Geografisch thema

Zwevegem

ID: 14677   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14677

Beschrijving

ZWEVEGEM

De centrumgemeente Zwevegem gelegen in zandlemig Vlaanderen, heeft 13351 inwoners en is 1559 ha groot (december 2004). De gemeente wordt gekenmerkt door een licht heuvelend landschap met hoogteverschillen tussen de 17 en 62 m dat doorsneden wordt door verschillende waterlopen: Keibeek, Kasteelbeek, Lettenhofbeek, Otterbeek en Slijpbeek. Aangrenzende gemeenten zijn Kortrijk, Deerlijk en Harelbeke in noorden en het westen, in het oosten Heestert en Moen en in het zuiden Sint-Denijs. Het historische gehucht Knokke (zie Ferrariskaart, 1770-1778) vormt een aparte wijk en parochie binnen Zwevegem. Daarnaast ook de gehuchten, Kappaard en Kreupel, die in de 20ste eeuw zijn uitgegroeid tot zelfstandige parochies. Daarnaast ook enkele landelijke gehuchten zoals Drielinden, Laatste Oordje en Katteknok gekenmerkt door meer geconcentreerde hoevebouw.

Woon- en industriegemeente met in het oosten en zuiden een beperkte landbouwactiviteit. Het noordwestelijke gedeelte van de gemeente is sterk verstedelijkt en sluit morfologisch aan bij Kortrijk. Industriecentrum, onder meer textiel- en metaalnijverheid, aanleunend bij de belangrijke industriële Leievallei (Kortrijk-Harelbeke). De gemeente wordt doorsneden door de rijksweg N8 Kortrijk-Oudenaarde en het voormalige spoorwegtracé van de lijn nummer 83, Kortrijk-Avelgem-Ronse, geopend in 1869 en gesloten in 1960. Het gedeelte tussen Zwevegem-centrum en de wijk Knokke is sinds 1974 ingericht als wandel- en fietspad; het gedeelte tussen de Kwatanenstraat en de Stationstraat is sinds 1980 in beheer genomen als natuurgebied. In het oosten van de gemeente vormt het kanaal Bossuit-Kortrijk (1858-1860), dat een belangrijke rol heeft gespeeld in de economische ontwikkeling van Zwevegem, een visueel lineaire as in het landschap.

Doordat Zwevegem tussen de Schelde en de Leie ligt en een vruchtbare bodem heeft, kent het gebied een vroege menselijke aanwezigheid. Vondsten uit het Mesolithicum (circa 8000 voor Chr.) bestaande uit onder meer silexstenen bevestigen dit. Tijdens de Romeinse periode maakt Zwevegem deel uit van het Civitas Menaporium met als hoofdplaats Kassel (Duitsland). In 1783 wordt een Romeinse muntschat gevonden (exacte locatie is niet bekend) uit het einde van de 2de eeuw of van de 3de eeuw na Christus. In 1972 vindt P. Despriet Gallo-Romeinse brandrestengraven op de heuvel gelegen tussen de Vandevenne-, Hinne- en Harelbeekstraat, die wijzen op een Gallo-Romeinse nederzetting.

Oudste vermelding in 1063 als "Sueuegehem" wanneer de Franse koning Filips I , op verzoek van graaf Boudewijn V van Vlaanderen, de stichting door diens vrouw Adela van het Harelbeekse Sint-Salvatorkapittel bekrachtigt en hij het bezit van een aantal door dezelfde gravin geschonken goederen, onder meer de kapel van Zwevegem - "capella Sueuegehem", bevestigt. De etymologische betekenis zou neerkomen op: woning van de lieden van Swibo. Huidige schrijfwijze van ca. 1903.

Tijdens het ancien régime behoort Zwevegem administratief tot de Kasselrij van Kortrijk die onderverdeeld was in vijf roeden. De gemeente behoort tot de roede van Harelbeke. Op het grondgebied van de parochie waren een 40-tal heerlijkheden verspreid, gehouden van minstens vijf verschillende leenhoven. De twee belangrijkste heerlijkheden zijn Ter Kerken, vaak ook Zwevegem-Dendermonds genoemd, en het Hof en Kasteel van Zwevegem of Ten Kastele. De eerstgenoemde heerlijkheid hangt af van het kasteel en leenhof van Ingelmunster, dat op zijn beurt afhankelijk was van het leenhof van Dendermonde. Ten Kastele ressorteert onder het grafelijk kasteel van Kortrijk.

Het is niet duidelijk welke van de twee de dorpsheerlijkheid is, gelet op de verschillende processen die errond gevoerd werden. Beide heerlijkheden zijn bovendien lange tijd in het bezit van dezelfde heer. Circa 1270 komt de heerlijkheid Ter Kerken (Zwevegem-Dendermonds) in handen van de heren van Steenhuize, verwanten van de heren van Avelgem. In 1414 verkoopt Geraard van Steenhuize Ter Kerken aan Jan van Halewijn, heer van Westrozebeke. In 1437 koopt Rogier, zoon van Jan van Halewijn, de heerlijkheid Ten Kastele (Hof en Kasteel van Zwevegem) waardoor de twee belangrijkste heerlijkheden op het grondgebied van Zwevegem verenigd worden. In 1498 wordt Ter Kerken na allerlei verwikkelingen, samen met de heerlijkheden Cansberghe en Cossardie, eigendom van Philippe de Berghes. In 1606 komt Florent de Griboval, na de kinderloze dood van zijn oom Ferdinand van Halewijn, in het bezit van de heerlijkheid Ten Kastele en in 1639 komen ook de heerlijkheden Ter Kerken, Cansberghe en Cossardie, met de molen te Wulfsberghe door verkoop van de familie de Berghes in zijn handen.

In 1665 worden de landerijen en de heerlijkheid van Zwevegem door Karel, koning van Castilië, tot graafschap verheven. (Blijkbaar werden beide heerlijkheden toen als één beschouwd). In 1686 komen door vererving beide heerlijkheden in handen van Louis-Joseph de Harchies de Ville d' Estrepy. Na een kortstondige opsplitsing komen Ter Kerken en Ten Kastele in 1717 opnieuw samen onder de familie van Nassau, de laatste feodale heren van Zwevegem. Zij breken in 1752 het kasteel, dat niet meer gebruikt wordt, af. De twee neerhoven met hoevegebouwen en het imposante poortgebouw blijven bestaan (Avelgemstraat nr.180 en nr.182).

Op kerkelijk vlak behoort de parochie tot het bisdom Doornik (tot 1801), vervolgens ressorteert ze onder Gent en vanaf 1834 onder Brugge. Het patronaat van de kerk is vanaf 1063 in handen van het Sint-Salvatorkapittel van Harelbeke, dat ook de grootste tiendheffer is.
Tijdens de 12de eeuw bestaat er reeds een Romaanse kerk, waarvan enkel de onderbouw van de toren bewaard bleef. Waarschijnlijk ging het om een driebeukige kerk met recht afgesloten koor.
In het midden van de 16de eeuw wordt de Romaanse kerk grotendeels vervangen door een gotische hallekerk. Enkele de toren bleef, op de bovenste verdieping na, behouden. In 1683 wordt het kerkhof met een houten palissade omringd.

Bij de godsdiensttroebelen op het einde van de 16de eeuw blijft de gemeente niet gespaard. Het aantal Kortrijkse buitenpoorters loopt in 10 jaar tijd terug van 366 (1575) tot 123 (1585). Slechts 17% van de landbouwoppervlakte is bezaaid. Ook door de onmiddellijke nabijheid van de strategisch belangrijke forten van Avelgem en Outrijve wordt de ganse streek regelmatig geplunderd waarbij o.m. in 1578 het kasteel van Zwevegem wordt verwoest. Tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) wordt Zwevegem opnieuw getroffen door oorlogsgeweld, in 1690 verplaatst het Franse leger zich van Spiere naar Harelbeke via Zwevegem en Moen en wordt de gemeente zwaar geplunderd. In 1691 trekken de troepen opnieuw voorbij en wordt in het kasteel een Frans garnizoen ondergebracht. In 1694 wordt het kasteel grondig geplunderd en sterven een groot aantal inwoners aan de pest. In 1695 wordt door de Fransen een nieuwe verdedigingslinie aangelegd dwars door de parochie, als onderdeel van een ruimere, defensieve linie gericht tegen de invallen en invasies vanuit de Spaanse Nederlanden: het zogenaamd "Pré Carré-verdedigingssysteem".

In de 18de eeuw kent Zwevegem tijdens het Oostenrijkse bewind (1713-1792/94) een periode van herstel en relatieve welvaart. Dit uit zich onder meer in een verhoogde bouwactiviteit. In 1776 wordt de kerk met drie traveeën vergroot en wordt het oude oostkoor vervangen door een westkoor onder leiding van bouwmeester Josse Steyt. Rond 1747 wordt een nieuwe pastorie opgetrokken (Deerlijkstraat 123). Ook worden verscheidene hoeves herbouwd of verbouwd. Daarnaast wordt het wegennet verbeterd en wordt vanaf 1765 de steenweg tussen Kortrijk en Oudenaarde via Zwevegem aangelegd.

De eerste periode van de Belgische onafhankelijkheid wordt gekenmerkt door een zware plattelandscrisis (circa 1835-1850). De misoogst van aardappelen in 1845 en de daaropvolgende hongersnood en epidemieën en de moeizame economische reconversie zorgen ervoor dat de bevolking traag toeneemt. Als reactie hierop worden, zoals in verschillende andere gemeentes en steden in Vlaanderen, weef- en kantscholen opgericht.

De eerste vermeldingen van onderwijs in Zwevegem dateren uit het begin van de 18de eeuw, wanneer enkele kluizenaars onderwijs verschaffen in de gemeente. In 1775 is er reeds sprake van een gemeente-onderwijzer. In 1818 is er ook een armenschool in de gemeente. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw is er sprake van een georganiseerde vorm van onderwijs. Naar aanleiding van de crisis van 1845 neemt de gemeente enkele intitiatieven op vlak van onderwijs. Zo wordt in de Ommegangstraat en weversschool opgericht en in 1847 wordt in de Avelgemstraat een borduurschool opgericht. In 1855 schenkt Angela Vandevenne een stuk grond achter de kerk voor de oprichting de eerste gemeentelijke basisschool. Aan het huidig T. Toyeplein wordt vervolgens een onderwijzerswoning met twee aanpalende klassenvleugels opgericht.

Door de toenemende bevolking in de tweede helft van de 19de eeuw worden verschillende kloostergemeenschappen met een onderwijzende en verzorgende functie opgericht.

In 1866 wordt in de Deerlijkstraat een meisjesschool gesticht, geleid door de zusters verbonden aan het Sint-Niklaasklooster te Kortrijk. In 1874 wordt het "Sint-Amandshospitaal" voor bejaarden en gebrekkigen opgericht. Ook wordt in 1875 de te klein geworden parochiekerk naar ontwerp van Jean-Baptiste (de) Béthune en Van Assche vergroot door o.m. de bouw van een nieuwe sacristie en de verlenging van de zuidoostzijde van de kerk.

In 1847 wordt de 15de-eeuwse Milanenkapel afgebroken en vervangen door een neogotische kapel gebouwd in opdracht van Baron Félix de Béthune en naar ontwerp van Jean Baptist (de) Béthune. De kapel is het eerste ontwerp van de architect, die beschouwd wordt als de belangrijkste protagonist van de neogotische stijl in België en mede-oprichter van de Sint-Lucasscholen.

Zwevegem had in de loop der tijd een groot aantal molens op haar grondgebied, waarvan de meeste verdwenen zijn in de eerste helft van de 20ste eeuw: Molen te Wulfsberghe (Wulfsbergstraat 14), afgebroken in 1929; oliewindmolen op de Wulfsberg (Wulfsbergstraat 23A), vernield in 1940 door de Duitse bezetter; Losschaertmolen of Devroe's molen (Kortrijkstraat 113), gesloopt in 1914; tweede molen in de Kortrijkstraat (tegenover de Hinnestraat), gesloopt in 1862; molen te Sweveghem of Oude Molen (Oude Molenstraat 5), gesloopt in 1875; molen Degryse (Harelbekestraat, naast nummer 147); Raapbreekmolen in Knokke (Avelgemstraat 184-186); Knockmolen (Avelgemstraat, naast nr. 143-145), gesloopt in 1845. De Slypemolen een van de weinige West-Vlaamse watermolens en enig in Zwevegem (te bereiken vanuit de Stedestraat) werd uitgebroken in 1928, enkel de ruïnes bleven bewaard. Twee molens bleven behouden: Mortiers Molen (Tweemolenstraat), voor het eerst afgebeeld op de Ferrariskaart (1770-1778), gerestaureerd in 1994 en in 2000-2001 en de Stenen Molen of Klockenmolen (Avelgemstraat 60), gebouwd in 1798 en gerestaureerd in 1992-1994.

In het begin van de 19de eeuw is er onder impuls van Napoleon, die het continent onafhankelijk wilde maken van de aanvoer van koloniale rietsuiker, een toename van de suikerbietenteelt. De productie kent haar hoogtepunt na 1830-1840. In 1871 wordt een suikerfabriek, de eerste industriële vesting in Zwevegem, opgericht. Deze ging echter na enkele jaren in faling. De gebouwen worden aangekocht door Jan Raes, fabrikant van katoenweefsels te Kortrijk, die er de weverij La Flandre (Otegemstraat nummer 240) oprichtte in 1884. Vóór 1910 was La Flandre de grootste fabriek in de gemeente.

Toch dringt de eerste industriële revolutie in Zwevegem, zoals in de rest van het arrondissement, zeer langzaam door. De omgeving van Kortrijk is een landbouwstreek zonder belangrijke industrie. De streek wordt getekend door latente werkloosheid en overbevolking die in stand wordt gehouden door het grote aantal geboorten. De bevolking vindt haar bestaansmiddelen voornamelijk in de landbouw. Het inkomen wordt aangevuld met thuisweven.

Zwevegem kende zoals vele gemeentes in Vlaanderen een aanwezigheid van lokale kleinschalige industrieën zoals brouwerijen en stokerijen. Rond 1900 telt Zwevegem vier brouwerijen met name brouwerij Demeestere, brouwerij De Paepe, brouwerij Mostaert en brouwerij Sobry.

In de tweede helft van de 19de eeuw wordt de economische ontsluiting van de gemeente gestimuleerd door nieuwe infrastructuurwerken zoals het uitbreiden van het wegennet, het graven van het kanaal Bossuit-Kortrijk (1861) en de aanleg van de spoorweglijn Kortrijk-Avelgem-Ronse (1869) die de verbinding met het Waals kolenbekken gevoelig verbetert en vesnelt.

In het laatste kwart van de 19de eeuw worden in Zwevegem de eerste fabrieken opgericht. In 1880 sticht Leon Bekaert een staaldraadtrekkerij zogenaamd "Tréfilerie Leon Bekaert" die zich aanvankelijk ook organiseert door thuisarbeid. In 1881 krijgt Leon Bekaert een patent om cirkelvormige prikkels of kroontjes tussen metaaldraad te draaien. De kroontjes worden oorspronkelijk vervaardigd in de Zwevegemse gezinnen. Het draaien geschiedt in de bedrijfsgebouwen opgericht in 1886. De verbetering van het procédé om prikkeldraad te vervaardigen ligt aan de basis van het Bekaert-imperium dat in de 20ste eeuw uitgroeit tot een bedrijf met vestigingen over de ganse wereld. In 1914 produceert Bekaert 200 ton draad per week en in 1939 reeds 250 ton per dag. Op 19 april 1924 worden de Usines Saint-Antoine Léon Bekaert omgevormd tot een naamloze vennootschap. De eerste mechanische weverijen in de gemeente worden opgericht in het laatste kwart van de 19de eeuw: Leperre (1875), Glorieux (1890), "Tissage Knokke" en "La Flandre" (1884). Vanaf 1900 zet de industrialisering zich volledig door en worden tal van weverijen opgericht en ontwikkelt de gemeente zich tot een belangrijk textiel- en metaalverwerkend centrum in Zuid-West-Vlaanderen. In 1910 wordt door Geldens een steenbakkerij opgericht in de wijk Knokke (Briqueteries Modernes), die na de Eerste Wereldoorlog wordt omgevormd tot dakpannenfabriek. De landbouw kent een bestendige achteruitgang.

In 1910 wordt door Geldens een steenbakkerij opgericht in de wijk Knokke (Briquetteries Modernes), die na de Eerste Wereldoorlog wordt omgevormd tot dakpannenfabriek.

De steeds toenemende economische ontwikkeling van de streek en de daaraan gekoppelde nood aan energie leidde in 1912-1913 tot de bouw van een elektriciteitscentrale (Paul Ferrardstraat) langs het kanaal Bossuit-Kortrijk door de Société d'Electricité de l'Ouest de la Belgique. De oprichting van de centrale zorgt op haar beurt ook voor een enorme bloei van de lokale economie. De geschiedenis van de centrale van Zwevegem is nauw verbonden met de evolutie van de economie in de streek.

Na de Eerste Wereldoorlog groeit Zwevegem verder uit tot een nijverheidsgemeente. De metaalverwerkende nijverheid en de textielindustrie blijven gestadig toenemen. In 1913 wordt de eerste mechanische steenbakkerij van de gemeente door Valère Demeestere, die in 1911 gestart was met het bakken van stenen in veldovens aan de Oude Lettenhofstraat, opgericht aan de Avelgemstraat (gehucht Knokke). De fabriek ontpopt zich na de Eerste Wereldoorlog tot één van de belangrijkste van de streek (gesloten in 1980). In de jaren 1920-1930 worden een groot aantal weverijen opgericht. De nijverheidstelling van 1937 vermeldt onder meer een draadtrekkerij, 15 katoenweverijen en één wolweverij. In 1935-1936 worden de voormalige gebouwen van de "Tissage de Knokke" onder leiding van architect Reyntjens, omgevormd tot een klooster met kapel (in de vroegere ast) en school voor de zusters van Sint-Niklaas, die reeds de meisjesschool in het centrum beheerden.

In 1937-1938 wordt de laat-gotische parochiekerk afgebroken en vervangen door een nieuwe kerk naar ontwerp van Alfred Boosten (Nederland) en Jan Reyntjens (Zwevegem). Enkel de oude toren en een deel van het meubilair blijft behouden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden de kantoren en werkhuizen van de firma Bekaert deels vernield. De kantoren worden na de oorlog heropgebouwd in neo-traditionele stijl. Ook het klooster in de wijk Knokke wordt beschadigd bij de aanvang van de oorlog in 1940. In 1942 wordt bij een luchtaanval de elektriciteitscentrale beschadigd, maar wordt weer snel in werking gebracht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden de bruggen over het kanaal vernietigd.

Ook na de Tweede Wereldoorlog kent de nijverheid in Zwevegem een verdere opgang. Zo zijn er onder meer 10 metaalverwerkende bedrijven en 20 textielbedrijven actief. Opvallende is de grote lokale tewerkstelling.

Zwevegem kent in de na-oorlogse periode een enorm aantal groeikernen: Kouterblok (1950-1954); Lindewijk (1953-1954); Ellestraat in Knokke (1954-1958); Deerlijkstraat (vanaf 1950), zone tussen Kortrijkstraat en Luipaardstraat (vanaf 1950); Europawijk (vanaf 1960), zone van de Ruitersdreef en de Van Halewijnstraat, (vanaf 1960 tot heden); Te Winckele (vanaf 1965); zone van de Bellegemstraat en Kapel Milanen (vanaf 1965); Ter Kercken (vanaf 1970 tot heden); Slypepark (vanaf 1975); zone tussen Oude Bellegemstraat en Oude-Molenstraat (vanaf 1975); zone tussen Hinnestraat en Kleine Kortrijkstraat (vanaf 1990). Nieuwe verkavelingen situeren zich ter hoogte van de Oude Bellegemstraat (Elzenstraat) en de Winkelstraat (Lijsterstraat, Nachtegaalstraat).

Door de steeds toenemende bevolking worden ook verschillende (deel)parochies opgericht. In 1938 wordt het historische gehucht Knokke een zefstandige parochie en in 1953-1955 wordt de parochiekerk Sint-Maria-Bernardakerk naar plannen van 1945 en 1949, van architect Reyntjens (Zwevegem), gebouwd. In 1961 gevolgd door de bouw van de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Vrede naar ontwerp van de Zwevegemse architect Frits Matton, in het gehucht De Kreupel onder het mecenaat van A. Bekaert en L. Bekaert-Velge. In 1965 wordt naar plannen van voornoemd architect de parochiekerk Sint-Jozef Werkman, ter vervanging van een houten noodkerk opgetrokken. In 1967 wordt de Sint-Pauluskerk in de Europawijk naar ontwerp van architect Paul Tuts opgetrokken.

De huidige vrij uitgebreide dorpskern is gesitueerd rond het Theophiel Toyeplein met de parochiekerk en de vier belangrijkste uitvalswegen: Otegem-, Kortrijk-, Harelbeke- en Avelgemstraat. In oorsprong kerndorp zie Ferrariskaart (1770-1778) met duidelijk herkenbaar laat-middeleeuws stratenpatroon. De kaart uit het landboek van Zwevegem (circa 1790) toont geconcentreerde bebouwing in de dorpskern voornamelijk bestaande uit breedhuizen met rechthoekige plattegrond. De Atlas der Buurtwegen (circa 1846) toont slechts een beperkte uitbreiding van de laat-middeleeuwse dorpskern. Ten gevolge van de toenemende bevolking op het eind van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw, worden de hoofdstraten geleidelijk maar systematisch bebouwd zie M.C.I.-kaart (1862, herziening in 1883 en 1910). De Otegemstraat en het eerste deel van de Kortrijkstraat worden gekenmerkt door rijbebouwing. Ook de Harelbekestraat wordt meer en meer bebouwd.

De huidige gevelwanden in de dorpskern dateren voornamelijk uit het eind van de 19de eeuw en de eerste helft 20ste eeuw. Daarnaast vindt men in de dorpskern tal van nieuwbouw die het oorspronkelijke karakter van de gemeente verstoren. Toch bleven enkele voorbeelden van 18de- eeuwse dorpsarchitectuur bewaard zoals in de Kortijkstraat nummer 2 en de Kasteelstraat nummer 4. De 19de-eeuwse bebouwing bestaat voornamelijk uit burger- en arbeiderswoningen met eenvoudige bakstenen lijstgevels, vaak verfraaid door (tand)friezen of sierbaksteen. In mindere mate ook voorbeelden van bepleisterde en beschilderde gevels. Van circa 1900 ook enkele burgerwoningen met neo-Vlaamse-renaissance en neogotische kenmerken. Vele van deze woningen hebben een typische poorttravee. Ook enkele "kasteeltjes" van notabelen en lokale industriëlen onder meer Leon Bekaert (Otegemstraat nummer 83), Eduard Van Leynseele (Otegemstraat nummer 100) en notaris Van de Venne (Kortrijkstraat nummer 4). Tijdens het interbellum worden nieuwe straten aangelegd en worden de belangrijkste uitvalswegen verder bebouwd. De nieuwe woningen sluiten qua stijl enerzijds aan bij de eenvoudige vooroorlogse baksteenarchitectuur en anderzijds bij de geometrische art-deco. Na de Tweede Wereldoorlog tal van nieuwe woonuitbreidingen verspreid over het grondgebied onder meer Europawijk (1960) in het zuidoosten.

Buiten de dorpskom, voornamelijk in het zuidelijk en oostelijk deel van de gemeente, verspreide hoevebouw en kleinschalige landelijke architectuur meestal geconcentreerd rond de verschillende gehuchten. De hoeves sluiten typologisch aan bij het type met lossstaande bestanddelen en hebben vaak een eind 19de-eeuws uitzicht. Toch gaan veel hoeves in kern terug tot de 18de eeuw en worden weergegeven op historische kaarten zoals het landboek van Zwevegem (circa 1790) en de Ferrariskaart (1770-1778). De belangrijkste voorbeelden zijn de "Kasteelhoeve" en het "Neerhof van het kasteel" (Avelgemstraat nr. 180-182) die deel uitmaken van de historische site van het kasteel van Zwevegem. Andere belangrijke historische sites zijn de hoeve "Ter Burcht" (Beekstraat nummer 36) en de hoeve gelegen Sint-Denijsstraat nummer 26 met nog herkenbaar opper- en neerhof en het "Goed te Lettenhove" (Lettenhofstraat nummer 5). De hoeves gelegen nabij de dorpskern zijn grotendeels in de 20ste eeuw verdwenen waaronder onder meer de historisch belangrijke hoeve Disevelt die vervangen werd door een nieuwbouwijk. Veel niet meer uitgebate hoeves werden aangepast aan hun bestemming als louter woning. In het noordoosten, op de grens met Harelbeke/Kortrijk neemt de bedrijfssite van de groep Bekaerteen grote oppervlakte in.

  • RIJKSARCHIEF KORTRIJK, Gemeentearchief Zwevegem, nr. 626, Landboek van Zwevegem, ca. 1790, opgemaakt door E. Vandevenne.
  • BATAILLE J., Groot-Zwevegem in oude foto's, deel 2: Van Sweveghem naar Zwevegem, Eeklo, 1995.
  • BATAILLE J., DEMEULENAERE H., VROMAN S., DELOOF J., Onze molens nu en toen. Heestert, Moen, Otegem, Sint-Denijs en Zwevegem, Kortrijk, 1994.
  • BOURGEOIS C., BATAILLE J., Groot-Zwevegem in oude foto's, Eeklo, 1993.
  • DELOOF J., Zwevegem in het jaar 2000, Tielt, 2000.
  • DESCHIETER J., Het Zwevegemse verleden in "mollenperspectief", in Zanen en Zanten, II, 1999, p. 5-12.
  • DESPRIET Ph., De Sint-Amanduskerk in Zwevegem, in De Zuid-West-Vlaamse parochiekerken, Kortrijk, 1983, p. 447-463.
  • HASQUIN H., Gemeenten van België. Geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek, deel 2, Brussel, 1980, p. 1308-1310.
  • LASUY G., De Demografische crisis te Zwevegem op het einde van de 17de eeuw. Een micro-demografisch onderzoek, in Geschied- en Heemkundige Kring Frans van Halewijn Zwevegem, 1ste jg., 1987.
  • MANDERICK M., Historisch overzicht van de Gemeentescholen van Groot-Zwevegem, Zwevegem, 1987.
  • OVAERE A., Sprokkelingen uit Zwevegem's verleden, 3 delen, Kortrijk, s.d.
  • Over brouwerijen en brouwers te Zwevegem, in Curiosa, 34, 1996, p. 18-22.
  • VAN HOUTTE J.A., MADDENS N., Bekaert 100. Economische ontwikkeling in Zuid-West-Vlaanderen, Tielt, 1980.
  • VANNIEUWENHUYSE J. (red), Goed garen gesponnen? Industrialisatie in de provincie West-Vlaanderen, 1800-1940, Brugge, 1998.

Bron     : De Gunsch A. & De Leeuw S. met medewerking van Callens T. 2006: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Zwevegem, Deelgemeenten Zwevegem, Heestert, Moen, Otegem en Sint-Denijs, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL26, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs :  De Gunsch, Ann, De Leeuw, Sofie
Datum  : 2006


Relaties