erfgoedobject

Historische stadskern van Mechelen

archeologisch geheel
ID: 140035   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140035

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

De stad is gegroeid uit twee kernen: een handelsnederzetting of portus op de hoge linkeroever van de Dijle en een religieus centrum op de lager gelegen rechteroever. De historische kern wordt sinds de tweede helft van de 13de eeuw begrensd door de tweede stadsomwalling, die beide prestedelijke kernen omvat en een oppervlakte van ca. 176 ha beslaat. Waar voorheen de tweede stadsomwalling liep, loopt nu de R12. Het stadsdeel op de rechteroever ligt grotendeels op een hoogte tussen 7 m en 12 m TAW. Op de linkeroever bedraagt de hoogte ongeveer 5 m TAW, met uitschieters tot 6 à 8 m op de top van een zandrug die het tracé Scheerstraat-Grote Markt-Befferstraat-Veemarkt-Keizerstraat volgt (zie infra) en langs de R12 tussen de Sint-Katelijnestraat en de Bleekstraat. Beide stadsdelen, linker- en rechteroever, worden gekenmerkt door een verschillende geomorfologie. De hoge linkeroever maakt deel uit van het zandige interfluvium tussen Dijle en Zenne, terwijl de lager gelegen rechteroever gekenmerkt wordt door lemige alluviale rivierafzettingen van de Dijle. In dit alluviaal gebied komen evenwel ook zandige opduikingen voor. Op diverse locaties heeft zich in dit zand een podzolbodem gevormd. Naast de Dijle komen in de lager gelegen delen van de stadskern ook kleinere waterlopen voor, de zogenaamde vlietjes. Een aantal van deze vlietjes gaat terug op natuurlijke vertakkingen van de Dijle en wordt onder meer gekenmerkt door de aanwezigheid van veen, andere zijn duidelijk door de mens gegraven. Op het gewestplan staat de zone grotendeels ingekleurd als woongebied en woongebied met cultureel- historische en/of esthetische waarde , maar ook waterwegen, parkgebieden en milieubelastende industrieën komen voor.

Archeologische nota

De Dijle loopt vlak langs de steilrand die de linkerzijde van het brede rivierdal markeert, terwijl de rechteroever meer geleidelijk oploopt. Het is geen toeval dat net op deze plaats een nederzetting ontstond. Vanuit oostelijke richting dringt een zandrug diep het moerassige rivierdal binnen, waardoor beide oevers plaatselijk op korte afstand van elkaar liggen (Troubleyn e.a 2007, 13). Dit maakte de locatie tot een ideale oversteekplaats, wellicht de enige in de wijde omtrek. Vermoedelijk was de oversteekplaats aanvankelijk niet meer dan een voorde, een doorwaadbare plaats, eventueel met een, plaatselijk met stenen, verstevigde bedding en een eenvoudige houten brug voor voetgangers. Door de aanleg van dijken, vanaf de 12de eeuw, en de bouw van kades werd het water opgestuwd, waardoor de rivier niet langer doorwaadbaar was en dus werd de voorde vervangen door een brug. De huidige Grootbrug wordt voor het eerst vermeld in 1261. Het strategisch belang van deze flessenhals kan moeilijk overschat worden. In de vroege middeleeuwen vormde de Dijle wellicht de grens tussen de pagus Brabant en de pagus Rien of Rijen, respectievelijk op de linker- en de rechteroever. Er zijn aanwijzingen dat zich op beide oevers verdedigingswerken bevonden, al dan niet met een residentiële functie, bijvoorbeeld op de Kattenberg op de linkeroever en ter hoogte van de voormalige Commanderij van Pitsenburg en in de buurt van de voormalige Kerkhofpoort op de rechteroever (Kinnaer 2011, 23-24). Harde bewijzen en materiële resten ontbreken echter vooralsnog.

Wie de controle had over de oversteekplaats op de Dijle, had ook de controle over een belangrijk deel van de economische trafiek in de wijde omgeving van Mechelen, tussen de vruchtbare kouters ten zuidwesten van de stad en de armere zandgronden ten noordoosten. Bovendien was ter hoogte van de oversteekplaats op de linkeroever, dus aan Brabantse zijde, een portus gegroeid (Lettany 2003, 20 en 30). Wellicht ging men om die reden over tot het bouwen van een eerste, halfcirkelvormige omwalling op de linkeroever. Bij archeologisch onderzoek in 2001 op de site Lamot werden sporen van deze omwalling aangetroffen, bestaand uit een ca. 12 m brede droge gracht en een aarden wal. Delen van de houten beschoeiing van deze Oude Veste konden gedateerd worden in de periode na 1125, wellicht omstreeks 1200. Het tracé van deze oudste omwalling is tot op heden bewaard in het stratenpatroon. Net buiten de omwalling stond de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk, gewijd aan de patrones van de oudste Mechelse parochie.

Op de lager gelegen en bijgevolg nattere rechteroever zijn uit die periode vooralsnog geen sporen aangetroffen van een gelijkaardig verdedigingswerk, al denken sommigen wel een patroon te herkennen in het netwerk van vlietjes die tot het begin van de 20ste eeuw als open water door de stad liepen. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat een aantal van deze vlietjes teruggaat op natuurlijke vertakkingen van de Dijle, terwijl andere duidelijk kunstmatig zijn. Mogelijk bood de moerassige omgeving aanvankelijk voldoende bescherming aan de nederzetting op deze oever. Aangenomen wordt dat het nederzettingsareaal zich aan deze zijde van de Dijle aanvankelijk beperkte tot de hoger gelegen landtong, evenwel met uitzondering van sites als het eerder genoemde Pitsenburg die voor hun (veronderstelde) defensieve functie gebruik konden maken van de overvloedige aanwezigheid van water. De lager gelegen en dus nattere delen kwamen over het algemeen pas later in aanmerking voor bewoning (zie infra).

Terwijl zich op de linkeroever een handelsnederzetting had gevormd, groeide de kop van de landtong uit tot een religieus centrum. Volgens de Vita Rumoldi in de 8ste eeuw, maar op basis van de datering van de skeletresten in het reliekschrijn van Sint-Rombout waarschijnlijker al in de late 6de of 7de eeuw, kwam Rumoldus als missionaris van de Britse Eilanden naar het Mechelse (Van Strydonck e.a. 2006, 86-89). De lokale heer Ado zou hem uit dankbaarheid een stuk grond geschonken hebben om er een kerk te bouwen. Door de wonderen die Rumoldus had verricht en diens heiligverklaring werd Mechelen een belangrijk bedevaartsoord. Op basis van geschreven bronnen wordt verondersteld dat de verering van Sint-Rombout aanleiding gaf tot het ontstaan van een vroegmiddeleeuwse abdij en dat het kapittel dat in 1024-1025 voor het eerst vermeld wordt en in 1134 de parochierechten van Mechelen verwierf, de opvolger is van deze bij de invallen van de Noormannen verlaten site. Waar deze abdij zich precies bevond, is echter tot op de dag van vandaag onduidelijk. De oudste vermelding van zowel de abdij als van Mechelen zou dateren uit 870, wanneer in de Annales Bertiniani een abdij apud Maalinas opduikt (Rombaut 1997, 20-21).

De aantrekkingskracht van de relieken van Sint-Rombout zal zeker in de vroegste fase een belangrijke motor geweest zijn voor de ontwikkeling van de nederzetting op de rechteroever. Tot nog toe zijn slechts weinig archeologische sporen gekend die meer licht werpen op deze periode. Maar dat er bewoning was, bewijzen onder meer enkele losse vondsten ter hoogte van het Sint-Romboutskerkhof, destijds onderdeel van het kapitteldomein (Depuydt e.a. 2013, 86-87 en 95-96). Vanuit het kapitteldomein vertrok een waaiervormig netwerk van wegen. Een van de belangrijkste wegtracés liep over de eerder genoemde landtong richting Heist-op-den-Berg en verder naar het oosten, richting Luik. Op het einde van de vroege en tijdens de volle middeleeuwen waren het de Luikse prinsbisschoppen die in Mechelen de lakens uitdeelden.

In de late middeleeuwen, met de komst van de familie Berthout, ging de stad echter meer en meer een eigen koers varen. Vanaf het begin van de 13de eeuw droegen opeenvolgende generaties van Berthouts de titel van stadsheer van Mechelen. Dankzij hun diplomatieke optreden kende Mechelen een onwaarschijnlijke bloeiperiode, zowel economisch als bestuurlijk. Met de bouw van de tweede stadsomwalling in 1264-1268 werden beide oevers verenigd en werd er ruimte gecreëerd voor nieuwe bouwgronden en nijverheden, onder meer door de lager gelegen en bijgevolg nattere terreinen binnen de stadsomwalling op te hogen en de vlietjes te kanaliseren (landwinning)(Troubleyn e.a. 2007, 29). Ook een aantal religieuze orden, zoals de minderbroeders, hadden zich inmiddels in de stad gevestigd. In de tweede helft van de 13de en bij het begin de 14de eeuw werd de Mechelse binnenstad opgedeeld in verschillende parochiewijken. Houtbouw werd onder meer omwille van de brandveiligheid vervangen voor constructies in baksteen en terwijl de weinige statige gebouwen tot dan toe in Doornikse kalksteen waren opgetrokken, koos men vanaf nu vooral voor kalkzandsteen en baksteen. Gebouwen als de stadsgevangenis (het zogenaamde Steen) en het Schepenhuis, beide aan de Markt van Mechelen (nu de Grote Markt), stonden symbool voor deze pas verworven stedelijke vrijheid (Troubleyn e.a. 2007, 32-39). Diverse werven, markten en hallen, onder meer voor de verkoop van het Mechels kwaliteitslaken, waren op hun beurt de veruitwendiging van het economisch belang van de stad. Het overgrote deel van de beroepsbevolking was georganiseerd in ambachten. Een aantal van deze ambachten zijn vrij goed gekend uit de historische bronnen. Maar voor enkele minder bekende, zoals de pottenbakkers, teerlingmakers of hoornbewerkers, blijkt het bodemarchief de belangrijkste bron van informatie.

Op het einde van de 14de eeuw ging de titel van heer van Mechelen over op de hertogen van Bourgondië. Een kleine eeuw later besliste Karel de Stoute om in Mechelen een aantal bestuurlijke instellingen te vestigen, in het bijzonder het Parlement van Mechelen en de Algemene Rekenkamer, en werden ook de laatste banden met Luik doorgesneden. De komst van de Bourgondiërs luidde een nieuwe bloeiperiode in. Margareta van York, weduwe van Karel de Stoute, vestigde zich met haar hofhouding in Mechelen en had haar paleis in de huidige Keizerstraat. Aan de overzijde van de straat liet Margareta van Bourgondië, landvoogdes van de Nederlanden van 1507 tot aan haar dood in 1530, haar eigen paleis bouwen. Ook de latere keizer Karel V verbleef een tijd in Mechelen en kreeg er een deel van zijn opleiding. De bestuurlijke instellingen, zoals de Grote Raad, en de hofcultuur hadden een belangrijk aanzuigeffect. Kunstenaars en wetenschappers boden hun diensten aan. Straten en pleinen werden heraangelegd en de stad kreeg een grondige opknapbeurt. Als gevolg van de bouwwoede van hoogwaardigheidsbekleders, edelen en patriciërs werd Mechelen de stad van de paleizen. Ook tal van abdijen droegen hun steentje bij door de bouw van refugia, letterlijk vertaald vluchthuizen, doch duidelijk getuigend van de financiële status van deze kerkelijke instellingen. Niet alleen het bouwkundig patrimonium getuigt vandaag nog van deze welstand, ook bijvoorbeeld de inhoud van beerputten blijkt zeer informatief, bijvoorbeeld deze van het refugium van Hélécine op de site Het Spijker en deze van het Hof van Busleyden.

Met de verhuis van de bestuurlijke instellingen en de hofhouding naar Brussel in de eerste helft, de ontploffing van de Zandpoort omstreeks het midden en de godsdiensttroebelen in de tweede helft van de 16de eeuw keerde het tij voor Mechelen. Zowel de binnen als de buiten de stadsomwalling gelegen kloosters, met inbegrip van het begijnhof extra muros, raakten tijdens de beeldenstorm, de Spaanse furie en de Engelse furie zwaar beschadigd en hun bewoners sloegen op de vlucht. Tegen het einde van de eeuw keerden heel wat kloosterlingen terug, maar uit veiligheidsoverwegingen kozen ze er alle voor om zich binnen de stadsomwalling te vestigen. Zo werd de stad van paleizen in de 17de eeuw de stad van de kloosters. De stichting van het aartsbisdom Mechelen in 1559 en de komst van nieuwe congregaties zoals de jezuïeten als exponent van de Contrareformatie droegen daar natuurlijk toe bij. Daarenboven werd Mechelen een garnizoensstad.

Voor de kloosters bleek de veiligheid van de stad echter relatief toen keizer Jozef II aan het einde van de 18de eeuw een groot aantal religieuze orden afschafte. De keizer besliste tevens dat er niet langer begraven mocht worden op de kerkhoven in de binnenstad, waaronder het Sint-Romboutskerkhof dat op dat moment al minstens acht eeuwen in gebruik was, zo blijkt uit de resultaten van de archeologische opgraving die er in 2009-2011 plaatsvond (Depuydt e.a. 2013). Een tweede klap kwam er voor de kloosters met de Franse Revolutie en de verbeurdverklaring en verkoop van zowat alle kerkelijke goederen. Een aantal van de kloosters werd omgevormd tot kazerne, arsenaal of militair hospitaal.

De komst van de Fransen betekende ook het definitieve einde van de vesting Mechelen. In de loop der eeuwen had men de in oorsprong laatmiddeleeuwse stadsomwalling stelselmatig aangepast en uitgebouwd als antwoord op nieuwe belegeringstechnieken (Robberechts 2011, 230-231). In tegenstelling tot heel wat steden in de Oostenrijkse Nederlanden die op bevel van Jozef II waren begonnen met de systematische ontmanteling van hun verdedigingswerken, was men in Mechelen blijkbaar wegens een gebrek aan financiële middelen voor het onderhoud al eerder met de afbraak gestart. De door het slechten van de omwalling vrijgekomen gronden werden deels verhuurd of verkocht en deels ingericht als brede schaduwrijke boulevards. De stadsgracht werd verpacht als visplaats en pas omstreeks het midden van de 19de eeuw gedempt. Van de twaalf stadspoorten rest vandaag enkel nog de Brusselpoort, gebouwd omstreeks 1300.

In de 19de eeuw liet ook de industriële revolutie haar sporen na. In 1835 reed tussen Brussel en Mechelen de eerste trein op het Europese vasteland en de daaropvolgende jaren werd het Belgische spoorwegennet verder uitgebouwd met Mechelen als een van de belangrijkste knooppunten. Tussen de stadskern en het station ontstond een geheel nieuwe wijk. Met de komst van de trein draaide ook de industrie op volle toeren. De nood aan werkkrachten werd gelenigd door gezinnen die het platteland achter zich lieten om zich te vestigen in de stad. Ze namen hun intrek in vaak armzalige kleine woningen, soms het resultaat van een opsplitsing van grotere oude panden zoals werd vastgesteld in het Paardenstraatje. De explosieve bevolkingstoename zorgde echter voor heel wat uitdagingen.

Een aantal van deze problemen werd opgelost door de komst van enkele nieuwe congregaties die zich onder meer gingen toeleggen op het onderwijs. Het is het begin van Mechelen als de stad van de scholen, na stad van paleizen en stad van kloosters. Aan het einde van de 19de eeuw werd ook werk gemaakt van het verder droogleggen van de stad. Om hygiënische redenen werden zowat alle vlietjes gedempt en vervangen door riolering en bij het begin van de 20ste eeuw werd de Afleidingsdijle aangelegd die tot doel had het overtollige water om de stad te leiden opdat de binnenstad in de toekomst gespaard zou blijven van overstromingen. De strijd tegen het water blijkt overigens een rode draad doorheen de Mechelse geschiedenis en is in grote mate bepalend geweest voor de opbouw van het bodemarchief in de binnenstad. Opeenvolgende ophogingslagen, aangebracht bij het begin van zowat elke nieuwe bewoningsfase in een poging om de voeten droog te houden, vormen immers een buffer die de bewaring van de archeologische sporen positief heeft beïnvloed. Op sommige plaatsen bevindt de moederbodem zich op 3 m of meer onder het huidige straatniveau, met als gevolg dat onder de vloer van 19de-eeuwse kelders nog middeleeuwse sporen bewaard kunnen zijn, zoals bleek op de site Euroshopping/Het Clarenhof. Een ander voorbeeld zijn de intacte podzolbodems die vooral op de hogere delen van de stad worden aangetroffen. Op de site Stompaertshoek zijn in een dergelijke bodem de resten van kampplaatsen van mesolithische jagers-verzamelaars aangetroffen (Troubleyn & Kinnaer 2014, 134-138). Vondsten als deze tonen aan dat de dichtbebouwde stadskern een nog groter archeologisch potentieel heeft dan men wellicht initieel zou verwachten.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

Uit het voorgaande blijkt reeds de uitzonderlijke bewaringstoestand van het bodemarchief in de Mechelse binnenstad. Het huidige stratenpatroon komt nog grotendeels overeen met de toestand zoals die in de loop van de middeleeuwen quasi organisch gegroeid is. Pas bij het begin van de 21ste eeuw is men systematisch begonnen met het aanleggen van grote openbare ondergrondse parkeergarages in de binnenstad en het opleggen van een parkeernorm van anderhalve parkeerplaats per nieuwe wooneenheid (waardoor ook private ontwikkelaars zich in de dichtbebouwde stadskern verplicht zien om ondergrondse parkeergarages te bouwen). Tot op heden werd nagenoeg elk van deze grote ingrepen archeologisch opgevolgd.

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naar gelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een oude burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdende met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimtes tussen de bebouwde kern en strategische elementen zoals de rivieroever worden mee opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

DEPUYDT S., KINNAER F. & VAN DE VIJVER K. 2013: In de schaduw van de Sint-Romboutstoren. Resultaten van het archeologisch onderzoek van het Sint-Romboutskerkhof in Mechelen (basisrapportage), Mechelen.

KINNAER F. 2011: Deel 1: historisch onderzoek, in VANHOLME N. (red.), Archeologisch en historische onderzoek Mechelen – Arresthuis (prov. Antwerpen), Intern VIOE-rapport 09, Brussel, 9-28.

LETTANY L. (red.) 2003: Het ongeschreven Mechelen. Archeologisch onderzoek op de Grote Markt en de Veemarkt 2001-2003, Mechelen.

ROBBERECHTS B. 2011: Versterkte stad. Negen eeuwen verdedigingswerken in Mechelen, Post Factum, Jaarboek voor Geschiedenis en Volkskunde 3, 227-235.

ROMBAUT H. 1997: Mechelen: de vroegste ontwikkeling, in: INSTALLÉ H., ROMBAUT H. & CROENEN G. 1997: Mechelen. Historische Stedenatlas van België, Brussel, 11-22.

TROUBLEYN L., KINNAER F., ERVYNCK A. e.a. 2007: Het Steen en de burgers. Onderzoek van de laatmiddeleeuwse gevangenis van Mechelen, Mechelen.

TROUBLEYN L. & KINNAER F. 2014: Heide, wol en linnen. Mesolithische jagers-verzamelaars en 650 jaar textielnijverheid op de site Stompaertshoek te Mechelen (basisrapportage), Mechelen.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-Rapport 5, Brussel.

VAN STRYDONCK M., ERVYNCK A., VANDENBRUAENE M. & BOUDIN M. 2006: Relieken. Echt of Vals? Leuven.


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  Robberechts, Bart
Datum  : 2014


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Historische stadskern van Mechelen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140035 (Geraadpleegd op 22-10-2019)