Geografisch thema

Izegem

ID: 14453   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14453

Beschrijving

Izegem Stad van 19.500 inwoners en 1.480 hectare, gelegen in het zuidoosten van West-Vlaanderen, in het centrum van de Mandelvallei; maakt deel uit van de industriële Mandelas aan het kanaal Roeselare-Leie.

Vrij vlak landschap met overwegend lemig zand-, zandleem- en kleibodems. Het grondgebied wordt doorsneden door verschillende waterlopen waarvan de Mandel, gelegen in het noorden, de belangrijkste is; ingekokerd in 1979. De rivier speelt een belangrijke rol in de economische ontwikkeling van Izegem tijdens de middeleeuwen. Andere waterlopen zijn onder meer de Pastoriebeek, waaraan de blekerijen vroeger gevestigd waren, de Lokbeek die de oostgrens vormt met Ingelmunster en daar in de Mandel stroomt, en de Kasteelbeek.

De Mandel vormt in het noorden de grens met Emelgem en Kachtem; in het zuiden grenst Izegem aan de gemeenten Ledegem en Lendelede. In het westen vormt de autosnelweg A 17 de grens met Roeselare.

Bestuurlijk behoort Izegem tot het arrondissement Roeselare-Tielt en gerechtelijk tot het arrondissement Kortrijk. Hoofdplaats van het gelijknamige kanton.

Izegem heeft een regionaal verzorgende functie: vredegerecht, rijkswacht, onderwijs, brandweer, ziekenhuizen, rusthuizen; het nationaal borstelmuseum en het nationaal schoeiselmuseum.

Nieuwe industrieterreinen, het zogenaamde "Mandeldal", waarvan de vroegste bebouwing dateert van 1969, ten noorden van het kanaal geconcentreerd rond de Noordkaai en de Kachtemsestraat (Kachtem-Emelgem); westelijke uitbreiding in 1986. Een ambachtelijke zone, zogenaamd "Abeele" is sinds 1970 gesitueerd nabij de Rijksweg N 36 en de autosnelweg A 17.

Het zuidelijk deel van Izegem heeft zijn landelijk karakter behouden met onder meer woonconcentraties rond het kerkgehucht Bosmolens. Landbouw met gemiddelde bedrijfsgrootte van 8, 52 hectare, nu met accent op de groente- en fruitteelt.

Neolitische vondsten (4.400 voor Christus - 1800 voor Christus) wijzen op een zeer vroege menselijke aanwezigheid in de Mandelvallei en meer bepaald te Izegem met onder meer in 1888-1889 een belangrijke ontdekking van een prehistorische site op de rechter oever van de Mandel; honderdtal van fragmenten van bewerkte silexstenen.

Circa 650: volgens de overlevering christianisatie van Izegem en omstreken door Sint-Tillo. Bouw van eerste houten kerkje. 1112: het patronaatsrecht van de kerk van Izegem wordt door de bisschop van Doornik toegewezen aan het Sint-Maartensklooster van Doornik.

Kerkelijk behoort Izegem achtereenvolgens tot het bisdom Doornik, Gent (1794) en Brugge (1834). Sedert 1953 is Izegem de hoofdplaats van een eigen dekenij bestaande uit Izegem, Ingelmunster, Lendeleede, Sint-Eloois-Winkel en Rollegem-Kapelle. Tot 1907 vallen de grenzen van de parochie samen met die van de stad. In 1907 wordt de Heilig Hartparochie gesticht, later gevolgd door de Heilige Familieparochie (1941) en de Sint-Rafaëlsparochie (1963).

1066: Oudste vermelding als "Isinchehem" in een oorkonde waarin graaf Boudewijn V aan het Sint-Pieterskapittel van Rijsel zes bunders en zes hoeven schenkt. De etymologische betekenis zou neerkomen op: woning van de lieden van Iso. Huidige schrijfwijze vanaf circa 1903.

Tijdens het ancien régime is het huidige grondgebied verdeeld in verscheidene heerlijkheden die ressorteren onder het leenhof van Kortrijk of onder de zaal van Ieper. Het Hof van Izegem, de belangrijkste en grootste heerlijkheid strekt zich uit over dertien parochies en heeft eenenzestig achterlenen, waarvan er vijftien te Izegem gevestigd zijn. Het foncier is gelegen in het centrum van Izegem (tussen de Mandel, de Pastoriebeek, de Gentsestraat en de Kruisstraat), zie A. Sanderus (1641) zogenaamd "'t Oud Casteel" en in het landbouck van François Bal als "De Vrye Brouwerye" (ook gekend als Baersthof), ter hoogte van het voormalige goederenstation.

Een tweede belangrijke heerlijkheid is deze van Wallemote, gelegen in het zuiden van Izegem, die vanaf 1399 door verkoop in handen komt van de heren van Izegem.

De centrale hoeve lag in de huidige Wallemotestraat.

Belangrijk is tevens de heerlijkheid van Schiervelde, met de pachthoeve zogenaamd "Blauwhuis", dat in 1692 verbouwd wordt tot een buitenplaats en later uitgroeit tot het huidige "kasteel Blauwhuis".

Andere belangrijke heerlijkheden zijn: de Hazelt die een groot deel van het huidige Emelgem en het noordwesten van Izegem omvat, en in het bezit is van de heren van Stavele. Mosscherambacht ligt in het zuidwesten van Izegem en beschikt over een hogere justitie.

Vermeldenswaardig zijn het leengoed Steuren Ambacht en het schoutetendom De Hazelt, die rechtstreeks afhangen van de graaf van Vlaanderen.

14de tot 15de eeuw: onder het bewind van Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, verbreding van de Mandel en verhoging van de bruggen in Izegem en Ingelmunster.

De Mandel speelt een belangrijk rol in de economische ontsluiting van Izegem, dat een belangrijk centrum van de lijnwaadnijverheid wordt. Eind 14de eeuw oprichting van een bloeiende lijnwaadmarkt en bijhorende hal. 1452: verwoesting van de hal door de Gentenaren in het raam van een politiek-economisch conflict tussen de stad Gent en Filips de Goede, hertog van Bourgondië; de hal wordt snel heropgebouwd.1488: uitbreiding van de kerk.

16de eeuw: Izegem is uitgegroeid tot een dominerend handelscentrum binnen de Mandelvallei. Op 17 november 1525 wordt een octrooi voor een wekelijkse lijnwaadmarkt, verleend aan de heren van Izegem. 1531: verscheidene pogingen van de stad Kortrijk om de Izegemse markt te boycotten. Ook Roeselare wil door middel van dwangmaatregelen een handelsmonopolie voor vlasgaren en linnen vestigen.

1545-1546: voornaamste bevoorradingscentrum voor de Gentse linnentransitohandel naar de Antwerpse wereldhaven. 1553: aanvoer van Izegems linnen in Brugge om verscheept te worden naar Spanje en in mindere mate ook naar Engeland. De Izegemse el geldt als de geijkte West-Vlaamse el voor het lijnwaad. Bekend zijn de zogenaamde "Yseghemsche blaeukens" of "bocraen" zijnde blauw geverfd linnen. Er zijn vier blekerijen gekend in Izegem die onder meer gevestigd zijn aan de Pastoriebeek.

Tweede helft van de 16de eeuw: de Izegemse linnenmarkt gaat langzaam teloor ten gevolge van de fiscale hervormingen van de hertog van Alva, bovendien begint de Mandel, van vitaal belang voor de handel, langzaam te verzanden. 1571-1572: een gezamenlijk project van Izegem en Roeselare om een kanaal te graven wordt verijdeld door Kortrijk, Ieper, Deinze en Gent. 1577: bouw van een nieuwe linnenhal. De beeldenstorm (1566), gevolgd door de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) zorgt voor de verdere teloorgang van de Izegemse economie. Talrijke ambachtslieden -voornamelijk wevers- verlaten Izegem om zich onder meer te vestigen te Brugge en Kortrijk.

1582: de heerlijkheid Izegem wordt door de Spaanse koning Filips II tot graafschap verheven. 1589: plunderende benden vernielen de hal met omliggende woningen en het grauwzustersklooster; de hal zal niet meer hersteld worden (zie A. Sanderus, 1641). 1592: de kerk wordt tijdens één van de vele plunderingen zwaar beschadigd. 1595: pestepidemie.

17de eeuw: de rustperiode onder de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) leidt tot het herstel van de Sint-Tillokerk (1604-1617). 1610: terugkeer van de grauwzusters, heropbouw van het klooster.

Verschillende pogingen tot herstel van de Izegemse linnenmarkt mislukken onder meer door de emigratie van veel kooplieden en wevers, en de economische boycot van de naburige steden voornamelijk Kortrijk: onder meer in 1609 stuit het verzoek van de graaf van Izegem aan de aartshertogen om twee driedaagse vrije jaarmarkten te houden, op fel verzet van Kortrijk. Toch blijft Izegem een belangrijk linnencentrum door zijn specialisatie in fijnlinnenfabricage.

Tijdens de Frans-Spaanse oorlogen wordt Izegem geregeld bezet door Franse troepen. 1668 - 1678: Izegem behoort toe aan de Franse kroon. 1678: Lodewijk XIV verheft Izegem tot prinsdom.

18de eeuw: nieuwe voorspoed vanaf de Vrede van Utrecht (1713), tijdens het Oostenrijks bewind. De linnenweverij -voornamelijk een huisnijverheid- is in volle expansie.

Enerzijds toenemende bebouwing van voornamelijk burgerwoningen in het stadscentrum; anderzijds dalend hoevebestand.

1794: de bestelling van schoenen door het Franse leger kondigt de ontwikkeling aan van Izegem als belangrijk centrum voor de schoenindustrie. 1796: opheffen van het klooster der grauwzusters. 1798: uitbreken van de zogenaamde "Boerenkrijg".

19de eeuw: verdere daling van de landbouwactiviteiten. Slechts 11 % van de bevolking is rechtstreeks bij de landbouw betrokken. In de tweede helft van de 19de eeuw stijgend belang van de vlasnijverheid: de landelijke gebieden worden gekenmerkt door het groeiend aantal vlasschuren, die onder meer de linnenweverijen en de vlasspinnerijen in het centrum bevoorraden. Tevens ontwikkeling van de cichoreiteelt zie de vele asten bij boerderijen.

1801: bouw van de eerste lakenfabriek met garentwijnderij (100 arbeiders), in opdracht van L. Berlamont; ze verdwijnt reeds in 1827.

1817: Izegem krijgt de titel van stad; een linnenmarkt wordt heringericht in Herberg "den Hert", (Gentsestraat, thans afgebroken). Circa 1827 wordt de linnenmarkt gehouden op een stuk grond van het voormalige klooster van de grauwzusters (ter hoogte van de huidige Baron de Pélichystraat, Borstelmuseum).

Circa 1830 stort de linnenmarkt in, onder meer door de teloorgang van de Franse afzetmarkt en door de Engelse concurrentie, die goedkoper, mechanisch gesponnen garen leveren. Ten lande vertraagt onder meer het wantrouwen van de Belgische overheid het systematisch doorvoeren van het mechanische productieproces; verscheidene pogingen worden niettemin ondernomen om de crisis tegen te gaan, door subsidies en goede raad zie oprichting van "Association nationale pour le progrès de l' industrie linière" (1838) en inrichting van een markt voor handgarenlinnen in 1858.

De in de tweede helft van de 19de eeuw ingezette mechanisatie leidt tot de heropbloei van de linnennijverheid, onder meer onder invloed van P. Parmentier, grondlegger van de mechanische lijnwaadnijverheid te Izegem. 1839: eerste fabrikant die weeft met mechanisch gesponnen garen. 1864: omschakeling naar een volledig mechanische weverij, te Emelgem.

1856: eerste aanvraag voor het installeren van een stoommachine door twijngarenfabrikant B. Mistiaen-Depoortere.

Oprichting van ateliers die stoommachines bouwen: Dekeirsschieter in 1859 gestart als smidse en vanaf circa 1875 gespecialiseerd in het vervaardigen van stoommachines, en Paret-Messiaen sinds circa 1899 in werking in de Brugstraat en later in de Vaartstraat.

Tot circa 1840 is ook de hoedennijverheid een belangrijke sector binnen de Izegemse economie: in de Hollandse periode (1818-1830) haalt ze de hoogste productie van Oost- en West-Vlaanderen.

Stijgend belang van de schoen- en borstelnijverheid in de industrie in de tweede helft van de 19de eeuw, deels als reactie op de recessie in de linnennijverheid. Oprichten van tal van ateliers die in het eerste kwart van de 20ste eeuw uitgroeien tot de grootste en belangrijkste fabrieken van Izegem: de borstelfabrieken De Ryckere, Werbrouck, VandeKerckhove, Gheysens, Demeester-Paret en Bourez, en de schoenfabrieken L' Eperon d'Or, Tanghe, Defauw, Bral-Donego en Decoene.

De schoennijverheid blijft tot in het eerste kwart van de 20ste eeuw voornamelijk een huisnijverheid. 1830: Eduard Dierick krijgt van Willem I een octrooi voor genagelde schoenen (voordien genaaide zolen); hij wordt beschouwd als de grondlegger van de Izegemse schoenindustrie. Eerste patroon waarbij de knechten in plaats van thuis, samen in een atelier werken.

1840: de schoenmakers verenigen zich in een gilde.

1860: start van de mechanisatie in de schoenindustrie door de uitvinding van de naaimachine (1829) en het machinaal naaien van zolen.

1871: Ch. Goodyear ontwikkelt de eerste machine om op volledig machinale wijze schoenen te produceren.

1876: uitvinding van de zwikmachine door G. Kopeland.

1888: oprichting van de eerste schoenfabriek (Nederweg), met een volledig mechanisch productieproces, door P. Decoene-Mortier. Leidt tot protestrellen, waardoor de fabriek haar deuren moet sluiten.

1909: heropening van de fabriek; definitieve doorbraak van de machinale schoenproductie. Eind 19de eeuw zijn circa 2000 arbeiders in de schoensector tewerkgesteld en zorgen voor een kwart van de totale Belgische productie.

De bloeiende schoennijverheid leidt tevens tot het ontstaan van tal van nevenindustriën onder meer leestenfabrieken en later de zogenaamde "talonfabrieken".

Borstelnijverheid. Gegroeid uit de weefnijverheid, die nood heeft aan specifieke borstels, zogenaamd "reeborstels". De productie bestaat uit twee afzonderlijke processen, enerzijds het borstelhoutmaken dat vanaf het derde kwart van de 19de eeuw in fabrieken gebeurt en anderzijds het zogenaamd borsteltrekken, zijnde het monteren van de haren of vezels, dat veelal thuis gebeurt.

Begin 19de eeuw: voornamelijk kleine ateliers, in se familiebedrijfjes met ongeveer drie werknemers. Enkel het familiebedrijf Deryckere groeit uit tot een fabriek met 80 à 100 arbeiders; het volledige productieproces gebeurt in de fabriek.

Circa 1860: dierenhaar wordt stelselmatig vervangen door plantaardige vezels (koko, tampico,... ), waardoor een grotere variatie en lagere kostprijs, mogelijk zijn, wat leidt tot massaproductie. De productie is vnl. gericht op de Britse afzetmarkt.

Brouwerijen: midden 19de eeuw telt Izegem een achttal brouwerijen, die in de tweede helft van de 19de eeuw bijna allemaal verdwijnen omdat ze door hun kleinschaligheid de concurrentie niet aankunnen met de industrieel ingerichte brouwerijen Carpentier (Gentsestraat), opgericht in 1840, en Rosseel (Meensestraat) gesticht in de eerste helft van de 19de eeuw. Vanaf 1884 oprichten van verscheidene nieuwe brouwerijen.

1899: oprichting van de olieslagerij Vandemoortele, aan het pas aangelegde kanaal Roeselare-Leie; thans uitgegroeid tot de belangrijkste producent van tafeloliën in België.

De economische ontsluiting wordt gestimuleerd door infrastructuurwerken: onder meer uitbreiding van het wegennet onder meer de aanleg van de eerste steenweg richting Ingelmunster (1811), de huidige Gentseheerweg, de kasseiweg naar Roeselare (1840), de weg naar Menen via Sint-Eloois-Winkel (1874), naar Ardooie, via Emelgem (1874) en naar Kortrijk via Lendelede (1890). Belangrijk voor de borstelindustrie is de aanleg van de spoorlijn Brugge-Kortrijk (1847), met name voor het aanvoeren van hout. 1862-1872: graven kanaal Roeselare-Leie.

Door de economische expansie worden in het stedelijk weefsel inpandige ateliers van kleine familiebedrijfjes ingepast. Vanaf circa 1875, verdere stadsuitbreidingen, onder meer ten zuidoosten met arbeiderswoningen aan de nog landelijke Meense-, Kortrijkse- en Droge Janstraat.

Vanaf 1881 aanleg van het zogenaamd "Nieuw Kwartier", een burgerwijk die de huidige Baron de Pélichy-, de Sint-Amands- en de Sint-Tillostraat omvat en die circa 1900 met de Dweersstraat uitgebreid wordt.

Vermeldenswaardig is de toename van het aantal zogenamde "veldovens", voornamelijk in de nabijheid van boerderijen, die bakstenen produceren voor lokaal gebruik. In 1901 bouw van een ringoven (type Hofmann) door de steenbakkerij Vandeputte, aan de Krekelstraat, die reeds in werking is in midden 19de eeuw.

De bevolkingstoename, leidt tot de vestiging van enkele kloostergemeenschappen, met een onderwijzende en verzorgende functie. 1806: vestiging van de zusters van liefde die de onderwijsfunctie van de grauwzusters overnemen. 1822: oprichting van het klooster van de zusters van barmhartigheid, thans uitgegroeid tot de Sint-Jozefskliniek. 1867: Stichting van het Sint-Jozefscollege aan de Meensestraat (thans Vanden Bogaerdelaan).

Eerste kwart van de 19de eeuw: tot de Eerste Wereldoorlog zet de industrialisatie zich verder door, zowel in de schoen- als borstelnijverheid voornamelijk dank zij de doorbraak van de stoommachine.

Zowel de borstel- als de schoenenproductie gebeurt in de grote fabrieken volledig mechanisch, respectievelijk vanaf 1906 en 1909. Desondanks blijven de kleinere familiebedrijfjes, die nog deels of zelfs volledig ambachtelijk werken, verder bestaan.

Gekoppeld aan de mechanisatie, is het ontstaan van constructeursateliers gespecialiseerd in het vervaardigen en ontwikkelen van borstelmachines, onder meer het atelier van Cyriel Stove (1912), en schoenmachines onder meer het atelier van G. Handsaeme.

1909: zekere intergemeentelijke ontsluiting door de aanleg van de tramlijn Ardooie-Izegem-Wevelgem.

Eerste Wereldoorlog: tijdens de Eerste Wereldoorlog ligt Izegem in het Duitse zogenaamd "operationengebiet", waardoor de stad voornamelijk een verzorgings- en bevoorradingsfunctie heeft. Gedurende de hele oorlog speelt Izegem een belangrijke rol in de opvang van gewonden uit de gevechtszone. Verschillende gebouwen fungeren als "Krieglazarette": het goederenstation, de ziekenzalen van het "oudemannenhuis", het klooster van de Franse zusters, het klooster van de zusters van Maria, het kapucijnenklooster, de Heilig-Hartschool voor meisjes en het Gildenhuis.

Voorts inkwartiering van Duitsers onder meer in schoolgebouwen en in fabrieken, die hiervoor ontmanteld worden; verscheiden Izegemse borstelfabrikanten vestigen zich te Gent.

Door het stijgende aantal soldaten worden vanaf 1917 barakken opgericht, onder meer aan de Vanden Bogaerdelaan en Kortrijksestraat.

1917: aanleg van een vliegveld aan de zuidzijde van de Roeselaarsestraat, dat praktisch één geheel vormt met het vliegveld van Rumbeke.

De Duitsers verbeteren de wegeninfrastructuur, onder meer Nederweg en Prins Albertlaan, en breiden het buurtspoorwegennet uit.

September 1918: tijdens het bevrijdingsoffensief wordt het zogenaamd "Boomforeest" van het kasteel door brand vernield. Pogingen van de Duitsers om de bevolking uit Izegem te verdrijven en de huizen te plunderen; worden door tussenkomst van de toenmalige burgemeester Carpentier verijdeld.

Oktober 1918: bevrijding van Izegem door het Belgische leger.

Interbellum: Izegem kent slechts beperkte verwoestingen onder meer door kleinere luchtaanvallen in 1917, waarbij onder meer de noordelijke dwarsarm van de Sint-Tillokerk zwaar beschadigd wordt (22 september 1917). Hoewel er slechts 84 huizen onbewoonbaar zijn door het oorlogsgeweld, is door het grote aantal vluchtelingen, grote nood aan woningen: verschillende gezinnen wonen in barakken van het Koning Albertfonds.

1923: oprichten van de "Iseghemse Bouwmaatschappij voor Goedkope Woningen".

Tijdens het interbellum worden heel wat nieuwe straten aangelegd, alsook de nieuwe wijk, zogenaamd "De Nieuwe Wereld" (Eigenhaardstraat, Groeningestraat, Vlasgaardstraat en Zwingelaarstraat), gekenmerkt door sociale woningbouw.

Zowel de schoen- als borstelindustrie kennen een hoogconjunctuur, die zich onder meer uit in de bouw van nieuwe woningen, maar ook in het grote aantal verbouwingen van oudere huizen. Toppunt van bouwactiviteit in de eerste helft van de jaren 1930. De straatbeelden in Izegem worden dan ook voornamelijk bepaald door interbellumarchitectuur. Veel fabrikanten bouwen nieuwe, rijkelijke villa's onder meer gelegen aan de Burgemeester Vanden Bogaerdelaan.

Tal van fabrieken, die in het centrum van de stad gelegen zijn, verhuizen buiten de stadskern. De houtverwerkende nijverheid vestigt zich voornamelijk tussen de Nederweg en de Roeselaarsestraat. Steeds meer fabrieken vestigen zich aan de Prins Albertlaan en de Zuidkaai, die uitgroeien tot het industriële centrum van Izegem.

Tweede Wereldoorlog: Izegem wordt vooral bij de start van de Tweede Wereldoorlog onder vuur genomen. Zware gevechten aan de zuidkant van de stad; een bombardement brengt grote schade aan het kasteel "Blauwhuis", het klooster van Ave Maria, de Marktstraat, de Korenmarkt en de Kruisplaats. Later wordt ook de toren van de Sint-Tillokerk vernietigd.

Vanaf de jaren 1950, langzame teloorgang van Izegemse nijverheden. In de jaren 1970 en 1980 moeten tal van schoenfabrieken hun deuren sluiten onder meer de vermaarde schoenfabriek L' Eperon d'Or, maar ook andere bedrijven als Defauw, Decoene, Bral-Donego. Thans zijn nog slechts enkele schoen- en borstelfabrieken in werking; Izegem blijft niettemin het belangrijkste productiecenrum van borstels in België. Gevarieerde reconversie.

De huidige, vrij uitgebreide stadskern, ligt tussen het kanaal Roeselare-Leie en de Rijksweg N 36. In oorsprong kerndorp. Bij A. Sanderus (1641) aaneensluitende bebouwing, gesitueerd rond de Brugstraat, Grote Markt, Korenmarkt, Nieuwstraat, de huidige Melkmarkt en in het eerste deel van de uitvalswegen Roeselaarse- en Gentsestraat.

De Vander Maelenkaart (circa 1850) toont een uitbreiding van de middeleeuwse stadskern, met Z.- en W.-stadsuitbreidingen. Ook de Roeselaarsestraat is sterk bebouwd onder meer ter hoogte van het gehucht "Abele". De in de tweede helft van de 19de eeuw geleidelijk ingezette uitbreidingen, die het stadsuitzicht fundamenteel wijzigden, bepalen tot op heden de fysionomie van de stad. De schouwen die tijdens eind 19de eeuw en 20ste eeuw het straatbeeld markeren zijn heden grotendeels verdwenen. Enkele resten van deze monumentale architectuur vindt men onder meer aan de Zuidkaai, met de deels behouden schoorsteen van de oliefabriek Vandemoortele, met bewaard initiaal V.

De enige volledig behouden bakstenen schoorsteen hoort bij de voormalige borstelfabriek Etablissement Genson & Cie aan de Krekelstraat.

In de huidige gevelwanden uit de tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw domineert de interbellumarchitectuur.

Bebouwing uit de tweede helft van de 19de eeuw: enerzijds kleine arbeiderswoningen, gebouwd in opdracht van van de fabrikanten; anderzijds meerdere herenwoningen met neoclassicistische lijstgevels. Vanaf eind 19de eeuw ook tal van burgerwoningen met neo-Vlaamse-renaissance- en neogotische kenmerken. Begin 20ste-eeuwse architectuur in de lijn van de traditionele architectuur uit het tweede kwart van de 19de eeuw.

Tal van woningen met typische poorttravee naar de achterliggende bedrijven, vaak van baksteen en onder sheddaken.

Tijdens het interbellum komen verschillende architectuurstromingen tot uiting, zowel in de nieuwbouw als het grote aantal nieuwe gevelparementen: zowel meer historiserende stijlen, als de art-decogetinte, art deco en geometrische art deco, als de meer vooruitstrevende architectuur aansluitend bij het modernisme.

Opvallend is het monopolie van de lokale architecten in de Izegemse interbellumarchitectuur. Meest voorkomende architecten zijn E. Allewaert, C.

Beyaert, Ch. Laloo, A. Spriet, C. Spriet, W. Vercoutere en L. Verstraete: enerzijds wordt een eerder traditionele vormentaal gehanteerd, al dan niet geïnspireerd door de art-deco; anderzijds wordt aangesloten bij de meer progressieve, modernistische architectuur getypeerd door de strakke gevelbelijning. Belangrijke Izegemse vertegenwoordigers van de laatsgenoemde strekking zijn E. Allewaert en C. Beyaert, die onder meer instaan voor de uitvoering van tal van openbare gebouwen zoals scholen, brandweer en zwembad (thans verdwenen). Vermeldenswaardig zijn ook de verschillende kleine burgerwoningen ontworpen door de Roeselaarse architect J. de Bruycker. Zijn oeuvre toont in de jaren 1930 een evolutie van het strakke modernisme naar een meer streekgebonden architectuur, te zien aan de puntdaken.

Het zuidelijk stadsdeel wordt gekenmerkt door verspreide hoevebouw met losstaande bestanddelen, voornamelijk uit de 19de eeuw en het eerste kwart van de 20ste eeuw, die vaak teruggaan op een oudere 18de-eeuwse site; ook arbeiders- en boerenarbeidershuizen uit 19de tot 20Ste eeuw, voornamelijk geconcentreerd rond de verschillende gehuchten. Veel van de hoeven, vaak aangeduid op de historische kaarten zoals de Vander Maelenkaart (circa 1850), zijn nu buiten bedrijf of sterk aangepast onder meer het zogenaamde "Wolvenhof" met vermeldenswaardige duiventoren.

  • GELDOLF J., Iseghem Vlijtigh ende Boos, Izegem, 1956.
  • LERMYTE J.M., Geschiedenis van Izegem, 1985.
  • ROOSE Cl., Industriële inplantingen te Izegem. Methodologische en heuristische benadering van de industriële archeologie, onuitgegeven licentiaatsverhandeling R.U.G, 1974-1975.
  • National Borstelmuseum Izegm, 15 jaar, 1996.
  • VERBEKE P., Architectuur in Izegem tijdens het interbellum. Een overzicht van de belangrijkste stijlstromingen en de realisaties van de voornaamste architecten, 3 dln., onuitgegeven Licentiaatsverhandeling, R.U.G., 1997-1998.

    Nationaal Borstelmuseum Izegem, 15 jaar, 1996.


Bron     : De Gunsch A., Metdepenninghen C. & Vanneste P. met medewerking van  Tansens A. 2001: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Roeselare, Kantons Hooglede - Izegem - Lichtervelde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 17N2, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  De Gunsch, Ann
Datum  : 2001


Relaties