beperkt verminderd in vergelijkbaar met dat in de 18de eeuw. In het noorden van Westouter en Reningelst verdwijnt het bos praktisch totaal. De bossen op de Bergen worden verder versnipperd. Niettemin bleef het bos een grote oppervlakte bedekken, groter dan nu het geval is.

Einde 19de eeuw vormden de West-Vlaamse heuvels reeds een toeristisch-recreatieve aantrekkingspool; zo kwamen onder andere welvarende burgers uit Rijsel met de stoomtram naar Kemmel en omgeving om er van de rust, het groen en de uitgestrekte panorama’s te genieten. Vóór 1900 was er op de top van de Kemmelberg een uitkijkpunt aanwezig. De allereerste toeristen beklommen het via een spiraalvorming trappad om boven van het panorama te genieten. Op die bult staat nu het geodetisch meetpunt van 156 m hoogte boven de zeespiegel. Voor de Eerst Wereldoolog stond er houten uitkijktoren. Toeristische belangen vormden reeds in het begin van de 20ste eeuw een bedreiging voor het Hellegatbos op de Rode Berg waarbij Touring Club van België in 1912 actie voerde en de Belgische Staat het bos aankocht.

Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog heeft een zeer grote invloed gehad op het landschap hier. Lange tijd bleef dit landschap buiten het strijdgewoel. Het gebied zou tot het voorjaar van 1918 deel uitmaken van het geallieerde hinterland, waar tal van infrastructuur (kampementen, (smal)spoorlijnen, ...) werd uitgebouwd ten behoeve van de militairen. De verschillende heuvels fungeerden eveneens als belangrijke observatiepunten. Door zijn dominante positie in het landschap bood de Kemmelberg een uitstekend zicht richting oosten naar de eigen voorhoede, maar ook naar de Duitse frontlinies en richting noorden ook naar Ieper en verder tot Zonnebeke en Passendale. Omwille van de voornamelijk lagere ligging van de geallieerden in het zuidelijk front, was onder andere de Kemmelberg cruciaal voor de geallieerde observatie. Ook de Scherpenberg met zijn windmolen fungeerde tijdens de oorlog vanwege zijn hoogte en zijn relatief veilige ligging achter het front als belangrijk observatiepunt. Op voldoende afstand van het strijdgewoel vormden de flanken van beide heuvels bovendien een ideaal oefenterrein. Zo werd de Mijnenslag (ter hoogte van de Wijtschateboog) er grondig voorbereid.

Omdat de Kemmelberg lange tijd relatief ver van het front verwijderd lag en omwille van de eerder offensieve houding van de geallieerde legerleiding, was de verdedigingsinfrastructuur er minder zwaar uitgebouwd. De Kemmelberg lag tussen 1914 - juni 1917 achter de tweede Britse verdedigingslinie, op ruim 3 km afstand van de frontlijn. Omdat het front toen min of meer noord-zuid was georiënteerd, volgden de eerste en tweede verdedigingslinie diezelfde oriëntatie. De derde Britse linie deelde een centraal deel met de tweede linie, onder andere de voet van de Kemmelberg, maar boog in het noorden af langs de Millekruisestraat en de Reningelststraat. Zuidelijk draaide de derde linie rond de zuidoostelijke voet van de Kemmelberg en ging dan richting Steenwerck. De derde verdedigingslinie vertakte van de tweede ter hoogte van Kemmel en volgde een noordoost-zuidwestelijk traject. Deze linies situeerden zich ten oosten en zuidoosten van de Kemmelberg. Ze bestonden uit een dubbele rij, korte, onderbroken loopgraven en prikkeldraadversperringen. Die lagen allemaal aan de voet van de Kemmelberg, buiten bebost gebied. In het bos zouden ze heel beperkte actieradius hebben gehad. Tussen Kemmeldorp en de Kemmelberg kwamen verschillende loopgraafsystemen samen: loopgraven vanaf Sint-Elooi, het kanaal Ieper-Komen en de Kleine Vierstraat. De opbouw van de verdedigingslinies veranderde niet toen de frontlijn na de mijnenslag van 7 juni 1917 nog meer in oostelijke richting opschoof. In april 1918 kwam de oorlog onverwacht zeer dichtbij. In het voorjaar van 1918 ondernamen de Duitsers een grootschalige poging om het geallieerde front te doorbreken. Door een vredesakkoord op het Russische front (Brest-Litovsk, maart 1918) konden extra Duitse troepen aangevoerd worden naar het westfront. Met deze troepenverschuiving hoopten de Duitsers een doorbraak te realiseren tot aan de kanaalkust vóór de komst van de Amerikaanse troepen (na de Amerikaanse oorlogsverklaring van april 1917). De komst van de Amerikaanse troepen zou immers leiden tot een numeriek overwicht aan geallieerde troepen wat de kansen van de Duitsers om de kanaalkust te bereiken, sterk zou doen verminderen.

Vanaf 21 maart 1918 lanceerden de Duitsers een groot offensief over een breed front, tussen Laon en Arras, met spectaculaire terreinwinst tot gevolg. Toen de geallieerden begin april erin slaagden de Duitse opmars te stoppen, spitsten de Duitsers zich nu toe op een meer noordelijke aanval, tussen Dranouter en Wijtschate, met centraal de Kemmelberg als grootste obstakel. Dit offensief, eveneens gekend als de Vierde slag bij Ieper kan in verschillende fasen onderverdeeld worden met onder meer in de nacht van 15-16 april de Duitse verovering van Nieuwkerke en op 17-19 april en op 25-26 april 1918 de slagen om de Kemmelberg. De tweede slag om de Kemmelberg wordt beschreven als een ware hel. Omstreeks 2u30 startte een trommelvuur met honderden projectielen per minuut. De heuvel werd omgetoverd tot een vuurzee achter een ondoordringbaar gordijn van giftige kruit- en gasdampen. De beschieting duurde meer dan twee uren. Om 5 uur volgde een nog zwaarder Duits bombardement, ditmaal ondersteund door een luchtaanval. Een Franse soldaat beschreef de bombardementen als “erger dan wat we meemaakten in Verdun”. “We zijn uitgeput omdat we niet kunnen eten, drinken of slapen. We worden voortdurend gekweld door lawaai, vergiftigd door het buskruit en het mosterdgas, dat we met galgenhumor omdoopten tot ‘koffie en parfumerie’". Ooggetuigen uit de omgeving zouden de Kemmelberg ook beschreven hebben als een uitbarstende vulkaan. De Monteberg werd via een holle weg de huidige Beukelaarstraat bestormd en ingenomen door de Duitsers.

Na de spectaculaire inname van de Kemmelberg zou de Duitse aanval stokken, onder meer ten gevolge van het achterblijven van artillerie en reservetroepen en omwille van een snelle geallieerde reorganisatie. De volgende dagen en weken (tot halfweg de maand mei) zouden nog Duitse aanvallen en geallieerde tegenaanvallen volgen. Zo gingen de Duitsers op 29 april over tot een aanval tussen Bailleul en Ieper. Bij Loker, Bruuloze en Scherpenberg konden de Fransen standhouden, ondanks zware verliezen. Op sommige plaatsen maakten de Duitsers nog wel enkele honderden meters vooruitgang, maar een doorbraak zou niet gerealiseerd worden.

Achteraf bleek dat een Duitse doorbraak heel nabij geweest was. Het front rond Ieper was nooit zo klein geweest en liep grosso modo vanaf het zuiden van Voormezele, ten noorden van Grote Vierstraat, ten zuidoosten van De Klijte en ten noorden van Bruuloze tot aan het gesticht van Loker en Koudekot (ten westen van Dranouter). Het landschap tussen Kemmel en Loker werd tijdens deze maanden verwoest. “Bij onze aankomst (16 april 1918) was de Kemmelberg een mooie plaats, dicht bebost, vrolijk met bloemen bedekt en over het algemeen gelijkend op Clifton Grove in de maand mei. Bij ons vertrek was het een gefolterde massa bruine aarde met versplinterde bomen en bezoedelde lucht”. Toen de Duitsers er niet in geslaagd waren volledig door te breken ondanks de zware concentratie aan middelen, begon hun vertrouwen te slinken. Vanaf de zomer van 1918 voerden de geallieerden, aangesterkt met Amerikaanse troepen, de druk op de Duitse troepen op, door opeenvolgende aanvallen op de Duitse linies (de zogenaamde ‘ontzettingsgevechten’ van 18 augustus – 6 september 1918). Op 20-21 augustus veroverden de geallieerden terug de heuvelrug rond Dranouter en bereikten zo de voet van de Kemmelberg. Op 30 augustus 1918 lieten de Duitsers de Kemmelberg achter, vernietigden er hun materiaal en trokken zich terug richting Wijtschate en Mesen. Op 5 september 1918 wordt de Kemmelberg definitief heroverd door Frans-Britse troepen. In het zuiden werd Nieuwkerke heroverd op 1 september en Wulvergem op 2 september. Tijdens het Bevrijdingsoffensief, dat van start ging op 28 september 1918, eindigde de verovering van de West-Vlaamse heuvelkam op 2 oktober.

Het landschap werd zeer zwaar getroffen in de Eerste Wereldoorlog. Nagenoeg alle bossen in de frontstreek werden compleet overhoop geschoten en op vele plaatsen herschapen in een kraterlandschap. In het gebied ontsnapten alleen het Voorbos op de zuidelijke flank van de Kemmelberg, de noordelijke gedeelten van Reningelst en Westouter hieraan. Sommige bossen die nog resteerden, omdat ze buiten de frontlinie bleven, werden na de oorlog nog ontbost. Dit gold bijvoorbeeld voor het Eeuwenhout.

Op verschillende plaatsen in het landschap zijn nog relicten aanwezig die verwijzen naar deze oorlog zoals de talrijke gedenktekens, begraafplaatsen, bunkers en schuilplaatsen,… In de westflank van de Lettenberg zijn vier Britse betonnen schuilplaatsen bewaard gebleven van de tweede linie. Tussen 4 april en eind mei 1917 legde de '175th Tunnelling Company' in opdracht van het 'IXth Corps' er ondergrondse infrastructuur aan voor een brigade-hoofdkwartier met bijhorende accommodatie voor één peloton. Na de verovering van dit grondgebied, maakten de Duitsers dankbaar gebruik van de uitgebouwde Britse accommodatie aan de Lettenberg. Eén van de constructies werd door de geallieerden of Duitsers aangewend als medische post: op de gevel is een rood kruis geschilderd, die nog steeds te zien is.

Op de Lettenberg stond tot begin 20ste eeuw een open standerdmolen voor het malen van graan (vroegste vermelding 1641). In de 19de eeuw werd deze molen gebruikt door de familie Terrier (vandaar 'Terrieremolen' en 'Terrierstraat'). In 1905 liet de laatste molenaar het houten bouwwerk afbreken omdat de molen niet rendabel was. Na de oorlog kwam de Lettenberg in handen van een nieuwe eigenaar, Alexander Sels. Op de plaats waar ooit de molen stond, plaatste hij een calvarie met bijhorende kruisweg; de Lettenberg wordt soms ook aangeduid als Calvarieberg. In tussentijd werd de Lettenberg ook terug helemaal bebost. Volgens de inventaris van autochtone bomen en struiken komen er nog zeer oude houtige elementen voor. In het bos bevindt zich ook nog een restant van een oude holle weg.

Ten zuiden van de Lettenberg bevindt zich een sterk glooiend weiland aan de Kattekerkhofstraat. Dit weiland is een oorlogslandschap (Kattekerkhofstraat) aangezien het duidelijke zigzaggende patronen en putten vertoont die vermoedelijk wijzen op loopgraven en bomkraters uit de Eerste Wereldoorlog. Britse en Duitse loopgravenkaarten tonen aan dat doorheen dit weiland de Britten gevechtsloopgraven hadden aangelegd die deel uitmaakten van de Tweede Britse verdedigingslinie. Verbindingsloopgraven verbonden dit systeem met (ondergrondse) schuilplaatsen of bunkers. De weide kwam in het strijdgewoel terecht tijdens het Duitse lente-offensief (april 1918), wat de vermoedelijke bomkraters kan verklaren. In de weide is eveneens een vermoedelijke toegang tot een ondergrondse installatie (tunnel, deep-dugout,...) uit de Eerste Wereldoorlog aanwezig, waarvan naar verluidt de trappen nog aanwezig zouden zijn. Het weiland is in het noorden en westen omgeven door (deels) holle wegen: de Kattekerkhofstraat en de Lokerstraat, beide afgezoomd door waardevolle houtkanten met autochtoon genenmateriaal. Een aantal oude meidoorn- en sleedoornhagen kruisen het weiland, telkens op een talud gelegen. Parallel aan de haag die dwars op de Lokerstraat staat lag een vuurloopgraaf. Hoewel de loopgraaf langs de hoge zijde van het talud ligt, bood deze locatie waarschijnlijk toch een nuttige beschutting tegen de vijand. In het zuidoosten ligt een bronbosje waarin zich zeer oude, en dus vooroorlogse, hazelaar zou bevinden. In de beschutting van de westelijke rand van dit bosje, aanwezig van voor de oorlog, lag eveneens een gevechtsloopgraaf. De ligging van de haag en het bosje (ruimtelijke dragers) laten toe om in aanvulling op de zichtbare sporen in het reliëf de ligging van de tweede Britse verdedigingslinie weer te geven. De sporen ten zuidwesten van het bosje zijn restanten van het oorlogslandschap bestaande uit verbindingsloopgraven achter de verdedigingslinies, bomkraters en schuilplaatsen. De top van de Kemmelberg symboliseert het meest de strategische positie die de berg innam als belangrijke observatiepost die zijn omgeving in wijde omtrek domineert. Het was ook het ultieme te veroveren doel. Voor de oorlog stond hier, rond de eeuwwisseling, een houten uitkijktoren, die symbool stond voor het beginnende toerisme naar de West-Vlaamse heuvels. Deze toren was tijdens de oorlog als observatiepost van ontelbare waarde voor de Britse troepen. Tijdens de vierde slag werd de toren verwoest. Na de oorlog werd de huidige vierzijdige bakstenen uitkijktoren Belvédère gebouwd. Op een heldere dag biedt de toren een fantastisch zicht over de Ieperboog en Wijtschateboog tot Armentières in het zuiden.

Op de top van de Kemmelberg staat de gedenkzuil 'Den Engel' geheten. Dit monument van 18 m hoog beeldt Victoria uit, de Romeinse godin van de overwinning naar ontwerp van de Franse architect Louis Cordonnier. De volksmond doopte ze om tot 'De Treurende Engel'. Deze gedenkzuil wil vooral herinneren aan de vele Fransen die hier in april 1918 vochten tijdens de Slag om de Kemmelberg. Het monument vormt een symbolische eenheid met het Franse massagraf, 170 m verderop. De vrouwenfiguur op de gedenkzuil kijkt naar de obelisk op het massagraf en verderop richting Frankrijk, het thuisland van de gesneuvelden. Dit Franse 'Ossuaire' bestaat uit vier massagraven, aangelegd tussen 1920 en 1925 en vermoedelijk nog later aangevuld. Daarin liggen de resten van 5.294 militairen begraven liggen, waarvan er slechts 57 geïdentificeerd konden worden. Het is de grootste militaire begraafplaats in dit gebied, en de grootste Franse militaire begraafplaats in Vlaanderen. Vanaf het Franse massagraf, op de zuidwestelijke flank van de Kemmelberg, kijkt men westwaarts uit op de heuvelkam van de Baneberg, Rodeberg, Molenberg, Vidaigneberg en Zwarteberg, en verder de Franse-Vlaamse Catsberg.

Na de Eerste Wereldoorlog wordt van overheidswege aanbevolen de streek grotendeels te (her)bebossen, omdat ze voor landbouw toch niet meer zou geschikt zijn. Bij gebrek aan plantgoed enerzijds en door het enorme dynamisme van de plaatselijke bevolking anderzijds werden toch de meeste gronden weer in landbouwgebruik genomen. Herbebossing gebeurde vooral op dezelfde plaatsen van voormalig bos, ook was er veel spontane heropslag vanuit oude hakhoutstoven. Om de gronden terug bruikbaar te maken voor landbouw werden de gronden meerdere keren opgeruimd. Pas nadat alle gronden gediepgrond waren, waarbij nog oorlogsresten verwijderd werden en veelal betere teelaarde naar boven kwam, waren de meeste problemen voorbij. In mei 1921 was 77% van de totale oppervlakte velden hersteld. Het ministerie en de Boerenbond voorzagen de mensen van een lage prijs in dieren, meststoffen, werktuigen, zaaigoed, ..., zodat ze vlot konden heropstarten. Rond 1930 waren bijna alle landbouwgronden weer echt in gebruik genomen. Niet alle eigenaars keerden terug waardoor na de oorlog vele hoeven van eigenaar veranderden of niet weer opgebouwd werden. Ten gevolge van de totale verwoesting van de bebouwing in het oorlogsgebied lieten de verwoeste gemeenten zich adopteren door de Staat (wet van 8 april 1919) en werd de wederopbouw in het Verwoeste Gewest gefinancierd en gecoördineerd. Binnen het gebied is bijgevolg alle bebouwing met uitzondering van Reningelst uit de wederopbouwperiode. De wederopbouw herstelde in grote lijnen het vooroorlogse stratenpatroon en de inplanting van de gebouwen en sluit aan bij de regionale baksteenarchitectuur en planindeling van de 19de eeuw. Men nam hierbij wel de vrijheid om enkele verbeteringen door te voeren in het stedelijk weefsel. Zo werden straten rechtgetrokken en werden de gebouwen soms een meter verder naar achter opgebouwd zodat de straten meer ruimte zouden krijgen. Soms werden gebouwen van voor de oorlog op een meer logische plek in de herbouwde kern geplaatst. Zo werd voor de wederopbouw van de configuratie van Nieuwkerke gebruik gemaakt van de kaart van Sanderus. Gezien het landelijke karakter hier is de wederopbouwstijl eerder sober.

De dorpskerken van Loker, Dranouter, Westouter en Nieuwkerke werden gereconstrueerd min of meer getrouw aan de stijleenheid van de vorige laat-gothische hallenkerk en sluit aan bij de typische baksteengothiek van de kuststreek. De wederopgebouwde parochiekerk van Kemmel vertoont eclectische stijlkenmerken en leunt meer aan bij de neo-Romaanse stijl met regionale en neo-Byzantijnse inslag. De gemeentehuizen van Nieuwkerke en Westouter werden in of meer historiserende trant wederopgebouwd en onderscheiden zich van de overige doorsnee-bebouwing.

In 1925 werd aan de voet de Kemmelberg ter hoogte van de bronweide van de Willebeek op de plaats van een vooroorlogs jachtpaviljoen een kasteel in neo-renaissance-stijl gebouwd naar ontwerp van archicecten C. Pile en H. Carbon: het is thans het gemeentehuis van Heuvelland. Ook het vooroorlogs kasteel op de historische kasteelsite (1622) aan de rand van het dorp van Kemmel werd heropgebouwd als een landhuis in Cottage-stijl naar ontwerp van architect J. Dumont (1920). De nieuwe hoeven werden meestal terug opgebouwd vlakbij hun vorige locatie. De eenvoudige wederopbouwtrant sluit aan bij de regionale 19de-eeuwse hoevebouw. Veelal was het bouwmateriaal en de indeling van de woning zeer modern, maar kreeg de gevel een 'oud' voorkomen. Doordat men overdreef in het gebruik van stijlelementen zijn deze hoeven toch zeer verschillend van de meer sobere hoeven die er voor de oorlog stonden. De plannen van de wederopbouwhoeven werden onder andere opgemaakt door de Boerenbond, die over een 'bouwdienst' beschikte. Er komen verschillende types hoeven voor, veelal afhankelijk van de bedrijfsgrootte. Een veelvoorkomend type heeft een u-vormige opstelling van drie losse gebouwen (twee schuren en een woonhuis) rond het erf. Dit type hoeve werd volgens Ronse en Raison (1918) vooral aangeraden bij een bedrijfsoppervlakte van 10 ha of meer en kwam al vanaf de 19de eeuw vooral in de poldergebieden voor. In nog latere periodes werden vaak grote schuren bijgebouwd bij de woning.

Na de Eerste Wereldoorlog nam ook de lengte aan hagen en houtkanten gigantisch af. De intrede van het prikkeldraad speelde hierin een doorslaggevende rol. In West-Vlaanderen restte in 1986 nog slechts 13% van de lengte aanwezig eind de 19de eeuw. Dit gebied is echter voor de provincie een absolute uitzondering, met een nog zeer respectabele lengte aan traditionele hagen en houtkanten.

De Eerste Wereldoorlog heeft het vooroorlogse landschap nagenoeg volledig verwoest. Lokaal zijn nog enkele houtige relicten aanwezig die de oorlog –waarschijnlijk beschadigd- overleefden. Het bosbestand aan de top nabij de Belvédère, evenals het bestand ten oosten ervan bevatten oud eiken- en beukenhakhout dat vermoedelijk de oorlog overleefde. Ten zuidoosten van de top, vinden we in de houtkant op het talud van de Gremmerslinde oude hakhoutstoven terug, onder andere van es. Langs de Klokhofweg, Noordstraat en Smijterstraat vinden we nog pre-oorlogse bomen terug. Het Voorbos (bos ten zuiden van de Kemmelberg) gaat terug tot 18de eeuw en zou tijdens de Eerste Wereldoorlog niet kapotgeschoten zijn. De hoge concentratie aan autochtone bomen en struiken bevestigen deze stelling. Het is nu één van de mooiste (bron-)bossen uit de hele regio. Op de Lettenberg bevinden zich een aantal oude houtige erfgoedelementen gekend als concentratie van autochtone bomen en struiken en een restant van een holle weg.

Reeds voor de Eerste Wereldoorlog maar ook ruime tijd er na, werd op verschillende plaatsen in dit gebied zand gewonnen. Voor de oorlog werd dit zand met paard en kar vervoerd. Na de oorlog werd gebruik gemaakt van het aanwezig smalspoor. Bij de Scherpenberg werden zo in het jaar 1967 een 100-tal vrachtwagens per dag afgevoerd. Er was een put aanwezig van 4 m diep bij 125 m lang. Met treinwagonnetjes werd het zand naar de straatkant gebracht waarna het op de vrachtwagens werd geladen. Het zand werd gebruikt in de wegenaanleg en voor metselwerk in de bouwnijverheid. Heel wat zand werd ook gebruikt tijdens de bouw van de commandobunker in 1953 te Kemmel. Deze zandwinning heeft zijn sporen nagelaten in het landschap. Soms werden die putten later opgevuld met ijzerzandsteen, en ander met steenafval. Soms werd het gebruikt als stortplaats voor huishoudelijk afval (De Klijte, Montebergstraat). Lokale toponiemen of straatnamen verwijzen naar dit verleden: het Zavelaarstraatje (zavel of zand), de Zandberg (ten noorden van de Scherpenberg),… Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd dit gebied – net zoals de rest van België – opnieuw bezet gebied. Ten gevolge van de terugtochtgevechten in mei – begin juni 1940 (vooral ter hoogte van het kanaal Ieper-Komen), waarbij Britse troepen de Duitsers trachten tegen te houden om hun collega’s de mogelijkheid te geven via Duinkerke in te schepen richting Groot-Brittannië (‘Operatie Dynamo’), zouden heel wat Britse doden bijgezet worden op de reeds bestaande Britse militaire begraafplaatsen in Heuvelland. Heuvelland werd op 6 september 1944 bevrijd door de Eerste Poolse Legerdivisie. Onder meer op de militaire begraafplaatsen Kemmel Chateau Military Cemetery, Locre Hospice Cemetery, Westoutre British Cemetery en Oosttaverne Wood Cemetery werden Britse doden uit de Tweede Wereldoorlog bijgezet. Langs de Lokerstraat te Kemmel werd tijdelijk een Duitse militaire begraafplaats aangelegd voor 860 Duitsers. Hun graven werden na de oorlog overgebracht naar de Duitse militaire begraafplaats van Lommel. Er zijn in Heuvelland verschillende oorlogsgedenktekens, die herinneren aan de Tweede Wereldoorlog. Sommige bunkers uit de Eerste Wereldoorlog, waaronder die van de Lettenberg, zouden ook tijdens de Tweede Wereldoorlog als schuilplaats gebruikt zijn door de bevolking van Heuvelland.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de bossen opnieuw geplunderd door de inwoners op zoek naar brandhout en door de bezetters, die naaldhoutstaken op de velden plaatsten om valschermspringers het landen te beletten. Bomenrijen verdwenen, het bos verarmde of verdween.

Na de Tweede Wereldoorlog werd tussen 1952 en 1956 een ondergrondse bunker (15 m diep, meet 30 m bij 30 m) gebouwd in de zuidflank van de Kemmelberg. De bunker was bedoeld als commandopost voor een internationaal luchtverdedigingssysteem en maakt deel uit van een plan van het Ministerie van Defensie om op drie strategische punten in België een grote ondergrondse bunker te bouwen. Men moet de bouw van deze reusachtige bunker zien tegen de achtergrond van de Koude Oorlog en specifiek van de reorganisatie van het Belgische leger na de Tweede Wereldoorlog. Toen werden op verschillende plaatsen maatregelen genomen om bij een mogelijk nieuw conflict gewapenderhand klaar te staan. De bunker werd tot midden jaren '90 gebruikt als commandopost tijdens grootschalige oefeningen. De site is ondertussen opgenomen in een historische pool van defensie, een overkoepelende adviesraad met steun van het ministerie van defensie, die historisch waardevolle sites beheert. Bedoeling is dat ook jongeren in contact komen met deze historische plaatsen en zo voeling krijgen met de militaire geschiedenis. De bunker, een zeldzame getuigenis van de Koude Oorlog in België, gelegen onder de Kemmelberg richt zich vooral op scholen en jongerengroepen. Dit museum van de Koude Oorlog verduidelijkt niet alleen het ontstaan van de NAVO en het Warschaupact maar licht ook de rol van België in de Koude Oorlog toe.

De Tweede Wereldoorlog onderbrak de beloftevolle toeristische ontwikkeling even. Na de wapenstilstand werd een eerste jeugdheem ‘Monsalvaet’ van de K.S.A. opgericht. In 1957 werd tussen de Rode Berg en de Zwarte Berg een kabelbaan aangelegd en vanaf de jaren 1960 werden verscheidene hotel- en verblijfsaccommodaties en andere commerciële zaken opgericht wat een verstedelijkte strook gaf die de zuidflank compleet van de noordflank afsnijdt. Dit leidde tot overrecreatie en overbetreding in de bossen op de heuveltoppen en verontreiniging van de bronbeken. Ook de Vlaamse wielerwedstrijden wonnen aan belang waarbij de beklimming van de Kemmelberg tot vandaag tot de nationale en internationale wielerklassiekers blijft behoren en samen met de autorally ’24 uren van Ieper’ de belangrijkste sportmanifestaties zijn met behoorlijke publieke toeloop in dit gebied. Verder blijft het Folkfestival te Dranouter de grootste publiekstreffer van Heuvelland.

huidig landschapsbeeld

Het huidig landschapsbeeld wordt nog steeds bepaald door zijn fysische opbouw met de centrale heuvelrij als dominante blikvanger in het landschap. Het landschap bestaat uit een sequentie van zuidwest-noordoost georiënteerde heuvels en valleien welke het gebied van noord naar zuid opdelen in vijf te onderscheiden landschappelijke deelgebieden, zijnde de overgang naar het laagland van Poperinge en Ieper, de getuigenheuvels van Vidaigneberg tot en met Kemmelberg, de Douvevallei, de heuvel van Nieuwkerke en de overgang naar de Leievallei.

Het dominante landschapsbeeld wordt hier bepaald door het deelgebied van de getuigenheuvels van Vidaigneberg-Rodeberg-Scherpenberg-Monteberg-Kemmelberg. Het landschap van dit deelgebied wordt enerzijds bepaald door de getuigenheuvels Vidaigneberg-Rodeberg-Scherpenberg en de iets zuidelijker gelegen Monteberg en Kemmelberg, met respectievelijke hoogten van 125 m tot 156 m, en anderzijds door de steilere noordelijke hellingen met bronniveaus van waterlopen die het landschap ten noorden van de heuvelruggen vormt geeft in noordoost georiënteerde valleigebiedjes in tegenstelling tot de zwakke zuidelijke hellingen uitlopend naar de Douvevallei. In dit deelgebied heeft de differentiële erosie van de afwisselende zand- en kleilagen in combinatie met de voorkomende bronniveaus geleid tot een uitgesproken landschapsdiversiteit.

De topzones van de centrale heuvelrij en de steile hellingen met bronniveaus zijn in het landschap herkenbaar door het voorkomen van bos; de voorkomende bostypes zijn vrij gevarieerd gaande van bronbos, over beekbegeleidend bos, hellingbos tot plateaubos. Bijkomend verwijzen de talrijke locaties met een uitgesproken soortenrijkdom van oud-bosindicatoren en autochtone struiken en bomen naar plaatsen van historische bebossing; het betreft het Hellegatbos en de noordflank op de Rodeberg, het Voorbos op de zuidflank van de Kemmelberg, bosje in de vallei van de Douvebeek in omgeving van kasteel Behaeghel, bosjes langs de Sulferbergbeek, Scherpenberg met omgevende kleine bosjes, houtkanten met oude hakhoutstoven in omgeving van Rodeberg en Kemmelbergen hagen en houtkanten in Zwartemolenhoek-Breemeersen. De grote soortenrijkdom aan autochtone struiken en bomen is zeker uniek voor West-Vlaanderen en uitgesproken voor Vlaanderen. Aansluitend op de beboste toppen en hellingen treft men een kleinschalig landschap aan van bosjes, wei- en hooilanden omrand door hagen, houtkanten en knotbomen en holle wegen.

De grote variaties van droog naar nat zijn eveneens afleesbaar in voorkomende vegetaties en bepalen tevens het gevarieerde landschapsbeeld; van het droge dalhoofd met hakhoutstructuren over droge tot matig vochtige weilanden naar natte kwelzones met rietvelden en poelen. Deze landschapsrelicten zijn kenmerkend voor de valleisystemen in de bovenloop van de Broekelzenbeek, Scherpenbergbeek, Rozenhillebeek, Sulferbergbeek-Brandersbeek, Douvevallei, Hillebeek, Lindebeek, Kemmelbeek en Willebeek en worden tevens gekenmerkt door het voorkomen van waardevolle graslanden gekoppeld aan bronniveaus en kwel- en stuwwatergronden. De overige graslanden komen voor, hetzij beekbegeleidend aan deze waterlopen en geaccentueerd in het landschap door knotbomenrijen, struwelen, hoekbomen en perceelsbeplanting, hetzij op de voormalige huisweiden met relicten van hoogstamboomgaard rond hoeves.

De taluds zijn op vele plaatsen nog aanwezig, weliswaar zonder houtkant zoals weleer. De akkerbouw op deze percelen werkt echter het nivelleren van de taluds in de hand en versterkt het afspoelen van oppervlakkige grondlagen. Omwille van het voorkomen van zandleem- en leembodems kennen de zones met zwakste hellingsgraad een dominant akkerlandgebruik. Recente evolutie naar wijnbouw sinds 1996 is kenmerkend voor dit deelgebied. Deze wijngaarden komen onder andere voor op de zuidelijke helling van de Monteberg (wijngoed Monteberg 7 ha), tussen de Rodeberg en de Vidaigneberg (wijngoed Entre-deux-Monts 7,5 ha) en een kleinere wijngaard op de zuidelijke flank van de Vidaigneberg (wijngoed Schotte 25 are). De wegenis en de ligging van de dorpen is tevens geënt op de fysische opbouw van de centrale heuvelrij, zoals het wegtracé en de inplanting van de dorpen Dranouter en Loker op het interfluvium van de Hillebeek, en de dorpen Kemmel, Wulvergem en Westouter gelegen aan respectievelijk de Willebeek, de Douvebeek en de Franse Beek. De wegen rond de getuigenheuvels verlopen grotendeels volgens de hoogtelijnen en hebben veelal hoge wegbermen met hakhoutstructuren en waardevolle bermvegetaties. De dwarsverbindingen zijn holle wegen doorgaans met waardevolle wegbermen en oude hakhoutstoven.

Een goed voorbeeld van een gaaf bewaarde middeleeuwse dorpsstructuur is de dries als centraal grasplein te Kemmel. De verdere ontwikkeling van het dorp met onder andere een opper- en neerhofstructuur met een site van het voormalig kasteel zijn eveneens nog herkenbaar te Kemmel. De dorpsontwikkelingen in Nieuwkerke, Westouter en Reningelst vormen ook goed bewaarde voorbeelden van een opper- en neerhofstructuur.

De bebouwing wordt algemeen gekenmerkt door de wederopbouwarchitectuur na 1920 ten gevolge van de oorlogsverwoestingen in de Eerste Wereldoorlog. Hierbij greep men terug naar de 19de-eeuwse traditionele baksteenarchitectuur al dan niet met eclectische stijlelementen. Het wederopgebouwde gebouwenbestand is gebaseerd op de traditionele structuur en planindeling van de 19de-eeuwse bebouwing. Het kasteel De Warande met omgevende kasteeltuin in landelijke Engelse stijl met vijvers gevoed door de bron van de Willebeek wijkt hier enigszins van af.

De dorpskernen worden gekenmerkt door gebruik van ijzerzandsteen als bouwsteen voor de portalen en torens van de kerken. Naast het strategisch belang van de heuvels als observatiepost in de Eerste Wereldoorlog zijn tal van kenmerkende herdenkingstekens, begraafplaatsen, bunkers en schuilplaatsen herkenbare getuigen in het landschap van slag om de Kemmelberg in 1918. Deze oorlogsrelicten zijn tevens een toeristische aantrekkingspool.

Het deelgebied van de getuigenheuvels heeft omwille van zijn hoogteligging, gedifferentieerd reliëf en verscheidenheid aan vegetaties en grondgebruik een zeer hoge belevingswaarde en biedt bijzonder veel uitkijkpunten en mooie zichten.

De noordelijke en noordoostelijke steile hellingen van de centrale heuvelrij met bronniveaus van een aantal waterlopen gaan meer noordwaarts over in een zwak hellend landschap met noordoost georiënteerde valleisystemen van de Pandoenebeek, Franse Beek, Hellegatbeek, Grote Beek, Scherpenbergbeek, Rattestaartbeek, Kemmelbeek en de Willebeek. Deze waterlopen kennen allen een zwak meanderend verloop. De erosieve werking van deze waterlopen hebben geleid tot het matig golvend karakter van het landschap en zijn kenmerkend voor de overgangszone naar het laagland van Poperinge en Ieper; dit deelgebied behoort tot de zandleemstreek met overwegend vochtige tot natte zandleemgronden en ligt grosso modo lager dan 40m TAW.

Ten noorden van Westouter wordt het landschap opgebouwd door een opeenvolging van parallelle valleien van de Frans Beek en de Pandoenebeek uitlopend in de depressie van de vallei van de Grote beek te Reningelst. Beide dorpen zijn gelegen in de vallei en de verbindingswegen bevinden zich hoofdzakelijk op de top van de hellingen, in het bijzonder de Casselstraat als relict van de oude heirbaan Cassel-Wervik. Vanop deze weg heeft men een mooi panoramische overzicht van de getuigenheuvels.

Afgezien van de beekbegeleidende graslanden en nog voorkomende huisweiden rond hoeves heeft deze overgangszone een afwisselend grondgebruik met overwegend akkerbouw en komen verscheidene kleine landschapselementen voor in het bijzonder veel poelen met knotbomen, houtkanten, struwelen en kleine bosjes, omhaagde weilanden en een relict van een kaphaag langs een hoppeveld als waardevol houtig erfgoedelement.

Het zwak hellend gebied in de valleisystemen van de Scherpenbergbeek en de Klijtebeek is een uitgesproken akkerbouwgebied waarbij de grotere huisweiden met solitaire bomen en poelen een kenmerkend gegeven zijn in het landschap. Het gehucht De Klijte ligt op de rand van een complex van natte leem- en kleigronden waaruit de Klijtebeek ontspringt en waar in de 15de eeuw een bedehuis voorkwam.

Langs de Reningelststraat tussen De Klijte en Reningelst bevinden zich een aantal grote landbouwbedrijven (pluimvee) welke visueel storend zijn; het tuinbedrijf ter hoogte van Reningelst heeft eerder een beperkte bebouwing met rondom een boomkwekerij. De valleien van de Kemmelbeek en de Willebeek ten noordoosten van de Kemmelberg worden gekenmerkt door goed bewaarde structuurkenmerken van meanderende waterlopen, asymmetrische oeverzones en verspreid voorkomende beekbegeleidende graslanden en beplantingen. Verder naar Ieper tot Dikkebusvijver kent de Kemmelbeek een eerder rechtlijnig verloop met populieren op de oevers welke aansluit op de beboming rond de Dikkebusvijver zelf. Dikkebusvijver ontstond door het afdammen van de Kemmelbeek en is één van spaarbekkens rond Ieper, vermeld in 1320, ter bevoorrading van drinkwater en voeding van de vestinggrachten. Op de noordelijke oever van Dikkebusvijver staat de zogenaamde 'Vaubantoren', gebouwd in 1684 als versterking ter verdediging van de Ieperse waterbevoorrading en als sashuis voor de valsluis die de watertoevoer vanuit de vijver van Dikkebus naar Ieper moest regelen. De toren maakt deel uit van stadsvesting. Deze overgangszone naar het laagland van Ieper kent een wisselend grondgebruik van akker- en weilanden, beekbegeleidende graslanden met verspreid voorkomende perceelsrandbeplantingen langs de beken met het parkdomein van het kasteel Elzenwalle met aansluitend bosje als opvallende landschapselement.

De aanwezigheid van de vele militaire begraafplaatsen van WO I ter hoogte van de locatie 'Hoge Basseie' is een opvallend gegeven in dit deelgebied. Tussen de getuigenheuvels en de heuvelrug Nieuwkerke strekt zich de Douvevallei uit. Het betreft een brede alluviale vallei met zeer zwakke valleiranden en een mooi ingesneden bovenloops gedeelte ter hoogte van het bronniveau op de flanken van de Vidaigneberg. De Douve stroomt oostwaarts naar de Leie met een verval tussen 75 m en 30 m TAW en mondt na ongeveer 17 km uit in de Leie ter hoogte van Warneton en markeert de grens tussen België en Frankrijk tijdens haar eerste kilometers. In de bovenloop tot aan het kasteelpark Behaegel bezit de vallei nog soortenrijke en reliëfrijke graslanden, dotterbloemhooilanden, houtkanten, bomenrijen en bosjes. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam deze bosrijke streek pal tussen de strijdende partijen te zitten. Wilde hyacinten als oud-bos indicatoren wijzen op het ooit aanwezige bos. Poelen zijn vaak bom- of mijnkraters en de afgedamde vijver in het Eeuwenhout diende ooit als drinkplaats voor de paarden van de Britse artillerie en als waterbevoorrading voor een wasplaats in Dranouter. Het Eeuwenhout situeert zich op een helling in de vallei van de Douvebeek tussen de kernen van Loker en Dranouter. Het betreft een relict van een wastine-gebied gekenmerkt door een trapvormig reliëf met graslanden, bosjes, poelen, hagen en houtkanten, knotbomenrijen en holle wegen waarvan het landschapsbeeld verwijst naar het oorspronkelijke landschap. Tot kort na de Tweede Wereldoorlog stond het Eeuwenhout te boek als een loofhoutbos (20 ha) en werd het bos grotendeels omgezet naar landbouwgrond. Sinds de aankoop door de Vlaamse overheid in 1990 werd er opnieuw bebost, hagen, houtkanten en knotbomen aangeplant. In het vlakke stroomgebied van de Douvebeek is akkerbouw dominant aanwezig en beplanting eerder minimaal aanwezig. De plaatselijke beekbegeleidende graslandcomplexen ter hoogte van de samenvloeiing met de Lindebeek en ter hoogte van Noordhoek ondersteunen het valleikarakter van dit deelgebied. Een globale opwaardering van de Douvebeek en omgeving is zeker aangewezen, zowel wat de structuurkenmerken van de beek betreft wat de beekbegeleidende systemen als graslandstroken en beplantingen betreft. De openheid van het valleigebied is eveneens kenmerkend voor dit deelgebied en biedt mooie zichten naar de getuigenheuvels en naar de zuidelijker gelegen heuvel van Nieuwkerke. Deze bijzondere visuele relatie dient voldoende gewaarborgd te worden gelet op de grootschalige en visueel storende bedrijfsgebouwen. Ten zuiden van het valleigebied van de Douvevallei strekt zich de heuvelrug van Nieuwkerke uit omvattende de Zwartemolenhoek, De Walletjes en de hoogte van Nieuwkerke gelegen op 80 m hoogte. Het betreft een getuigenheuvel van dagzomende zand en klei en vormt het interfluvium tussen de Douvevallei en de Leievallei. De bebouwing van het dorp Nieuwkerke is gecentraliseerd op de topzone waarbij de kerk een baken is in het landschap. De heropbouw van het dorp na de verwoesting in de Eerste Wereldoorlog is gebaseerd op de configuratie van Sanderus in Flandria Illustrata waarbij de opper- en neerhofstructuur hernomen werd. Het stadhuis van Nieuwkerke is een voorbeeld van wederopbouw met Eclectische stijlkenmerken en eerder afwijkend dan de overige wederopbouw in het dorp. In het open gebied komen verspreid landbouwbedrijven voor.

De noordelijke helling van deze heuvelrug omvat twee ingesneden valleisystemen, welke uitmonden in de Douvebeek, met bronniveau respectievelijk op de Zwartemolenhoek en op De Walletjes. Deze valleisystemen zijn gekenmerkt door zeer gevarieerde bodemcomplexen gaande van gleyige leemgronden tot sterk gleyige zware kleigronden wat zich weerspiegelt in het landschap in een grillig trapvormig reliëf en graslanden met voorkomen van vele kleine landschapselementen. Tussen deze valleisystemen komen open akkercomplexen voor. De hoogte van de Zwartemolenhoek is een sterk gleyige kleikop met zowel bosjes, houtkanten als hagen en een afwisseling van gras- en akkerpercelen. Dwars door deze hoogte loopt de heirweg Bailleul-Mesen met goed bewaarde oude bestrating en waarlangs een aantal waardevolle houtige erfgoedelementen voorkomen; oude knotaken en oude rozensoorten opgenomen als locatie voor autochtone bomen en struiken. Op de zuidhelling van de Zwartemolenhoek staat de kruistombe van de drie in 1568 terechtgestelde priesters ten gevolge van de Beeldenstorm.

Ten zuiden van de heuvelrug van Nieuwkerke treft men een zeer zwak hellend open gebied aan, zijnde de overgang naar de Leievallei. De landschappelijke kenmerken van deze zuidelijke helling is vooral vanuit het zuiden goed afleesbaar. Men kan in het landschap de fysische grens waarnemen tussen de leemgronden van de heuvelrug en de kleigronden van het valleigebied door het voorkomen van een knik in de helling en het voorkomen van akkers zoals Spiervelden, op de leemgronden en grotere concentraties van grasland op de kleigronden. Anderzijds vertoont deze helling van west naar oost een overgang van zeer natte stuwwatergronden op klei, de zogenaamde Breemeersen ten zuiden van de Zwartemolenhoek in gebruik als hooi- en graasweiden met mooie houtkanten dwars op de helling, naar kleigronden met een afwisseling van gras- en akkerlanden. Naast een aantal opmerkelijke historische hoeves met bouwkundige erfgoedwaarden is de bebouwing zeer schaars. Omwille van deze openheid is de landschappelijke opbouw zeer goed herkenbaar. Dit geldt tevens voor de fysieke begrenzing van het gebied, nog tastbaar aanwezig door het voorkomen van oude grenspalen en de Spierebeek als historische waterverbinding tussen Nieuwkerke en Armentières.

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.

  • BOURY F. 1978: Evolutie en bestemming van het Heuvellands bos en landschap, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Universiteit Gent.
  • BULCKAEN T., LIEFOOGHE M., SCHMITZ D. & UYTTENHOVE P. 2008: Omgaan met de wederopbouwarchitectuur in de frontstreek van ‘14-18’. Ieper en Heuvelland, Labo S Vakgroep Architectuur en Stedenbouw Universiteit Gent,.rapport i.o.v. Stad Ieper, Provincie West-Vlaanderen, 199.
  • CHIELENS P., DENDOOVEN D. & DECOODT H. 2006: De laatste getuige. Het oorlogslandschap van de Westhoek, Lannoo, Tielt, 256.
  • DECROCK S. 2004: De Scherpenberg: een unieke site in Vlaanderen, Heuvelland.
  • DE MULDER G. & PUTMAN J.L. 2006: De Kemmelberg en verwante elitesites in Centraal en West-Europa (6de-5de eeuw), perspectieven voor toekomstig onderzoek, conferentiebijdrage Een status quaestionis van het archeologisch onderzoek op de Kemmelberg.
  • GEURST J. & BALJON L. i.s.m. VAN DIJK T., DE GRAAF J., MEIRE J. & UYTTENHOVE P. 2012: ‘Herinneringspark 2014-18’, masterplan opgesteld i.o.v. agentschap Onroerend Erfgoed, Projectsecretariaat 100 jaar Groote Oorlog (2014-18), 232.
  • GOOSSENS D. 1984: Inleiding tot de geologie en geomorfologie van België, uitgeverij van de Berg, Enschede 228.
  • HANTSON W. 2009: Nieuwe perspectieven op de Kemmelberg. Een geomorfologische studie van de Kemmelberg met archeologische implicaties, onuitgegeven masterproef, Katholieke Universiteit Leuven.
  • HEYN M. & VERBOVEN H. 2011: Heuvelland en Mesen. Een voorlopig voorstel van WO I-’lieux de mémoires’, Onroerend Erfgoed, Intern rapport (werkversie, januari 2011, inclusief aanpassingen).
  • HUIGENS E., VAN DEN ABEELE J.-F. i.s.m. ZWAENEPOEL A., COSYNS E., TERMOTE J., LE COEUR A., DEBAILLIE C., DELDAELE P. 2008: Landschap zonder grenzen: een kwaliteitsimpuls. Historisch onderzoek naar het traditionele bocagelandschap in de Belgische Westhoek en in Frans-Vlaanderen, i.o.v. Regionaal Landschap West-Vlaamse Heuvels vzw, Ieper, 192.
  • JACOBS P., DE CEUKELAIRE M. & SEVENS E. 2001 : Toelichting bij de geologische kaart van België Vlaams Gewest. Kaartblad 27-28-36. Proven-Ieper-Ploegsteert 1:50.000, Belgische Geologische Dienst en Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie, Brussel, 68.
  • MATTHIJS J. 2002: Toelichting bij de Quartairgeologische kaart. Kaartblad 27-28-36 Proven –Ieper- Ploegsteert, Ministerie Vlaamse Gemeenschap, Afdeling natuurlijke rijkdommen.
  • OPSTAELE B. & BERTEN D. 2012: Geïntegreerd beheerplan Ieperboog met bosreservaat Zwarte Leen en Vlaams natuurreservaat Bassevillebeek, rapport Grontmij nv i.o.v. Provincie West-Vlaanderen, i.s.m. Agentschap voor Natuur en Bos en Bosgroep Ijzer en Leie. 192 + bijlagen.
  • OSTYN G. 1988: Een historische blunder met landschappelijke gevolgen, Documentatiemap Landschapsonderzoek 16, 3-25.
  • RONSE A. & RAISON T. 1918 : Fermes-Types et constructions rurales en West-Flandre. Plans, coupes, reproductions photographiques, Brugge.
  • ROUMEGOUX Y. & TERMOTE J. (red.) 1993: Kemmel – Cassel, de vroegste bewoningsgeschiedenis van de Vlaamse Heuvels, Westvlaamse Archaeologica 9-2.
  • RÖVEKAMP C. & MAES B. 2000: Oorspronkelijk inheemse bomen en struiken in het Regionaal Landschap Westvlaamse Heuvels. Een onderzoek naar autochtone genenbronnen, Rapport i.o.v. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Bos en Groen.
  • SCOTT M. 1992: The Ypres Salient. A guide to the cemeteries and memorials of the Salient, Norwich-Norfolk, Gliddon Books.
  • TACK G., VAN DEN BREMT P. & HERMY M. 1993: Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, Davidsfonds Leuven, 320.
  • VAN DEN EECKHAUT M. & POESEN J. 2009: Uitbreiding (fase 3) van de gevoeligheidskaart voor grondverschuivingen in Vlaanderen. Rapport i.o.v. van Vlaamse Overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen, 169.
  • VERBOVEN H. & TROCH P. 2011: Ieper. Een voorlopig voorstel van WO I-’lieux de mémoires’. Onroerend Erfgoed, Intern rapport (werkversie, augustus 2011, inclusief aanpassingen).
  • VERBOVEN H. 2011: Zonnebeke. Een voorlopig voorstel van WO I-’lieux de mémoires’, Onroerend Erfgoed, intern rapport, werkversie inclusief aanpassingen.
  • VERBOVEN H. e.a. 2012: Syntheserapport over de aanpak, methodiek, resultaten en aanbevelingen van het WO I erfgoed onderzoek, intern rapport Onroerend Erfgoed, 129.
  • ZWAENEPOEL A. & DOCHY O. 2003: Ontwerp-ecosysteemvisie voor het West-Vlaamse Heuvelland. Onderzoeksopdracht MINA/105/00/01, Aminal afdeling Natuur.
  • ZWAENEPOEL A., COSYNS E., MAES B. & OPSTAELE B. 2005: Opmaak van een inventaris van autochtone Bomen en Struiken van West-Vlaanderen, Aminal afdeling Bos en Groen.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele hagen als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele knotbomen als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele houtkanten als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele solitaire bomen als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele bomenrijen als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.

Bron     : Aanduidingdossier Ankerplaats 'West-Vlaamse heuvels en omgeving', definitieve aanduiding 22/02/2013. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  David, Koert
Datum  : 2012


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: West-Vlaamse heuvels en omgeving [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135405 (Geraadpleegd op 12-12-2019)