Geografisch thema

Berchem

ID: 13663   URI: https://id.erfgoed.net/themas/13663

Beschrijving

District van Antwerpen. Typische voorstadsgemeente, ten westen en ten noorden grenzend aan Antwerpen, ten oosten aan Borgerhout en Deurne, ten zuiden aan Mortsel en Wilrijk. 42.294 inwoners, 579 hectare 81 are 23 centiare. De grensscheiding met Antwerpen is vrij recent: in 1912 stond Berchem, met het oog op de opening van het Nachtegalenpark, 90 hectare 85 are met als hoofdbrok de domeinen Middelheim en Vogelenzang, af aan de stad; de Generaal Lemanstraat/Floraliënlaan werd hierdoor de westgrens. Hetzelfde jaar werden op Zurenborg 9 hectare 15 are aan Antwerpen overgedragen; hier gold de ringspoorweg naar Nederland als noordelijke afbaking; in ruil kreeg Berchem ten zuiden van deze lijn 11 hectare 2 are Antwerpse grondbezit, met name de befaamde Cogels-Osylei en omgeving.

Hartvormige plattegrond, door E3 en spoorwegen gesplitst in vier kwartieren; ten noorden van de Ring, zogenaamd oud Berchem (ten westen) en Zurenborg (ten oosten), ten zuiden van de Ring, zogenaamd nieuw Berchem, gevormd door een aaneenschakeling van verschillende wijken teruggaand op oude krijgsgronden en landgoederen met name de Schom en de Molens, Ruitenburg, de Veldekens, Rooi, Berchembos, de Zepten (ten westen) en de Groenenhoek (ten oosten)

"Berg-heem", een verhevenheid van 12 meter boven de zeespiegel zou volgens recente opgravingen reeds bezocht zijn door de Romeinen. Uitgegroeid tot een Frankisch dorp met versterkte schans en kerk, werd het als heerlijkheid sedert 1249 beheerd door de Berthouts van Ranst, modo van Berchem, van 1358 tot 1406 door de graaf van Vlaanderen, van 1407 tot 1552 door de familie van Lier, daarna terug door de van Berchems en van 1673 tot aan de Franse Revolutie door de familie de Fourneau.

De nederzetting heeft zich aanvankelijk vooral ontwikkeld "optenberch", dit is nabij de Sint-Willibrorduskerk, waar de brouwerijen "De Swaen" en "Den Ketele" (15de tot 16de eeuw), gevestigd waren, alsook langs Oude (Generaal Lemanstraat/Floraliënlaan) en Nieuwe Baan (Grotesteenweg), waar verschillende ambachtlui neerstreken.

Naast de eigenlijke dorpskern en het kasteel telde Berchem ook talrijke hoven van plaisantie; een belangrijke impuls tot de opbloei hiervan werd gegeven door de heer, Hendrik van Berchem, die circa 1560 naar het voorbeeld van Antwerpse grondspeculanten (onder meer Gilbert Van Schoonbeke), het zogenaamde "Papenmoer", tussen Koning Albertpark en Sint-Willibrorduskerk, verkavelde; aan de pas getrokken leien lieten begoede stedelingen een buitenplaats bouwen; de gronden aan weerszijden van de Grotesteenweg werden in kleinere erven gesplitst ten behoeve van ambachtslieden en kooplui. In 1570 werd de bevolking op 3.425 zielen geraamd. Na een periode van economisch verval (17de eeuw) - in 1584 werd Berchem volledig platgebrand - bracht het Oostenrijks regime nieuwe bloei met ongeveer 1500 inwoners circa 1800; in 1809 telden de Fransen niet minder dan vijfentwintig speelhoven, vijfenzeventig hoeven en tweehonderd negenendertig burgerhuizen, waarvan verschillende met koetspoort; behalve het hof de Bergeyck, Kardinaal Mercierlei nummer 14, bleef geen enkel van deze landhuizen gespaard; het kasteel van de heerlijkheid en hof ter Nieuwerbrugghe vielen in de militaire onteigeningen voor de aanleg van de Brialmontvesten (1859), buitenplaatsen met welluidende namen als Pluimhof, Posthof, Zurenborg, Strijdhof, Troyentenhof, Ruitenburg, ter Schriecken, Wapenhaghe, Pulhof en Fruithof, werden stuk voor stuk gesloopt en verkaveld; van de hoeven, vooral gelegen op Groenenhoek en Rooi, bleven slechts drie exemplaren min of meer bewaard. De industriële vestigingen, opgericht vanaf het eerste kwart van de 19de eeuw, met name katoendrukkerij, wasdoekfabriek ("den toile cirée") en ververij, wasblekerij, tapijtfabriek en zeepziederij, kenden geen grote expansie en de automobielfabriek Minerva lag sedert 1912 op Antwerps grondgebied. De grootste fabriek, die Berchem ooit gehad heeft is ATEA (televerbindingen) aan Coveliers-/Boomgaard-/Belpairestraat; de technische diensten van de gasmaatschappij op Zurenborg, gaan terug op de voormalige gasfabriek. Verder treft men tot op heden, vooral in oud Berchem, tal van kleinschalige bedrijven aan. Vanaf circa 1850 - de gemeente telde toen 4.356 inwoners -ontwikkelde Berchem zich vooral als een residentiële gemeente; het in hoofdzaak agrarische gebied, enkel doorsneden door Oude en Nieuwe Baan, enkele leien op het Papenmoer, veld- en buurtwegen, was op de dorpskern na nog weinig bebouwd. De urbanisatie van het volledige grondgebied zou pas in de tweede helft van de 19de eeuw en in de 20ste eeuw gestalte krijgen. Als eerste kwamen de eigendommen in oud Berchem aan de beurt, waar circa 1835-40 de omgeving van de Walemstraat werd verkaveld, circa 1870 de gronden rond De Villegas- en Vredestraat, circa 1880 de buurt van Batkin- en Arthur Sterckstraat, circa 1890 de gronden aan de De Lescluzestraat, circa 1900 Victor Jacobslei en omgeving; de oprichting van een tweede parochie, Sint-Hubertus, werd in 1900 erkend; tussen 1884-1914 werden ook de aanleg en bebouwing van Zurenborg gerealiseerd: een aparte item onder de gelijknamige hoofding belicht dit fenomeen uitvoerig. De ontwikkeling van winkelas Driekoningen-/Statiestraat hangt samen met de aanleg van spoorweg (1835) en station (1897). In 1900 waren er reeds circa 20.000 inwoners in Berchem.

De kringvesting van Brialmont (1859-64) en de militaire servituten op alle terreinen binnen de 550 meter van de uiterste bouwwerken hebben de verstedelijking van nieuw Berchem verdaagd tot het eerste kwart van de 20ste eeuw. Met de aanleg van de wijk de Schom en de Molens werd reeds voor de Eerste Wereldoorlog begonnen, Groenenhoek, Veldekens en Ruitenburg werden vooral in de jaren 1920-25 omgevormd tot dicht bebouwde woonwijken met eigen gemeenschapsvoorzieningen; de ontsluiting van Rooi, Berchembos en de Zepten dateert pas van de laatste decennia. De laatste groene zone, de voormalige militaire gordel, verdween in 1963-67 voor de bouw van de Kleine Ring; het parkje rond de Brilschans is er een overblijfsel van.

De aard van de bebouwing loopt uiteraard parallel met de stedebouwkundige ontwikkeling en de socio-politieke structuur van gemeente.

Oud Berchem wordt voornamelijk gekarakteriseerd door een aaneensluiting van burgerhuizen uit het vierde kwart van de 19de eeuw en eerste kwart van de 20ste eeuw, doorgaans van twee tot drie trav. en dito aantal bouwlagen onder zadel-, plat of pseudo-mansardedak; de bepleisterde en beschilderde of kleurige bakstenen lijstgevels overwegend in eclectische stijl met uiteenlopende inslag: neoclassicisme, neo-Vlaamse renaissance, neobarok, neogotiek, neo-Lodewijk XVI, neorococo, art nouveau; de openbare gebouwen volgen dezelfde beweging, de wijk Zurenborg eveneens, doch in overtreffende trap. Speculatiebouw, resulterend in groepbebouwing, is een algemeen verschijnsel; zelfs Zurenborg ontsnapt er niet aan. Arbeidershuizen van één tot twee bouwlagen zijn nog vaak aanwezig, steegbebouwing sporadisch (alleen nog in Driekoningen-, Kemmelberg- en Woeringenstraat).

Diversifiëring in opbouw en details zijn de persoonlijke stempel van de bouwmeester; opvallend is de impact van lokale architecten als Ch. De Roeck, J. De Vroey, J. De Weerdt, F. Toen, R. Vaes, G. Verbeke en Ch. Wuyts; namen van bouwmeesters, die ook in de 19de-eeuwse Anwerpse stadsuitbreiding werkzaam waren, duiken regelmatig op, architecten met meer dan lokale vermaardheid komen in hoofdzaak voor op Zurenborg.

Nieuw Berchem is bijzonder rijk aan architectuur uit de periode van het interbellum, waar eengezinswonigen en flatgebouwen, veelal naar ontwerp van bekende modernisten, als paddestoelen uit de grond rezen; niet alleen de kwaliteit van de individuele ontwerpen, maar vooral de enorme hoeveelheid aan cottage, art deco en nieuwe zakelijkheid maakt wijken als de Schom en de Molens, Ruitenburg en Groenenhoek interessant. Veelvuldig zijn de realisaties van E. Van Steenbergen en W. Van den Broeck, beiden woonachtig te Berchem, vermeldenswaardig is de samenwerking met plaatselijke kunstenaars als Eugeen Yoors, glazenier en A. Poels, beeldhouwer. Sociale woningbouw komt vanaf deze periode voor op de Groenenhoek met verwezenlijkingen door de Ideale Woning tot in de jaren zestig. Privé-woningbouw werd sterk gestimuleerd door de wet de Taeye, 1948. De ontwikkeling van de laatste dertig jaren manifesteert zich in hoge bouw aan Grotesteenweg (ten zuidoosten) en Fruithoflaan, hedendaagse villa's en rijwoningen op het Rooi en de Zepten. Voor de meest recente ontwerpen verwijzen we naar de randen van het Nachtegalenpark.

  • Zo was ... Berchem, samengesteld in opdracht van het Gemeentebestuur door C. Van Leuven en K. Nicolaï, 1973.
  • Almanach d'Anvers et du Département des Deux Nèthes pour l'an 1809,s.l.e.d.
  • CRAEYBECKX H., District Berchem, in Antwerpen, XXIX, maart 1983, nr. 1, p. 23-28.
  • DONNET F., Le "Papen Moer" à Berchem, in Annales de l'Académie Royale d'Architecture de Belgique, LXIX, 6de reeks, dl. IX, Antwerpen, 1921, p. 121-161.
  • NICOLAI K., Geschiedenis van Berchem in straten en pleinen, Berchem, 1983.
  • PRIMS F., Berchem-dorp in 1809, in Antwerpiensia, XX, 1950, p. 241-243.
  • PRIMS F., Geschiedenis van Berchem tot bij de aanvang der XXste eeuw, Berchem, 1949.
  • STOCKMANS J.B., Geschiedenis der gemeente Berchem, Antwerpen, 1886.
  • VAN KERCKHOVEN A., Berchem in oude prentkaarten, Zaltbommel, 1972.
  • VERSTEYLEN K.-VONCK L., De straten van Berchem, s.l., [1928].
  • V0NCK L., Geschiedkundige wandelingen in de gemeente Berchem bij Antwerpen, Antwerpen, 1901.

Bron     : Kennes H., Plomteux G. & Steyaert R. met medewerking van Wylleman L. & Himler A. 1992: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Fusiegemeenten, Bouwen door de eeuwen heen in in Vlaanderen 3ND, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Plomteux, Greet
Datum  : 1992


Relaties