Damse Vaart met omgevende polders, Fort van Beieren en kreken van Lapscheure

inventaris landschappelijk erfgoed \ landschapsatlas relict \ ankerplaats

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Knokke-Heist, Damme, Brugge
Deelgemeente Westkapelle, Damme, Hoeke, Lapscheure, Oostkerke, Koolkerke, Sint-Kruis
Straat
Locatie Koolkerke, Sint-Kruis (Brugge), Damme, Hoeke, Lapscheure, Oostkerke (Damme), Westkapelle (Knokke-Heist)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie ankerplaatsen 2006-2011 (actualisaties: 2006 - 2011).

Juridische gevolgen

omvat de bescherming als monument Damse Vaart met kanaalbeplanting van opgaande populieren
gelegen te Noorweegse Kaai (Brugge), Damse Vaart West, Damse Vaart-Noord, Damse Vaart-Oost, Damse Vaart-Zuid (Damme), Polderstraat (Knokke-Heist)

Deze bescherming is geldig sinds 02-02-2017.

omvat de bescherming als cultuurhistorisch landschap Krekengebied
gelegen te Groenendijk, Kwabettestraat, Lapscheurestraat, Pannepolderstraat, Sint-Pietersdijk, Vlienderhaag (Damme)

Deze bescherming is geldig sinds 01-08-1988.

Beschrijving

Deze ankerplaats bevindt zich in de kustpolders ten noordoosten van Brugge, aan weerszijden van de Damse Vaart en grenst aan de ankerplaats ‘Polders van Dudzele’. De ankerplaats omvat het typische landschap van de Zwinpolders, gekenmerkt door vlakke open tot halfopen agrarische gebieden doorsneden door dijken en kanalen, die in vele gevallen geaccentueerd worden door bomenrijen.

Fysische geografie

De laatste ijstijd eindige zo’n 11.000 jaar geleden. De laatste fase van deze ijstijd, het weichseliaan, werd gekenmerkt door een extreem koud klimaat. Doordat enorme hoeveelheden water in de ijskappen gevangen zaten, werd deze periode gekenmerkt door een grote droogte. De zeespiegel was dermate gedaald dat delen van het Kanaal en de Noordzee herschapen waren in een grote zandvlakte. Het einde van de ijstijd betekende een geleidelijke opwarming van onze streken en luidde een nieuw geologisch tijdperk in dat tot vandaag de dag duurt, het holoceen. Algemeen deed er zich een zeespiegelstijging voor die belangrijke veranderingen (geleidelijke vernatting) teweeg bracht in de kustgebieden. Onder invloed van die zeespiegelstijging evolueerde de natte en laaggelegen (zandige) kustvlakte tot een dicht moerasbos, dat geleidelijk aan veranderde in een veenmoeras. Dit resulteerde na verloop van tijd in een vaak metersdik veenpakket in de bodem, een opeenstapeling van niet-afgebroken plantenmateriaal. De mariene invloed reikte aanvankelijk nog niet tot de huidige kustpolders, omdat de kustlijn zich nog te ver van de huidige bevond. De zeespiegel bleef echter voortdurend en geleidelijk aan stijgen, waardoor de druk op het binnenland toenam. In de loop van het laatste millennium vóór Christus drong de zee via getijdengeulen binnen in het veenmoeras. Dit veroorzaakte een domino-effect aan gevolgen. Zo kwam de veengroei abrupt ten einde door het plotse binnendringen van zout water en hadden de getijdengeulen een drainerend effect, wat een inklinking van het veenmoeras veroorzaakte. Hierdoor kon de zee nog meer binnendringen in het verlaagde binnenland, met meer en breder vertakte getijdegeulen. Na enkele eeuwen was de kustvlakte veranderd in een instabiel slikken- en schorrenlandschap, waarvan grote delen periodiek onder water kwamen te staan.

Cultuurhistorie

Toch was het slikken- en schorrenlandschap minder ontoegankelijk dan lange tijd werd aangenomen. In navolging van archeologische waarnemingen in onze buurlanden werden de afgelopen jaren ook in Vlaanderen op verschillende plaatsen sporen aangesneden die dateren uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Hieruit blijkt dat de mens deze kustvlakte bewoonde en economisch exploiteerde (ontginning van veen, zout, graasweide en verbinding met zee) en dat ze toen reeds dijken bouwden om hun woonsten te verdedigen tegen overstroming. In Oostkerke bijvoorbeeld werden op verschillende plaatsen Romeinse sporen aangetroffen bij archeologische prospectie. In de Laat-Romeinse tijd (4de-5de eeuw) lijkt de mariene invloed dermate te zijn toegenomen dat de kustvlakte zo goed als ontoegankelijk werd voor structurele bewoning. Sommige vorsers menen dat er een verband is tussen deze toename van de getijdenwerking en een intensieve Romeinse veenexploitatie, die de verlaging van het landschap in de hand werkte, maar hierover zijn nog weinig data voorhanden. Door de getijdenwerking werd niet alleen periodiek zout water aangevoerd, maar eveneens grote hoeveelheden kleiige en zandige sedimenten. Hierdoor werden de veenlagen en oude bewoningssites bedekt met een pakket van enkele meters dik. Dit impliceerde echter ook dat het schorrengebied geleidelijk aan voldoende hoog opslibde en toegankelijk werd. Zo blijkt uit archeologische opgravingen dat grote delen van de kustvlakte reeds vanaf de 8ste eeuw bewoond waren en dat tal van grote getijdengeulen op dat moment reeds zo goed als volledig dichtgeslibd waren. De middeleeuwse ontginning van de kustvlakte ging dan ook aanvankelijk niet gepaard met actieve inpoldering, maar wel met het in gebruik nemen van natuurlijk opgeslibd gebied. Wel werden her en der kleine en veelal defensieve dijkjes opgeworpen, die de woonst moesten vrijwaren van watersnood. Andere woningen of boerderijen werden op lichte verhevenheden opgeworpen. Zowel in Oostkerke als Lapscheure zijn tientallen archeologische sites gekend waar zich vanaf de 10de eeuw bewoning ontwikkelde, veelal onder de vorm van geïsoleerde boerderijen of kleine gehuchtjes, die in sommige gevallen uitgroeiden tot dorpskernen (Oostkerke, de oude kern van Lapscheure). De kustvlakte was in de middeleeuwen echter nog niet volledig afgesloten van de zee. Een aantal getijdengeulen bleven tot ver in de middeleeuwen actief en onderhevig aan getijdenwerking, zoals de grote zeeboezem tussen Knokke en Cadzand (Sincfal of Zwin) met geulen en tussenliggende eilandjes. Men kan aannemen dat de mens deze geulen moedwillig in stand hield, in functie van onder meer de afvoer van water en vaargeul naar zee. Dit bleek evenwel niet steeds even veilig. Zo kende de Sincfal in de 11de en 12de eeuw een reeks serieuze stormvloeden die resulteerden in ernstige overstromingen en een grote uitbreiding van de geul tot nabij Damme, die later ‘Zwin’ genoemd werd. Deze landwaartse uitbreiding van de geul maakte echter het ontstaan en de ontwikkeling van handelsplaatsen als Damme en Monnikerede mogelijk.

Damme ontstond in de tweede helft van de 12de eeuw, aan de dam die het ‘Zwin’ begrensde. De geul waarin het ‘Zwin’ aangelegd werd, is ontstaan door enkele stormvloeden uit de 12de eeuw die ook overstromingen in de nabije polders veroorzaakt hebben. Bodemkundig en archivalisch onderzoek tonen aan dat de ligging van de afsluitdijk van het ‘Zwin’ samenvalt met het tracé van de huidige Kerkstraat. In de dam werd een grote zeesluis of spui gebouwd, de ‘Speie’, die vanuit het Zwin toegang geeft tot de Reie (verbinding tussen Damme en Brugge) en de aanlegkade. Zo ontstaat Damme op de samenkomst van de Reie en het Zwin als voorhaven van Brugge. Damme ontwikkelt zich zeer snel tot de belangrijkste havenstad van het graafschap Vlaanderen en als belangrijk centrum van handel en nijverheid.

Om het overstromingsgevaar te beperken werden er vanaf de 12de eeuw heel wat dijken opgeworpen of verstevigd. We onderscheiden twee grote types: defensieve dijken die het land moesten beschermen tegen overstromingen en moesten vermijden dat er nog zout/zilt water binnenstroomde, en offensieve dijken waarbij een deel ingepolderd werd dat tevoren regelmatig onder water kwam in gevolge getijdenwerking in de geulen.

Om de noordelijk gelegen gronden tussen Damme, Oostkerke en Hoeke te beschermen tegen de zee werden langs de Zwingeul verschillende grote dijken opgeworpen, zoals de Krinkeldijk en Romboutswervedijk. De Krinkeldijk vormt met het eindpunt van de Bloedlozedijk een scherpe hoek, wat de plaatsnaam Hoeke verklaart. Ook de polders ten zuiden van Damme dienden beveiligd te worden tegen het overstromingsgevaar. De Branddijk (huidige straatnamen: Bonemstraat - Branddijk – Masschersheule -Damweg) werd vermoedelijk in het laatste kwart van de 12de eeuw aangelegd als defensieve dijk zodat het gebied ten zuiden ervan geen invloed meer ondervond van de getijdenwerking vanuit de Zwingeul en beveiligd werd tegen overstromingen. Gedurende de 13de eeuw werd dan de Zuiddijk aangelegd en nog later de Oude Sluissedijk die beschouwd wordt als een offensieve dijk (actieve inpoldering). De dijken vormden vaak de grenzen van wateringen (voorlopers van huidige polderbesturen): ten noorden van de Zuiddijk de ‘Wateringe Stampershoek’, ten zuiden de ‘Wateringe Noord-over-de-Lieve’.

De straat ‘Hulsterlo’ staat haaks op voorgaande dijken en is eigenlijk een oudere landschapsstructuur; hij zou teruggaan op één van de oudst schaapswegen/driftwegen, genaamd van de polders (eerste vermelding 1268) waarlangs het vee vanuit het binnenland (zandstreek) naar de polders gedreven werd en die ook dienst deden als eerste ontginningswegen voor de ingebruikname van de polders, op initiatief van Gentse Sint-Pietersabdij. Ter hoogte van de Antwerpse heerweg (deelgemeente Sijsele, Damme) startte hij en liep door tot in Oostkerke, onder de naam ‘Spegelsweg’.

Het gebied van de Branddijk-Zuiddijk-Oude Sluissedijk wordt ook gekenmerkt door typische langgerekte percelering, dwars op de dijk parallel met de straat Hulsterlo, diverse hoeven die langs de Zuiddijk ingeplant zijn en die teruggaan op oude sites die herkenbaar zijn op oude kaartdocumenten (onder andere Pourbuskaart). Het getuigt in ieder geval van een vrij systematische ontginning van het gebied, wellicht ook op initiatief van de Sint-Pietersabdij.

Het kanaal van het Oude Zwin, aan de westelijke grens van de ankerplaats (huidige ligging Koolkerksesteenweg), werd in de 12de eeuw gegraven om Brugge met de zee te verbinden. Hierdoor werd Brugge over Koolkerke en Oostkerke verbonden met de sluis ‘ter Monnikerede’, gelegen nabij het gelijknamige stadje. Vanaf 1251 start de stad Gent met de aanleg van de zogenaamde ‘Ghendtsche Leye’ of de Lieve, waardoor een betere en efficiëntere verbinding met de zee kan worden gerealiseerd. Gent kende immers een enorme opgang als handels- en nijverheidsstad, maar ontbrak een goede verbinding naar zee (zonder veel tolrechten). Het oorspronkelijk goedgekeurde tracé uit 1251 (door gravin Margaretha van Constantinopel) loopt vanaf Gent naar Aardenburg en dan in de uitgediepte loop van de Ede naar Sluis. In 1262 - tijdens de aanleg van de Lieve - werd er beslist om (ook) een verbinding te maken met het Zwin, over Moerkerke. Gedurende de middeleeuwen mondde de Lieve ten noorden van de stad Damme uit in het Zwin via een sluis met twee spuien: de ‘Noordsche Speye’ (die uitgaf op het Zwin zelf) en de ‘Gentsche Speye’ iets stroomopwaarts ervan. Het tussenliggende stukje werd de ‘Gentsche Zoute’ genoemd. Damme wordt dus, naast voorhaven van Brugge, tevens voorhaven van Gent en kreeg door het Lievekanaal ook een goede verbinding voor binnenschepen naar de Schelde en de Leie.

Pas in de 17de eeuw, wanneer de vestingswallen rond Damme aangelegd worden, wordt de Lieve binnen de stadswallen geleid tussen twee hoge muren. In die periode wordt ook het kanaal Gent-Brugge gegraven en verliest de Lieve haar economische waarde als verbinding van Gent naar zee. Door de verzanding van het Zwin was dit trouwens ook al op zijn terugweg. Vanaf 1660 werd ze rond de stad geleid in de buitenste gracht en werden de hoge muren van de vroegere doorgang gebruikt als grondvesten voor een kazemat op de stadswallen (zogenaamde kazemat van de Lieve).

De aanleg van de Lieve zorgde wel voor een groot probleem voor afwatering van de polders omdat ze alle polderwaterlopen dwars doorsneed en dus de afvoer van water (afkomstig uit polders en binnenland) naar zee verhinderde; bovendien was er vastgelegd dat lozing van die waterlopen in de Lieve niet toegelaten was om het waterpeil te beheersen voor de scheepvaart. Pas in de 14de eeuw werd er een akkoord bereikt om het water van waterlopen ten zuiden van de Lieve via een duiker eronder te leiden. In de Konduitput of ‘Conduutput’, gelegen naast de brug over het Zuidover-de-Lievegeleed, werd daarom het water verzameld van de polders ten zuiden van de Gentse Lieve en de beken uit het binnenland en vervolgens onder het Lievekanaal geleid. Dit gebeurde met een zuiger die onder de Lieve doorliep. Toen de Lieve omstreeks 1872 opgevuld werd, werd het zuigersysteem uitgebroken. In die optiek vormde de Konduitput dus een zeer belangrijk punt voor de waterbeheersing van de polders tussen Damme en Brugge, waar het water verzameld werd en via het ‘Zuid-over-de-Lievegeleed’ naar zee kon afgevoerd worden.

Van het einde van de 12de eeuw tot begin 14de eeuw werd het gebied ten zuiden van de Krinkeldijk-Romboutswervedijk (ten oosten van Damme) gradueel ingepolderd (‘Nieuwland’). Vanuit de perifere zones schoof men steeds verder op naar de Zwingeul toe, waardoor de Zwingeul steeds smaller werd. In tegenstelling tot de meer defensieve - zeewerende - functie in de vorige eeuw, worden grote polders ingedijkt met het oog op landwinning. Bij verkaveling en ontginning van de gronden worden vele (doorgaans omwalde) hoeven gebouwd en nieuwe leengoederen gesticht, onder meer het ‘Hof Bonem’.

De verzanding van de Zwingeul was een serieuze tegenvaller voor de economische activiteit in Damme, gezien de cruciale rol van de Zwingeul voor de scheepvaart. Bovendien ontstonden er geleidelijk andere stadjes stroomafwaarts langs de oevers van het Zwin, onder meer Hoeke (circa 1250), Monnikerede (circa 1280) en Sluis. Vanaf de 14de tot de 16de eeuw kent Damme een sterke achteruitgang en teloorgang als zeehaven. Het stadsplan van Jacob van Deventer (1550-1565) toont een vervallen stad binnen de middeleeuwse omwalling; veel ruimte binnen de vestingen is niet meer bewoond. Het eertijds welvarende stadje Monnikerede wordt in de loop van de 16de eeuw verlaten en is vandaag niet meer herkenbaar en quasi volledig verdwenen; enkel archeologische restanten blijven over.

Vanaf het midden van de 16de eeuw hoopt Brugge opnieuw de verzandingproblemen op te lossen met het delven van een nieuw kanaal tussen Damme en Sluis in de periode 1548-1564, met name de ‘Verse Vaart’ of ‘Soete Vaart’ ten westen van het Zwin. Wegens de enorme verzanding en de te grote lasten op de voorbijgaande schepen, besluit Brugge reeds in 1564-1566 de nieuwe Verse Vaart af te dammen bij ‘Bekaf’ (confer Oostkerke, Bekofstraat). Men graaft het Oude Zwin weer uit, vanwaar een gekanaliseerd Leugenzwin terug aansluiting geeft op de Verse Vaart te Monnikerede, die richting Damme wordt afgesloten (zogenaamde ‘Verloren Einde’; zie onder andere kaart de Ferraris). Daardoor heeft Damme geen rechtstreekse verbinding meer met de zee of men moet langs Brugge om varen. De verbinding van Brugge met Sluis, via Verse Vaart en Oude Zwin, is duidelijk af te lezen uit de kaart van Pieter Pourbus (1561-1571). Deze kaart toont ook heel wat oude hoeven, windmolens en dijken.

De Tachtigjarige oorlog, die in 1568 uitbrak tussen de Noordelijke Nederlanden en Spanje, heeft een grote invloed gehad op het Zwinlandschap. De Zwinstreek vormde de grensregio waarin tal van oorlogen/grensconflicten plaatshadden. Daarbij werden vaak zones om strategische redenen onder water gezet. De Noord-Nederlandse troepen staken in Sluis enkele dijken door en het instromende zeewater schuurde een diepe kreek uit die nu nog gekend is als het Lapscheurse Gat. Oud Lapscheure - dat kan gelokaliseerd worden ter hoogte van de oostelijke grens van de Zeedijk (aan Spermaliepolder) - werd bij deze overstromingen volledig van de kaart geveegd. Enkel de (deels opgegraven) ruïnes van de romaanse kerk zijn op vandaag te herkennen. Men veronderstelt dat de archeologische resten van het dorp rond de kerk te vinden zijn.

Lapscheure werd nadien opnieuw gesticht, ongeveer 2 kilometer verder naar het zuidwesten. Een groot gebied werd in de 17de-18de eeuw opnieuw ingepolderd. De Zeedijk en Groenendijk zijn inpolderingsdijken uit deze periode en hebben een zeer rechtlijnig tracé. De Sint-Pietersdijk daarentegen werd aangelegd in de middeleeuwen en heeft een veel minder rechtlijnig patroon, waarin af en toe bochten en kronkels zitten; hij is in ieder geval herkenbaar op de Pourbuskaart die de toestand toont in de 16de eeuw.

De Spanjaarden legden versterkingen aan vanaf het Fort Sint-Pol (huidige Zoutelaan te Knokke) tot aan het Fort Sint-Donaas (nabij huidige Damse vaart). De verbinding werd gevormd door de Linie van Cantelmo. In 1616-1620 werd Damme omgebouwd tot garnizoensstad en omgeven door een stervormige vesting. Damme wordt een stevig bolwerk met een permanente bezetting van wisselende nationaliteiten. Het gebouwenbestand van de stad neemt sterk af in deze periode en er is geen activiteit meer te zien aan de havenkom. Damme bleef van militaire betekenis tot omstreeks 1760. Ook na het einde van de Tachtigjarige Oorlog (1648) gaat de Zwinstreek nog tientallen jaren gebukt onder de last van oorlogen, onder meer tijdens de bezetting door de Hollanders in 1663. De handel en scheepvaart gaan bijna helemaal teniet. Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) wordt Damme nog verder versterkt. De stadswallen worden uitgebreid met een hoornwerk in de richting van de grens met de Noordelijke Nederlanden (Sluis). Enkele vooruitgeschoven forten worden gebouwd, waaronder het ‘Verbrande Fort’ aan de kruising van de Romboutswervedijk met de Versevaartdijk (confer Oostkerke) en het Fort van Damme op de linkeroever van de Reie op 1,3 kilometer vóór de stad. In dezelfde periode wordt ook het Fort van Beieren aangelegd voor de verdediging van de stad Brugge.

De kaart van de Ferraris toont ons een beeld van het landschap omstreeks 1770-1778. De toenmalige landschapsstructuren en -patronen vertonen opvallend sterke gelijkenissen met de huidige, zowel voor wat betreft bodemgebruik, ligging van dijken en waterlopen als nederzettingspatroon. Vooral inzake het bodemgebruik zijn de wijzigingen beperkt in vergelijking met vele andere Vlaamse regio’s: de ligging van akkers (drogere kreekruggen) en grasland (nattere gronden) sluit vandaag opvallend sterk aan bij het patroon van eind 18de eeuw. De Oostenrijkse kabinetskaart geeft voorts aan dat er destijds wel meer boomgaarden (nabij de dorpen) en bomenrijen waren. Het landschap was destijds meer gesloten, ook al waren de grote kanalen met beeldbepalende bomenrijen langs de bermen er nog niet. Perceelsrandbegroeiingen bestonden ten tijde van de Ferraris vermoedelijk wel meer uit lagere beplantingen zoals hagen, houtkanten en knotbomenrijen. De forten en redoutes van de Spaanse successieoorlogen zijn op de kaart van de Ferraris duidelijk weergegeven, hetgeen zeer waardevolle informatie oplevert aangezien deze militaire bouwwerken nadien sterk vervaagden.

Tussen 1810 en 1824 werd een kanaal uitgraven om Noord-Frankrijk via Brugge te verbinden met Sluis en de Westerschelde. Dit kanaal kennen we onder de naam van Napoleonkanaal of Damse vaart. Bij het graven trachtte men zoveel mogelijk bestaande waterwegen te integreren. Tussen Damme en Sluis was dit de oude bedding van het Zwin. Het werd dwars door Damme getrokken, waardoor een marktplein en veel huizen verloren gingen.

Het Leopoldkanaal werd tussen 1843 en 1854 gegraven in functie van de afwatering van poldergebieden. Bij de Belgische onafhankelijkheid kwam de bestaande afwatering van een groot deel van de polders immers in het gedrang, omdat de Nederlanders de beken die naar Zeeuws-Vlaanderen afwaterden, afsloten (bijvoorbeeld: Lievegeleed waarop de Blauwe Sluis staat).

Het Schipdonkkanaal of het afleidingskanaal van de Leie werd gegraven tussen 1846 en 1860, tussen de Leie in Deinze en Heist aan zee, waar het in de Noordzee uitmondt. Het kanaal moest het vervuilde water van de Leie uit Gent wegleiden. Tevens kon men hierdoor het waterniveau van de Leie beter regelen in de strijd tegen overstromingen. Ook de functie als bijkomende waterweg was handig meegenomen.

Om de scheepvaart op de Damse Vaart niet te hinderen wordt het water er onderdoor geleid door middel van hevels of ‘sifons’. Oorspronkelijk sifoneerde het Schipdonkkanaal en Leopoldkaanal onder de Damse Vaart. In 1940 worden de sifons te Oostkerke door Franse genietroepen opgeblazen, waarna dit knooppunt zo werd heraangelegd dat de Damse Vaart sifoneert onder de beide andere kanalen. Scheepvaart van Brugge naar Sluis was van toen ook niet meer mogelijk.

Met de onafhankelijkheid van België werd de staatsgrens met Nederland tussen 1831 en 1839 vastgelegd. De grens werd met sierlijke gietijzeren palen gemarkeerd. Na de onafhankelijkheid wilde men het overtollige polderwater via eigen kanalen naar zee afvoeren. Ten behoeve van de afwatering vanuit Sint-Michiels, Sint-Kruis en Assebroek (Brugge)In 1841-1848 werd het Zuidervaartje in een gracht omheen de stad en de rechterflank van het nog bestaande hoornwerk gegraven.

De steenbakkerijnijverheid had in de 20ste eeuw een grote impact op het landschap ten westen van de N49. In 1906 werden de activiteiten opgestart, waarbij in eerste instantie de putten tussen Hoeke en Lapscheure ontstonden. De uitgravingen nabij het Oud fort Sint-Donaas gebeurden pas later, op het einde van de jaren 1970. In 1983 werd de kleiwinning stopgezet, waarna de kleiputten verder verbosten.

Echt oorlogsgeweld is er tijdens de Eerste Wereldoorlog niet geweest in de omgeving van Damme, maar de aanwezigheid van de bezettingstroepen was overduidelijk. De zogenaamde Hollandstellung bestond uit een draadversperring met een netwerk van bunkers. In de Spermaliepolder en aan de Zeedijk vinden we nog clusters van deze bunkers terug.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween de bootverbinding met Sluis en de Damse Vaart werd naderhand aan weerszijden afgedamd. Het neerstorten van een V1-bom veroorzaakte schade in de buurt van de Haringmarkt. Tot de Tweede Wereldoorlog was er een bootverbinding tussen Brugge en Sluis via de Damse Vaart en werd het water van het Leopold- en Schipdonkkanaal onder de Damse Vaart geleid via sifons. Gedurende de achttiendaagse veldtocht in mei 1940 werden de sifons te Oostkerke door Franse genietroepen opgeblazen. De Duitse bezetter legde vervolgens twee voorlopige dammen aan op de Damse Vaart, die later wel een definitief karakter kregen. Vanaf dat moment werd de Damse Vaart via een buizenstelsel onder de beide kanalen geleid met sifons en is de situatie dus helemaal anders dan tevoren. In de 20ste eeuw ontwikkelde het pittoreske Damme zich geleidelijk tot een toeristisch centrum. In de tweede helft van de 20ste eeuw had de schaalvergroting van de landbouw ook gevolgen rond Damme. Markant voorbeeld is het huidige grote akkercomplex tussen het Zuidervaartje en de Oude Sluissedijk ten noordoosten van Damme. Op een luchtfoto van 1944 merken we dat dit gebied nog ingedeeld was in tientallen kleine repelvormige percelen met noordwest-zuidoost oriëntatie, terwijl er vandaag opvallend grote akkerpercelen zijn.

Huidig landschapsbeeld

De ankerplaats wordt globaal gekenmerkt door een open tot halfopen polderlandschap, waarin de kanalen, dijken (veelal in combinatie met wegen), bomenrijen en waterlopen de voornaamste structuurbepalende elementen zijn. Grote delen van de polders vertonen nog het typisch grondgebruik gerelateerd aan de fysische structuur van kreekruggronden en komgronden. De oorspronkelijke kreken slibden toe met aanvankelijk zand en bovenaan klei, maar door inklinking van het veen in de aansluitende komgronden werden deze vroegere kreekgeulen in reliëf gezet en vormen nu ruggen tussen de omliggende komgronden (reliëfinversie). Op de hogere en drogere kreekruggronden treft men nog (vooral) akkerland aan. Hierop komen ook de verspreide bebouwing en de wegen voor. De komgronden zijn van oudsher grasland (historisch permanent grasland) en vertonen microreliëf hetzij natuurlijk, hetzij door vergraving ontstaan (ontvening, uitbrikking, bedijking, waterhuishouding).

Tussen de percelen zijn talrijke grachtjes gegraven waarin rietkragen staan. Weilanden hebben vaak een veedrinkpoel. De historisch permanente graslanden hebben een grote floristische en faunistische waarde, in het bijzonder als overwinteringsplaats voor ganzen uit het noorden.

De perceelsvorm verschilt nogal volgens deelgebied: in sommige gebieden hebben de percelen overwegend een onregelmatige en grillige vorm, in andere gebieden zijn ze zeer rechtlijnig en vertonen eenzelfde patroon en oriëntatie ten opzichte van de dijken of waterlopen.

Kreken, geleden, aders, grachten en laantjes

Er werd - reeds van in de middeleeuwen - een uitgebreid grachtennetwerk aangelegd in functie van de waterhuishouding van het gebied. Het is een hiërarchisch netwerk van laantjes over perceelsgrachten tot grotere aders en geleden. Vermoedelijk dienden ze in de winter en natte periodes vooral om water af te voeren, in de zomer veeleer om water aan te voeren. In de grachten komt veel rietvegetatie voor (rietkragen). De rietkragen en -landen accentueren deze landschapsstructurerende elementen. Op de graslanden treffen we frequent laantjes aan. Dit zijn ondiepe, rechte greppels in het perceel die soms wel en soms niet in verbinding staan met de gracht rond het perceel.

De Rietgeule, Zevengemeten en het Zuid-over-de-Lievegeleed vormen de belangrijkste waterlopen voor het deelgebied ‘kreken van Lapscheure’, grosso modo begrepen tussen de Sint-Pietersdijk, Oude Sluisedijk, Zeedijk en Groenendijk. De percelen zijn duidelijk geënt op de waterlopen of de dijken (veelal haaks erop) en hebben vaak een langgerekte vorm (repelpercelen). In het landgebruik zien we een opvallende relatie met de hoogteligging van het terrein: een groter aandeel graslandgebruik in de lagere gebieden (centraal in gebied) en groter aandeel akkerland op de hogere gronden (zuidwestelijk deel met de Onze-Lieve-Vrouw-Polder en Hoge Hem, en noordoostelijke zone rond Zeedijk en Groenendijk). In die laatste gebieden stellen we een trend vast dat de lange smalle percelen samengevoegd worden tot grotere, bredere percelen.

Het Lievekanaal is grotendeels gedempt en herleid tot een gracht. Aan de langgerekte percelen die een andere oriëntatie hebben dan die in de omgeving is het tracé wel nog duidelijk herkenbaar. De sluis op het Lievegeleed (=Blauwe Sluis) is niet op de kreek zelf aangebracht, maar op een nabijgelegen zandige kreekrug. De Blauwe Sluis dateert van 1746 en werd gebouwd ter vervanging van een oudere zogenaamde ‘Sint-Jobsluis’. De Blauwe Sluis is een bakstenen constructie met twee rondboogopeningen van circa 2,10 meter breed over het Geleed. De buitenwanden zijn bekleed met grote blokken arduin. Nabij de Zuidervaart zijn in het weiland nog enkele restanten van een kreek te zien. Op deze Zuidervaart staat een vrij vervallen sluisje, de ‘Sluispoort’ dat men nauwelijks herkent door de opslag van struiken en bomen errond.

De Hoekevaart heeft nog een zeer natuurlijk oeverprofiel waar oevervegetatie voorkomt die een schommelend waterpeil verdraagt. De Zwarte Sluis zorgde voor de regeling van de waterafvoer en het waterpeil in de Hoekevaart. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog, in 1605, wordt op de grens met Westkapelle het Fort Sint-Frederik aangelegd ter verdediging van de strategisch belangrijke Zwarte Sluis.

De kreek waar nu het Zuid-over-de-Lieve-Geleed ligt, was verbonden met het Lapscheurse Gat. Dit geleed zorgde voor de afwatering van het gebied ten zuiden van het Lievekanaal (pas vanaf 17de eeuw). Door de Lieve was de waterhuishouding van het gebied immers verstoord en moest er meer water worden afgevoerd vanuit Brugge en omstreken. De zogenaamde aders, zoals ‘Romboutswerveader’ en ‘Moerader’ zijn gegraven watergangen die overwegend uit de late middeleeuwen dateren en fungeren als verzamelgrachten. De Eierbroekvaart ligt op de plaats van het Oude Zwin.

Dijken

De dijken getuigen van het gevecht van de mens met de zee om land veilig te stellen tegen overstromingen en van de stapsgewijze inpoldering van het gebied. De eerste dijken waren defensieve dijken die in de loop van de 11de en 12de eeuw ontstonden. Binnen de ankerplaats gaat het om de Bloedlozendijk die vanuit het noorden tot in Hoeke liep (thans verdwenen). De Krinkeldijk en Romboutswervedijk werden nog vóór de stormvloed van 1134 aangelegd en werden de noordelijke grens van de Zwingeul.

Vanaf het einde van de 12de eeuw startte de systematische inpoldering van het schorrengebied. Hiertoe werd in de 12de tot 14de eeuw een stelsel van dijken aangelegd, waarbij men globaal opschoof van zuidoost naar noordwest, met onder andere Hondsdam (te Damme), Zuiddijk (zuidoostelijke grens ankerplaats), Sluisedijk (meerdere delen), Dijk aan Lemspolder-Oude Moeye, Landsdijk en Schaapsdijk.

Begin 17de eeuw werd gestart met het opnieuw indijken van de polders die gedurende de Tachtigjarige Oorlog overstroomd waren vanuit het Lapscheurse Gat. De Sint-Pietersdijk, (Nieuwe) Zeedijk en Groenendijk dateren uit deze periode. De Versevaartdijk daarentegen is geen inpolderingsdijk maar een overblijfsel van de bedijking langs de Verse Vaart.

De dijken vormen vandaag een visueel opvallende landschapsstructuur door hun hoogte, door hun beplanting (vooral populierenrijen, maar ook knotbomen, struweel) en door de bebouwing erlangs. Op meerdere plaatsen zijn de dijken beplant met één of meerdere opgaande bomenrijen. Deze bomen bakenen de polders zowel visueel als in historisch oogpunt goed af. Het merendeel van de bomen zijn populieren, waaronder oude cultuurvariëteiten van Canadapopulier, zoals ‘Marilandica’, ‘Serotina’ en ‘Blauwe van Exaarde’.

Op plaatsen waar de dijk doorbreekt wordt vaak een laagte uitgespoeld, ook een ‘wiel’ genoemd. De weggespoelde en verder afgezette gronden - meestal zandig - worden ‘overslaggronden’ genoemd. Aan de Krinkeldijk te Oostkerke en aan de Romboutswervedijk hebben zich hoogstwaarschijnlijk dergelijke dijkdoorbraken voorgedaan. Ten noordoosten van Lapscheure zijn er op meerdere plaatsen overslaggronden, als resultanten van de dijkdoorbraken van het Lapscheurse Gat tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

De meeste dijken hebben een gelijkaardige oriëntatie, parallel met de Zwingeul. In de Lemspolder en in percelen tussen fort Sint-Job en hoeve Sint-Donaas komen echter ook restanten van korte dwarsdijken voor. Bij de opbouw van de dijken werd klei en zand gebruikt, hoogstwaarschijnlijk van de (toenmalige) nabijgelegen schorren. In de loop der tijden werden de polderdijken hoger en zwaarder. Op de dijken lopen vaak wegen. Door de verhoogde ligging van deze wegen is de landschappelijke ervaring meer uitgesproken. De dijkwegen zijn grotendeels verhard (onder andere Sint-Pietersdijk, Krinkeldijk, Oude Sluisedijk), maar er zijn ook nog meerdere half-verhard en onverharde dijkwegen (Groenendijk, Landsdijk). Over een gedeelte van de Zeedijk is er een verharde weg aan de voet van de dijk gelegd en is de weg op de dijk onverhard gebleven. Kasseiwegen zijn er nog in de Oude Westkapellestraat (Hoeke), aan de kerk van Hoeke en in het centrum van Damme.

Kanalen

De aanwezige kanalen hebben een sterke landschapsstructurerende rol. De Damse Vaart vormt de centrale as van de ankerplaats. De andere twee - Schipdonkkanaal en Leopoldkanaal - staan er loodrecht op. De Damse Vaart is gegraven in de vroegere bedding van de Zwingeul en maakte het transport per schip naar Brugge mogelijk. Dit bestendigde de historische waterverbinding van Brugge met zee.

De dijken langs de Damse Vaart zijn beplant met opgaande bomen die het kanaal van ver zichtbaar maken in het landschap. Het betreft bijna uitsluitend Canadapopulieren, met een ruime staalkaart aan oude en nieuwe variëteiten. De oude vrouwelijke variëteit ‘Marilandica’ overheerst, met bomen die hoofdzakelijk van 1922-1923 dateren. Daarnaast komen nog exemplaren van de alleroudste variëteit ‘Serotina’ voor, evenals de hiervan afgeleide ‘Blauwe van Exaarde’. Verspreid tussen de oudere bomen komen recentere rijen voor van voornamelijk ‘Robusta’ en de UNAL-euramericana’s ‘Ogy’ en ‘Ghoy’. Het Leopoldkanaal en het Schipdonkkanaal (ook ‘Afleidingskanaal van de Leie’) lopen parallel, met een onderlinge afstand variërend van enkele tot een tiental meters en worden daarom soms ook de ‘tweelingkanalen’ genoemd. Samen vormen ze een sterke visuele grens door de kanaalbermen en vooral door begeleidende bomenrijen.

Bomenrijen, bossen en boomgaarden

Het open polderlandschap wordt op tal van plaatsen visueel gecompartimenteerd door bomenrijen. Deze zijn vooral gelegen op de kanaaltaluds (de drie kanalen), op de dijken (bijvoorbeeld Romboutswervedijk, Krinkeldijk, Groenendijk, Zeedijk) en langs andere wegen. Ook de stervormige verdedigingsstructuur van Damme wordt geaccentueerd door bomenrijen. Meestal gaat het om meerdere bomenrijen, in dreefverband of parallelle rijen op de kanaaltaluds. Het merendeel van de bomen zijn populieren, die hoge uniforme groenschermen vormen. Onder andere langs de Damse Vaart en de Krinkeldijk gaat het om oude cultuurvariëteiten van Canadapopulier. De mannelijke variëteit ‘Serotina’ en de ervan afgeleide ‘Blauwe van Exaarde’ zijn, net als de ‘Marilandica’ en de ‘Regenerata’ (met typische kromme stammen) karakteristiek voor de 18de en vooral 19de-eeuwse landschappen van de regio. Ook knotwilgenrijen zijn talrijk aanwezig. De bomenrijen versterken de bestaande structuren in het landschap en maken het landschap hierdoor beter leesbaar.

De voormalige steenbakkerij van het Fort van Beieren en Fort Sint-Donaas zijn de enige sites met bos (vermoedelijk natuurlijke opslag) van enige omvang. Vandaag komen er nog slechts enkele boomgaarden voor in het gebied, doorgaans in de onmiddellijke omgeving van hoeven en van beperkte omvang. De historische kaarten leren ons dat er in de 18de en 19de eeuw meer boomgaarden waren, vooral nabij de dorpen Oostkerke, Hoeke en Lapscheure.

In enkele zones, zoals ten noorden en ten noordoosten van Lapscheure, zijn er nog concentraties van oude doornhagen. Tussen Hoeke en Oostkerke zijn er enkele vlakvormige zones (vijftal nabijgelegen perceeltjes) die recent verstruweelden.

Nederzettingen

In de wordingsgeschiedenis van de stad Damme kunnen verschillende fasen onderscheiden worden. Na het ontstaan als havennederzetting in de tweede helft van de 12de eeuw groeit Damme in de 13de eeuw uit tot een zeer bloeiende havenstad. Van de middeleeuwse fase zijn nog meerdere elementen aanwezig, zoals een deel van het stratenpatroon, de perceelstructuur (diepe percelen met achterliggende stapelplaatsen dwars op de toenmalige dijk, bijvoorbeeld Jacob Van Maerlantstraat) en de oorsprong van een heel aantal gebouwen, waaronder de Onze-Lieve-Vrouwekerk, Sint-Janshospitaal en het Magdalenagasthuis.

In de 16de eeuw werd de middeleeuwse stadsstructuur van Damme grondig gewijzigd, door de aanleg van grachten, wallen, bastions, kazematten, ravelijnen enzovoort op basis van de principes en het model van de Vauban-vesting. Deze ingreep heeft het topografisch uitzicht van Damme grondig gewijzigd: het noordelijk deel van de stad verdwijnt nagenoeg volledig, nagenoeg elk spoor van de laatmiddeleeuwse versterkingen wordt uitgewist en het wegenpatroon en waterlopen worden sterk aangepast. De stervormige stadsverdediging dateert uit de Tachtigjarige Oorlog tussen de Noordelijke Nederlanden en Spanje en bestaat uit een enkele omwalling en een dubbele begrachting die in totaliteit zeer goed bewaard gebleven is en daarvoor ook zeer bekend is.

Van op de wallen heeft men een vergezicht op de omgevende polders en tevens een zicht op de stadskern zelf. Langs deze grachten en de wal staan hier en daar opgaande bomenrijen die in de 17de eeuw zeker niet aanwezig waren, omdat dit niet strookt met de uitgangsprincipes van een Vauban-vesting. Ze benadrukken evenwel zeer sterk de vestingstructuur en zijn vanuit de wijde omgeving zichtbaar zijn in dit vlakke polderlandschap.

Een deel van de oude omwalling is nu natuurreservaat waar men in de grachten de opeenvolgende stadia van verlandingsvegetatie tracht te bekomen (onder andere rietkragen, moerasbos). De stadswallen zijn grotendeels als grasland aangewend waarbij de vervaagde grachten en depressies goed herkenbaar blijven. Akkerland is nefast voor het behoud van de structuren van voormalige Vauban-vesting, door de landbouwbewerkingen (ploegen, frezen, …) en door de grotere erosiewerking op akkers.

Een nieuwe belangrijke fase voor Damme was de aanleg van de Damse Vaart tussen 1810 en 1824. Het noordelijk gedeelte van de stad wordt van het centrum afgesneden en de Korenmarkt en de vele herenhuizen erlangs verdwijnen. De havenkom en de drie waterlopen Lieve, Reie en Zwin, die eeuwenlang in het centrum van de stad stromen, worden gedempt met het zand van de Damse Vaart. Enkele straten worden ingekort, onder meer de Katte- en de Burgstraat, of doorgetrokken, onder meer de Hoog- (thans Jacob van Maerlantstraat) en de Kerkstraat (noordwaarts tot de Romboutswervedijk, thans deel van de Dammesteenweg). De oude loop van het Zwin wordt bebouwd.

Daarnaast zijn er drie kleine polderdorpen in de ankerplaats gelegen, namelijk Lapscheure, Hoeke, en Oostkerke. De kleine polderwoningen zijn zeer kenmerkend. De kerktorens van Damme en Oostkerke hebben een platte kerktoren. Men vermoedt dat dit geen onafgewerkt stadium is maar diende om er vuur aan te leggen als primitieve bakens langs het kanaal.

De twee nederzettingen ten westen van de Damse Vaart (Oostkerke en Hoeke) hebben nog een zeer gave bewoningskern zonder veel storende nieuwbouw. Lapscheure is qua nederzetting minder waardevol door de vele nieuwe lintbebouwing errond. Het kleinschalige van dit dorp dreigt verloren te gaan. In de nabijheid van Damme, Hoeke en Oostkerke staat er telkens een windmolen. In Oostkerke waren er zelfs twee, maar van de Molen Mengé is enkel de romp bewaard gebleven.

Hoeke is ontstaan op de plaats waar de Krinkeldijk en de Bloedlozendijk samenkomen, en was in oorsprong een gehucht van Oostkerke. De eerste schriftelijke vermelding van Hoeke dateert van 1252. Door zijn ligging vlakbij het Zwin ontwikkelde Hoeke zich gedurende de middeleeuwen tot een ‘voorstad’ van de wereldhaven Brugge.

De huidige dorpskern langs de Oostkerke- en Sint-Jacobsstraat is een restant van het westelijke gedeelte van het middeleeuwse havenstadje en is door de eeuwen heen gereduceerd tot de in kern 13de-eeuwse kerk Sint-Jacob-de-Meerdere, waarrond een kleine woonkern. Van de lage dorpswoningen hebben sommigen een 18de-eeuwse kern; het huidige uitzicht werd echter op het eind van de 19de en gedurende de 20ste eeuw bepaald. Bij nieuwe woningen is het kleinschalige karakter van belang, evenals de inpassing in het algemene beeld van dit polderdorp.

Hoeke was ook een vertrekplaats voor de pelgrims uit het noorden die een tocht naar Santiago de Compostela deden. In dit stadje kwamen ze aan met de boot het en vatten hun tocht aan. Via Lissewege en Brugge namen ze de ‘Via Turonensis’ als route naar Santiago de Compostella.

De dorpskom van Oostkerke ligt op een verhoogde natuurlijke zandafzetting of op een kunstmatig opgeworpen vluchtheuvel en is mogelijks reeds in de 8ste eeuw ontstaan. Eerste vermelding als ‘Ostkerka’ in een document van 1028, vermoedelijk in de betekenis van ‘kerk ten oosten van Dudzele’. De kerk, die met haar massieve westtoren de omgeving domineert, ligt centraal in het dorp en vormt de kern waarrond het dorp zich ontwikkeld heeft. De bewoning van Oostkerke bestaat in hoofdzaak uit lage, witgeschilderde huizen die dicht tegen elkaar aangebouwd zijn. De meeste huizen zijn na de zware beschietingen in 1944 grotendeels heropgebouwd in historiserende stijl. De dorpskom heeft zijn landelijke karakter behouden en is ook zeer rustig, omdat het doorgaand verkeer niet door de dorpskom moet en langs de wegen buiten de dorpskern geleid wordt.

Ten zuidwesten van de kerk bevindt zich het Kasteel van Oostkerke. De torens van kerk en kasteel bepalen de omgeving en symboliseren de kerkelijke en burgerlijke geschiedenis van Oostkerke. Het Kasteel van Oostkerke kreeg bij de heropbouw na de Tweede Wereldoorlog internationale uitstraling door de ontwerpen die de Nederlandse tuinarchitecte Mien Ruys (1904-1999) maakte voor het kasteeldomein. De landschappelijke inpassing is geslaagd, met aansluiting bij omliggend polderlandschap, met weilanden, bomenrijen en een Marilandica-dreef die uitgeeft op de romp van de Molen Mengé.

Lapscheure is een straatdorp dat zich vanaf de 17de eeuw ontwikkelt langs de Hoogstraat-Vredestraat, waar in 1640 het nieuwe houten bedehuis wordt gebouwd. De huidige stenen kerk is gebouwd in 1652 en vormt nog steeds het centrum van de dorpskern. De bebouwing bevindt zich aan de oostkant van de Hoogstraat en bestaat uit 19de- en begin-20ste-eeuwse dorpswoningen, waartussen nieuwbouwwoningen. De voormalige 19de-eeuwse pastorie, de gemeenteschool en het vroegere gemeentehuis zijn in deze straat te vinden. De bebouwing in de Vredestraat sluit aan bij die van de Hoogstraat, maar bevat tevens enkele grote historische hoeven.

Buiten het dorpscentrum bepalen de alleenstaande grote hoeven, verspreid over het landschap, het beeld. Kleine groepen woningen zijn geconcentreerd rond oude herbergen, bij bruggen of knooppunten van wegen.

Hoeven

In het polderlandschap liggen verspreide hoeven, voornamelijk met een 18de- of 19de-eeuws uitzicht maar veelal met een oudere kern en soms bewaarde restanten van omwallingen. De meeste hoevesites zijn aangegeven op de kaart van Pieter Pourbus (1561-1571), confer onder meer de hoeve ‘Bonem’, die teruggaat op een 13de-eeuwse heerlijkheid of de hoeve ‘Blauwe Zaal’, minstens bekend uit de 15de eeuw.

De hoevebouw wordt gekenmerkt door losstaande, veelal witgekalkte bestanddelen onder pannen zadeldaken met woonstalhuis, soms voorzien van opkamer, al dan niet onder verhoogde nok. Boerderijen zijn eerder zeldzaam op de uitgeveende gronden en op de nog steeds natte poelgronden. Een groot aantal belangrijke boerderijen vinden we terug op de vroegste kaarten, voorzien van een vierkante omwalling. De vruchtbare poldergronden zorgden voor specifieke bouwvormen, met name de grote bergschuren, zoals onder meer bij de hoeve ‘Grote Schuure’.

Vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw worden talrijke hoeven ingrijpend gerenoveerd en/of omgevormd tot woningen of tweede verblijven, met een verlies aan authenticiteit

Forten

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Verenigde Provinciën (1568-1648) loopt het front vast ter hoogte van de Zwinmonding en het Lapscheurse Gat. Tussen 1616-1620 wordt te Damme onder de heerschappij van aartshertogen Albrecht en Isabella door Spaanse ingenieurs een gebastioneerde verdedigingsgordel aangelegd naar ontwerp van ingenieur Guillaume Flamaen. Dit is nog steeds één van de belangrijkste militaire architecturale verwezenlijkingen in de Zwinstreek en tot op vandaag zichtbaar in het landschap. De vesting bestaat uit een stervormige aarden omwalling met zeven door courtines verbonden bastions, later voorzien van ravelijnen en twee grachten (hoofd- en buitengracht) met daarbinnen soldatenbarakken en magazijnen.Onder andere de forten Sint-Donaas, Sint-Job en Frederik waren gebouwd om de Damse Vaart te beschermen tegen de Noordelijke Nederlanden. Fort Sint-Donaas werd tevens als overslaghaven gebruikt want de Zwingeul was reeds te verzand om nog met grote schepen tot in Damme (laat staan Brugge) te varen. Van het Fort Sint-Donaas rest bijna niets meer. De andere forten zijn wel nog te herkennen. Op de site van Fort Sint-Donaas werd later klei uitgegraven.

Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) wordt Damme nog verder versterkt. De stadswallen worden uitgebreid met een hoornwerk in de richting van de grens met de Noordelijke Nederlanden (Sluis) Enkele vooruitgeschoven forten worden gebouwd waaronder het ‘Verbrande Fort’ aan de kruising van de Romboutswervedijk met de Versevaartdijk (confer Oostkerke) en het ‘Fort van Damme’ op de linkeroever van de Reie op 1,3 kilometer vóór de stad. Ook het Fort van Beieren wordt in die periode aangelegd, maar het werd nooit belegerd en heeft dus eigenlijk nooit dienst gedaan. In de omgeving werden nog enkele kleinere fortjes en verdedigingspunten aangelegd, maar de meeste zijn minder goed bewaard of al sterk genivelleerd waardoor ze minder herkenbaar zijn op het terrein. In de loop van de 18de eeuw werd het dan bij het kasteeldomein ‘Fort de Bavière’ gevoegd; de vestingstructuur zelf bleef grotendeels bewaard en werd aangevuld met parkontwerp die resulteerde in bebossing, aanleg van brugjes, paden, inbreng typische parkbomen, enzovoort. Het kasteel zelf is in de jaren 1950 afgebroken. Moestuinmuur en ijskelder zijn wel bewaard gebleven.

  • Heraldische kaart van het Brugse Vrije door Pieter Pourbus, 1571, gekopieerd door Pieter Claeissens jr. 1601, facsimile-uitgave, Universitaire Pers, Leuven, 60.
  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.

  • ANDRIES A. e.a., 2008: De Lieve: tscoenste juweel dat de stede heeft, Wondelgem, Tijdelijke Vereniging de Gentsche Lieve, 216.
  • ERVYNCK A. e.a., 1999: Human occupation because of a regression, or the cause of a transgression, Oudenburg.
  • HILLEWAERT B. 1984: Archeologische Inventaris Vlaanderen. Band II: Oostkerke-bij-Brugge, Gent.
  • MOSTAERT F. 2000: Geografische situering en ontwikkeling van de Vlaamse kuststreek, in DE MEULEMEESTER J. (red.), Met zicht op Zee, overdruk Vlaanderen, 49-3.
  • S.N. 2000: Kust en polder, landschapseducatie in de Zwinstreek, werkboek, Provincie West-Vlaanderen.
  • STROBBE M. 1983:. Het landschap van de Zwinstreek, Monumenten & Landschappen, 2-3, 8-23.
  • TERMOTE J. & ZWAENEPOEL A. 2004: Forten en verdedigingswerken in het Oost- en West-Vlaamse Krekengebied. Inventarisatie, beschrijving, beheersituatie, visieontwikkeling, Westtoer, studie in opdracht van de Provincies Oost- en West-Vlaanderen.
  • TYS D. 2001: De verwerping van het zgn. Duinkerke-transgressiemodel en nieuwe inzichten in de vroegste bedijking van de kustvlakte, in HUYS E. & VANDERMAESEN M. (red.), Polders en wateringen, Brussel, 17-53.
  • VERHULST A. 1995: Landbouw in Middeleeuws Vlaanderen, Gemeentekrediet.
  • ZWAENEPOEL A. 2002: Populieren in traditionele landschappen: te mijden exoten of landschappelijk waardevolle bomen? Case-study in het Beverhoutsveld (Oostkamp, Beernem), in de Assebroekse meersen (Assebroek, Oostkamp) en langs de Damse Vaart (Brugge, Damme).

Bron: Ankerplaats 'Damse Vaart met omgevende polders, Fort van Beieren en kreken van Lapscheure'. Geactualiseerde Landschapsatlas, A30064-A30018-A3005, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.

Auteurs: Deventer, Wouter; Lambrechts, Joachim; Loosveldt, Katrijn & Mentens, Jeroen

Datum tekst: 2010

Relaties

maakt deel uit van Damme

Damme (Damme)

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Hoeke

Hoeke (Damme)

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Koolkerke en Sint-Jozef

Koolkerke (Brugge)

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Lapscheure

Lapscheure (Damme)

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Oostkerke

Oostkerke (Damme)

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Sint-Kruis

Sint-Kruis (Brugge)

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Westkapelle

Westkapelle (Knokke-Heist)

U kunt deze pagina citeren als:

Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Damse Vaart met omgevende polders, Fort van Beieren en kreken van Lapscheure [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300500 (geraadpleegd op ).
Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.