erfgoedobject

Ieperse vestingen en omgeving, bossen ten zuiden en heuvelrug Wijtschate-Mesen

landschappelijk geheel
ID: 135407   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135407

Juridische gevolgen

Beschrijving

Dit gebied behoort tot het interfluvium van Leie en IJzer dat hier gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van een heuvelrug die van Moorslede in het noordoosten naar Heuvelland en Mesen in het zuidwesten loopt. De kamlijn van deze heuvelrug bereikt tussen Moorslede en Ieper hoogten tot +60m TAW, terwijl de valleien zich op een hoogte van ongeveer +20m TAW bevinden. De in de nabijheid van de ankerplaats gelegen zuid West-Vlaamse heuvels Kemmelberg (+150m TAW), Rodeberg en Scherpenberg zorgen voor een aanzienlijk hoogteverschil en zijn daardoor vanuit dit gebied meestal goed zichtbaar. De heuvelkam vormt behalve de waterscheiding tussen het IJzer- en Leiebekken, tevens de bodemkundige grens tussen de zandleem- en de leemstreek. Voor een deel weerspiegelt de geologische opbouw zich in het reliëf en de hydrografie van het gebied, die op hun beurt in nog grote mate het landgebruik in dit gebied bepalen. Gezien de strategische ligging van het gebied in de omgeving van Ieper, was dit gebied het toneel en de inzet van verschillende gevechten gedurende de Eerste Wereldoorlog.

Fysische geografie

Geologie

Op de geologische kaart valt duidelijk het interfluvium van Leie- en IJzervallei op. Deze hoger gelegen rug wordt gekenmerkt door jongere tertiaire afzettingen dan deze in de valleien. De afzettingen in de dieper gelegen valleien bestaan vooral uit klei en kleiige silt van de Formatie van Kortrijk (Lid van Aalbeke en Lid van Moen). In de Leievallei is de klei van het Lid van Aalbeke weggeërodeerd en dagzoomt vooral het Lid van Moen. De heuvelrug tussen Moorslede tot Kemmel wordt gekarakteriseerd door een ondergrond van de Formatie van Tielt (onder-eoceen) die hier overwegend bestaat uit een 20-30m dik pakket kleihoudend zand met kleilagen en soms zandsteenbanken.

Aan de zuidrand van deze rug bevindt zich een smalle strook afzettingen van het Lid van Aalbeke. Deze smalle strook is kenmerkend voor de vrij steile zuidelijke hellingflank van de heuvelrug die mede als gevolg van de eroderende werking van de paleo-Douve en Leie ontstond. Beide waterlopen erodeerden hier tot in de zware klei van het Lid van Moen. Aan de noordrand verloopt de rand van de heuvelrug veel geleidelijker, wat duidelijk merkbaar is aan de veel bredere dagzoom van het relatief dunne Lid van Aalbeke (homogene blauwe zware klei; 12-15m dik). Op de hoogste delen van de rug komen ook afzettingen voor van de Formatie van Gent (20m dik pakket van overwegend grijsgroen, glauconiethoudend fijn zand, met kleilenzen). Het meest noordelijk deel van het gebied (Bellewaerde, Passendaleveld) maakt nog deel uit van de consequente rugzone van Zonnebeke-Moorslede die een overblijfsel vormt van het midden-pleistoceen terrasniveau van Kruishoutem. Onder meer in de akkers langs de Pappotstraat getuigen de talrijke silexkeien van de Pleistocene fluviatiele grindafzettingen. De heuveltop van Wijtschate, in het zuidelijk deel van het gebied (+85m TAW), is het enige restant van het interfluvium-terrasniveau van Rozebeke (onder-pleistoceen).

De kwartaire afzettingen in de valleien zijn soms moeilijk te onderscheiden van het tertiair, vooral daar waar het tertiair bestaat uit heterogene zandige klei van het Lid van Moen. De samenstelling van het kwartair is sterk heterogeen. Over het algemeen schommelt de dikte van het kwartair op het IJzer-Leie interfluvium rond de 5 m. In gebieden met steile hellingen kan de dikte echter beduidend variëren als gevolg van het afschuiven van aanzienlijke pakketten bodemmateriaal.

Hydrografie en geomorfologie

Als gevolg van een afwisseling van kleiige en zandige lagen in de tertiaire afzettingen zijn sommige aardlagen watervoerend. Waar een zandlaag op een licht hellende kleiige/lemige laag rust en beide dagzomen vormt zich meestal een bronniveau. Waar op geringe diepte een weinig doorlatende laag aanwezig is, staat het landschap vaak onder invloed van tijdelijk stuwwater. De afwatering gebeurt door een stelsel van grachten en sloten, die uitmonden in grotere beeksystemen. De volgende beken behoren tot het IJzerbekken: de Bellewaardebeek, Vijverbeek en Drieblotenbeek in het noordwesten en de Haring-, Wijtschate- en Diependalebeek die samenvloeien tot de Bollaartbeek/Ieperlee waarin nabij Ieper ook de Klijtgatbeek, Pollepelbeek en Verdronken Weidebeek uitmonden. Ten oosten en zuiden van de heuvelrug voeren de beken het water af naar de Leie. Het betreft van noord naar zuid: de Bassevillebeek en de Stuiverbeek en Steenbeek die beide afwateren naar de Douvebeek die in oostelijke richting naar de Leie vloeit.

Door de terugschrijdende bronerosie wordt de heuvelkam aangetast en versneden tot een golvende helling met afwisselend interfluviale ruggen en smalle valleien. Vooral in het zuiden van het gebied (Wijtschate-Mesen) zijn er langs de hellingen een aanzienlijk aantal bronniveau's en dalhoofden en hebben de beken nog een vrij natuurlijk, meanderend verloop. De valleien hebben een asymmetrische vorm (één zijde van de vallei heeft een veel steilere helling dan de andere zijde) die stroomafwaarts meer uitgesproken wordt. Rond de brongebieden en in de bovenstroomse gedeelten worden de beekvalleien dikwijls begrensd en gekenmerkt door taluds. De oostelijke helling van de heuvelrug tussen Mesen en Wijtschate (met aan de voet de Steenbeek) is zeer steil en kent talrijke diep en scherp ingesneden beekjes en enkele droge valleien.

Cultuurhistorie

Bewoningsgeschiedenis en grondgebruik

De interfluviale heuvelkam was al in het neolithicum bewoond, de uitgesproken hoogteligging was een belangrijke aantrekkingspool voor vroege bewoningsvormen. De archeologische sporen (neolithische bewoning en Gallo-Romeinse voorwerpen) aangetroffen op bijvoorbeeld de heuvel van Wijtschate (zilveren muntschat te Wijtschate), wijzen op de lange bewonings- en occupatiegeschiedenis van de heuvelkam. Alhoewel er al verschillende Germaanse nederzettingen zijn, bleef het gebied in hoofdzaak bedekt door bos. Het ontstaan van de meeste bewoningskernen wordt gesitueerd tussen de 12de en de 13de eeuw. Het gebied kwam dus vooral in de volle middeleeuwen definitief in ontginning.

Sinds de middeleeuwen is Ieper een belangrijke handelsstad geweest die via de Ieperlee in verbinding stond met de IJzer en daardoor met Nieuwpoort en Brugge. Over land stond Ieper via een weg in verbinding met Torhout en Brugge in het noorden en Komen (aan de Leie) en Rijsel in het zuiden. De ontwikkeling van de stad wordt toegeschreven aan Boudewijn V van Vlaanderen en het beleid van stadsstichting. De rechtlijnige straten en het dambordpatroon, vooral in het zuidelijk deel, wijzen op deze stichting. Het oude uitbatingscentrum ontwikkelde zich verder in de loop van de 11de eeuw met de inrichting van een grafelijk castrum.

In de 12de eeuw werd de stad van het omliggende land afgescheiden door stadsversterkingen en rond 1170 werden door Filips van de Elzas stadsrechten toegekend. Ieper kende nu een bloeiperiode en speelde als derde stad van Vlaanderen, na Gent en Brugge, een belangrijke rol in het graafschap Vlaanderen. De lakenindustrie kende rond 1250 een belangrijke bloei in de stad. De stad breidde zich verder uit en er ontstonden nieuwe parochiekerken, ook buiten de 12de-eeuwse vesting. De stadskern werd verruimd en de nieuwe buitenwijken werden met nieuwe omheiningen en wallen opgenomen in de stadsversterking. In de 13de eeuw telde de versterking zo negen poorten met onder meer de Hangwaertpoort (latere Menenpoort) in het oosten, de Komenpoort in het zuidoosten, de Mesen- of Rijselpoort in het zuiden en de Boterpoort in het westen. In de loop van de 13de eeuw werd de Sint-Maartenskerk uitgebreid en werd de Lakenhalle van Ieper met zijn belfort gebouwd. In 1295 werd de Klijtgatbeek afgedamd om een drinkwaterreserve aan te leggen voor de stad Ieper die toen zo'n 28.000 inwoners telde. De lakennijverheid bracht ook voor de omliggende gemeenten een bloeiperiode, onder meer te Nieuwkerke, Kemmel en Mesen (zie verder).

In de 13de eeuw kende Vlaanderen enkele handelsconflicten met Engeland, en als gevolg hiervan was er een gebrek aan wol en kende het economische moeilijkheden. Ook in de loop van de 14de eeuw bleef de economische toestand problematisch en het economisch verval zette zich verder in de 15de en 16de eeuw. Ondertussen daalde de bevolking tot zo'n 11.000 inwoners. Met de Beeldenstorm (1566) begon een periode van oorlog, gevolgd door een harde repressie. Deze religieuze burgeroorlog kwam bovenop de politieke twisten waaronder deze grensstreek tussen Vlaanderen en Frankrijk al sinds de 13de eeuw te lijden had. Onder Filips II (16de eeuw) werden de stadsversterkingen verbeterd, onder meer met ravelijnen in het noordoosten, waarbij de Onze-Lieve-Vrouw ten Brielenkerk en de Sint-Janskerk werden afgebroken. Begin 17de eeuw kende Ieper een rustperiode en groeide de bevolking weer aan, wat gepaard ging met een grote bouwactiviteit in de stad. In de 17de en 18de eeuw fungeerde Ieper meestal als grensstad. Ieper was in handen van de Spanjaarden tot het in 1678 werd veroverd door de Franse troepen van Lodewijk XIV. Zijn befaamde vestingbouwer Sebastien le Prestre de Vauban ontwierp toen een modern gebastioneerd systeem met verschillende hoornwerken die ver buiten het stadscentrum richting de vijand uitstaken. Voor de verbreding van de grachten en de aanleg van vier hoornwerken werd, rond de aanwezige vestingen, een strook van 1km breed onteigend en volledig heringericht. De stadspoorten werden vernieuwd, zo werd de Menenpoort herbouwd met een klassieke façade. In het zuiden en westen van de stad lagen bijkomend strategische gebieden die onder water konden worden gezet indien nodig: ‘Inondation de Bailleul’ en ‘Inondation de Messines’.

In 1697 kwam de stad weer in Spaanse handen om vervolgens na de Spaanse Successieoorlog, in 1713 onder Oostenrijks bewind te komen. De stad werd daarbij één van de barrièresteden, waarin de Nederlandse Republiek troepen mocht legeren. In 1782 besloot de Oostenrijkse keizer Jozef II de vestingen af te breken, zodat de Fransen tijdens de Eerste Coalitieoorlog in 1794 Ieper gemakkelijk konden innemen. In de Hollandse periode van 1815 tot 1830 werd de vestingen weer wat uitgebouwd, als verdediging aan de grens met Frankrijk.

Na de Belgische onafhankelijkheid verloor de vesting halverwege de 19de eeuw haar belang. In het noorden werden de vestingen afgebroken en kon de stad zich uitbreiden. De Ieperlee werd in het zuiden van het stadscentrum nu helemaal overwelfd. De niet aflatende ijver om Ieper toegang te verschaffen tot het Waalse steenkoolbekken leidde in 1860 tot het plan om Ieper via een waterweg in verbinding stellen met de Leievallei door het Ieperleekanaal door te trekken tot Komen, waarbij men het interfluvium tussen IJzer- en Leiebekken moest doorsteken. Het onafgewerkte en ongebruikte kanaal met bijhorende sluizen getuigt ondertussen van de handelsactiviteit in de streek. Begin 20ste eeuw werd ook de zuidoostelijke stadsmuur doorbroken voor de uitbouw van een woonwijk rond het station van Ieper, dat er al in 1854 was gebouwd. Buiten de muren ontwikkelden zich ook andere nieuwe wijken.

De door Vauban uitgebouwde vestingwallen zijn in het zuiden en oosten van de stad goed bewaard gebleven en worden zelfs door bomenrijen benadrukt. De parkaanleg op de vestingen gebeurde naar een ontwerp van de bekende Duitse tuinarchitect Louis Fuchs. De idee sluit aan bij de 19de-eeuwse promenade-traditie. De aanleg van het zwembad in het noordelijk deel van de Kasteelgracht gaat terug tot 1884-1885. De kazematten werden tijdens de Eerste Wereldoorlog door de burgerbevolking als schuilplaats gebruikt (tot evacuatie van 9 mei 1915) en vervolgens als kwartier van het Britse leger. Ook het Hoornwerk van Antwerpen werd tijdens de oorlog versterkt en als schuilplaats gebruikt. Zowel de Menen- als Rijselpoort vormden tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke doorgang tussen stad en front. De Menenpoort vormt vandaag de dag ook nog één van de belangrijkste herdenkingsmonumenten voor de oorlog.

Na de wapenstilstand kregen de kazematten een functie als ijsfabriek en champignonkwekerij; thans worden ze gedeeltelijk benut als bergplaatsen. Het zogenaamde ‘Eilandje’ was een gekend ontspanningsoord, vandaag is er nog steeds enige horeca-activiteit. De vestingwallen vormen nu over een groot gedeelte nog steeds de grens tussen de stadskern en het omliggende open gebied. Daarom vormen ze één geheel met de Verdronken Weide en het historisch tot de vestingen behorende Hoornwerkpark. De Verdronken Weide is een voor het publiek toegankelijk natuurgebied. Het heeft in de ondergrond archeologische sporen van een verdwenen middeleeuwse wijk, de zogenaamde Sint-Michielswijk.

Het naburige Mesen was op het hoogtepunt van zijn macht in de 11de-12de eeuw. De nederzetting Mesen kon zich ontwikkelen tot stad omdat het op een strategisch punt lag tussen twee handelslijnen namelijk de heirbaan Cassel-Wervik-Bavay en de weg van de Douve via Mesen over Wijtschate naar Ieper. Deze laatste werd gebruikt voor het vervoer van goederen tussen de Leie via de Douve naar het Ieperleekanaal richting de IJzer.

In de 11de-12de eeuw was het - met zijn jaarmarkt - een knooppunt in de lakenindustrie, samen met steden als Rijsel, Ieper en Brugge. In de 15de eeuw was er een heropbloei van de lakennijverheid (ten nadele van Ieper). Deze bloeiperiode weerspiegelde zich in de aanleg van de Slijpstraat, de oprichting van een gekkenhuis en vooral de bouw van een vleeshuis, een hal en een stadhuis (1469). Voor de grote stadsbrand (1552) telde Mesen 280 huizen (circa 1400 inwoners) wat vergeleken met andere steden uit die tijd de middelmaat overtrof. In de loop van de 16de eeuw was er een versnelde recessie ten gevolge de godsdienstoorlogen waarin Mesen als calvinistisch centrum fungeerde. Dit betekende uiteindelijk de doodsteek voor de lakennijverheid; veel Mesense wevers weken uit, onder meer naar Engeland.

In de 17de eeuw nam de verpaupering ten gevolge de Frans-Spaanse oorlogen verder toe met onder meer de sloping in 1685 van de Sint-Niklaaskerk. De huidige kerk was aanvankelijk de abdijkerk van een klooster van de vrouwenorde van Sint-Benedictus, opgericht door Gravin Adela van Mesen. De basis van de kerk dateert van 1057, maar werd in de loop van de tijd grondig verbouwd. Na de afschaffing van de abdij in 1776 door keizerin Maria-Theresia werd de oude abdijkerk als parochiekerk gebruikt met Sint-Niklaas als patroonheilige. Na de Eerste Wereldoorlog en pas in 1928, werd alleen nog de kerk heropgebouwd, zonder de oude abdijgebouwen die sedert 1776 gebruikt werden door het Koninklijk Gesticht van Mesen. Het Gesticht verhuisde dan naar het Oost-Vlaamse Lede. Onder het koor van de kerk bevindt zich een romaanse crypte uit de 11de eeuw, die tevens de begraafplaats is van abdis Adela van Mesen. De stad telt verschillende Eerste Wereldoorlog-gedenktekens en militaire begraafplaatsen. Hier werd de Mijnenslag van Mesen uitgevochten. Een belangrijke begraafplaats is het Messines Ridge British Cemetery waar meer dan 1.500 doden worden herdacht.

Na de Eerste Wereldoorlog gebeurde buiten het stadscentrum de wederopbouw van hoeves zowel met langgestrekte aanleg als met losse bestanddelen. Dezelfde bouwtrant wordt gevolgd voor de wederopgebouwde hoeve-eigendommen van het Koninklijk Gesticht van Mesen, die echter herkenbaar zijn aan de geaccentueerde streekeigen bouwelementen. In feite betreft het kwaliteitsvollere wederopbouwhoeves, qua stijl de doorsnee-wederopbouwhoeves van de streek overstijgend, en aansluitend bij het bouwprogramma aangegeven door de architecten Théodore Raison en Alfred Ronse in hun boek ‘Fermes-types et constructions rurales en West-Flandre’.

Behalve Ieper en Mesen was de ankerplaats in de middeleeuwen en de daaropvolgende eeuwen een overwegend bebost en dunbevolkt gebied. De belangrijkste landbouwgebieden situeerden zich in hoofdzaak ten zuiden en zuidoosten van Ieper (zie verder bespreking deelgebieden) namelijk in het oosten begrensd door de beboste heuvelrug (Mesen-Wijtschate tot St.-Elooi) en in het westen door de huidige gewestweg Ieper-Kemmel.

Het landbouwgebied bestond overwegend uit akkers die omzoomd waren met perceelsrandbegroeiing (houtkanten, bomenrijen of een combinatie hiervan). Daarnaast ook graslanden die niet zelden discontinu verspreid waren langs beken of zich nabij hoeves (huisweiden) en op bodemkundig minder gunstige plekken bevonden. Grote hoeves waren toen vaak omgeven door een cirkelvormige of rechthoekige walgracht. Bij de meeste hoeves was ook een boomgaard en grote moestuin aanwezig. Dit bocagelandschap werd door de cartografen van graaf de Ferraris als volgt beschreven: ‘…overal waar je komt, ontvouwt zich een wirwar van hagen, die het de reiziger zonder gids en zelfs streekbewoners zonder reiservaring erg moeilijk maken om hun weg te vinden in dit landschap’. Tot medio de 18de eeuw kwam er weinig verandering in dit beeld. In de tweede helft van de 19de eeuw verdwenen geleidelijk de hagen rond de akkerpercelen. Na 1875 verdwenen ook een aanzienlijk aantal van de boomgaarden om plaats te maken voor huisweiden. Deze ingrepen hadden tot gevolg dat het landschap rond de eeuwwisseling al meer openheid vertoonde. Doch, huisweiden en graslanden waren nog altijd omgeven door hagen met niet zelden knotbomen en/of opgaande bomen. Na de Eerste Wereldoorlog verdwenen de laatste boomgaarden en nog heel wat hagen en (knot-)bomen rond graslanden. Ook het areaal grasland nam af ten voordele van akkers, die meer en meer verenigd werden tot grote gebruiksblokken. Het actuele landschap wordt in dit deel van dit gebied dan ook gekenmerkt door een grote openheid met weidse zichten vanaf de heuvelrug.

Tijdens de middeleeuwen was het bosareaal in de ankerplaats nog zeer groot en strekte zich uit van de Vlaamse heuvels (Kemmelberg, Rodeberg en Scherpenberg) over de heuvelrug vanaf Wijtschate tot Beselare en Zonnebeke. De Ieperse liefdadigheidsinstellingen, zoals het Sint-Jansgodshuis, het Bellegodshuis en het Onze-Lieve-Vrouw Gasthuis kwamen door schenkingen in het bezit van verschillende gronden ten zuiden van de stad, waaronder de bosgronden. Veel van deze bossen bleven de volgende eeuwen, mede door de ongeschiktheid van de bodem voor landbouw, bewaard en bleven in handen van de gasthuizen. Het kan echter niet worden uitgesloten dat doorheen de eeuwen als gevolg van een dynamisch spanningsveld tussen bevolkingsdruk (voedselvoorziening) en ‘duurzame bosexploitatie’, delen van het bosareaal tijdelijk ontgonnen werden of degradeerden als gevolg van (soms illegale) gebruiken (bosbeweiding, houtroof,...). Na de Franse Revolutie bleven verschillende grote bossen gespaard van onteigening en verkoop. Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag het bosrijke gebied echter pal in de frontlinie van de zogenaamde Ieperboog. Door de langdurige gevechten raakten de bossen helemaal verwoest. In de jaren 20 van vorige eeuw werden veel bossen heraangeplant, ze bepalen nu het eerder gesloten landschapsbeeld van de heuvelrug.

Na de oorlogsverklaring aan Frankrijk en Rusland wou de Duitse legerleiding via een omtrekkende beweging door België zo snel als mogelijk naar Parijs oprukken. Na een aanvankelijk spoedig verloop stokte het Duitse offensief aan de Marne (9-14 september 1914). Pogingen van zowel het Frans-Britse als van het Duitse leger om elkaar te omsingelen langs hun open flank resulteerde in het voortdurend opschuiven van het front in noordelijke richting. Ondertussen had de Belgische legerleiding, na de val van Antwerpen, besloten zich terug te trekken achter de IJzer. Vanaf 27 oktober 1914 werd de IJzervlakte tussen Nieuwpoort en Diksmuide onder water gezet waardoor het front hier jarenlang geconsolideerd zou blijven (loopgravenoorlog). Als laatste werd er nog gestreden om de stad Ieper (Eerste Slag om Ieper), die op dat moment, strategisch gezien een belangrijk verkeersknooppunt was in het door de geallieerden bezette gebied (Dendooven, 2006). Mede door de bijzondere positie van de heuvelrug nabij Ieper, werd de plaats het doelwit van nog verschillende veldslagen: Tweede (1915) en Derde Slag om Ieper (1917) en tenslotte de Slag bij Kemmel (1918). Ter hoogte van Ieper vormde de noord-zuid frontlijn immers een deels om de stad lopende oostelijke bocht die uitstulpte in vijandelijk gebied. Deze uitstulping of ‘saillant’ in het Duitse bezette gebied werd door de geallieerde troepen ‘Ypres Salient’ genoemd. Dergelijke uitstulpingen zijn zwakke punten in het front die meestal moeilijk verdedigbaar zijn. De verbetenheid waarmee de geallieerde troepen ten koste van veel opofferingen deze saillant verdedigden, verklaart mee de grote impact van het oorlogsgebeuren in deze regio.

Na de Eerste Slag bleef Ieper in geallieerde handen, de aanvallende troepenbewegingen vielen stil en beide partijen groeven zich in in een front rond Ieper. De Duisters namen op verschillende plaatsen op de heuvelrug strategisch belangrijke posities in. Ondanks verwoede pogingen van geallieerden en Duitsers bewijst het loopgravenstelsel zijn nut. Een doorbraak forceren was zo goed als onmogelijk. Met nieuwe aanvalstactieken en -technieken werd geprobeerd om de impasse te doorbreken: vlammenwerpers, tanks, gas, dieptemijnen,... Massale aanvallen over een front van 20 tot 60 km maakten uiteindelijk plaats voor kleinere acties met beperkte, goed uitgeruste stoottroepen. De oorlog boven de grond verdween meer en meer onder de grond. Hoger gele¬gen stellingen werden ondergraven en opgeblazen met kraters in het landschap tot gevolg.

Op 17 april 1915 werden zware mijnladingen onder de Duitse stellingen op Hill 60 (Zillebeke, Ieper) tot ontploffing gebracht en werd de heuvel door Britse en Franse troepen bestormd en opnieuw ingenomen. Op 22 april bestookten de Duitse troepen in de buurt van Steenstrate (Langemark, Bikschote, Merkem, Zuidschote) de geallieerden met gifgas. De daarop volgende Duitse aanvallen moesten echter bij gebrek aan ondersteuning, tijdelijk worden gestaakt, maar begin mei 1915 moesten de Britten hun stellingen op Hill 60 terug vrijgeven na hevige gifgasaanvallen door de Duitsers, die verder noordwaarts tot de oostelijke rand van Hill 62 doorbraken. Op 24 mei 1915 deden de Duitsers ook een uitval naar de heuvelrug van Bellewaerde, maar door de Britse tegenaanvallen was het succes daar niet zo groot als verwacht. Uiteindelijk viel het offensief op 25 mei 1915 stil. Na de Tweede Slag om Ieper waren ook Langemark en Sint-Juliaan in Duitse handen en was de ‘Ypres Salient’ door het bewust terugtrekken van de Britse troepen ingekrompen en dichter bij de stad zelf komen te liggen. Elke geallieerde grote militaire actie bij Ieper kon slechts ongemerkt worden voorbereid indien de Duitsers uit hun stellingen op de heuvelrug konden verdreven worden. Deze gedachte lag aan de basis van de Mijnenslag bij Mesen die plaats vond op 7 juni 1917. De Britse troepen lieten toen in het gebied met name tussen Hill 60 en Mesen uiteindelijk 19 zware dieptemijnen exploderen. De Britse en Australische divisies veroverden vervolgens de heuvelkam Wijtschate-Mesen gesteund door Nieuw-Zeelandse troepen. Toen de geallieerden de heuvelkam in handen kregen, bleven ze standhouden om pas in juli 1918 aan te vallen. De Derde Slag om Ieper, ook bekend als de Slag om Passendale begon op 31 juli 1917 en was afgelopen op 10 november 1917. De nu gevormde saillant bij Passendale was eigenlijk onverdedigbaar en de Canadezen die haar gedurende de winter desalniettemin behielden, leden grote verliezen. Door enkele politieke beslissingen werd afgezien van versterkingen aan het Ieperse front. Het Britse leger was daardoor erg kwetsbaar bij het Duitse voorjaarsoffensief. In april 1918 ging alle terreinwinst weer in korte tijd verloren in de Vierde Slag om Ieper.

Gedurende de vierjarige oorlog zou de frontlijn uiteindelijk amper wijzigen ondanks de al vermelde veldslagen en tientallen kleinere raids die door beide kampen in de tussenliggende periodes werden uitgevoerd (zie verder onder deelgebieden). Uiteindelijk lieten naar schatting 450.000 soldaten in de ‘Ypres Salient’ het leven. Getuigen daarvan de grote dichtheid aan oorlogsmonumenten, gedenktekens en militaire begraafplaatsen. Reeds in april 1915 werd beslist dat de Britse gesneuvelden niet zouden worden gerepatrieerd, maar begraven zouden worden zo dicht mogelijk bij de plek waar ze vielen. Een regel was dat overal waar minstens 40 gesneuvelden van het Commonwealth samen begraven lagen er een begraafplaats van het Imperial War Graves Commission zou worden opgericht. Voor het ontwerp van de begraafplaatsen aan het westelijk front werden vier toonaangevende Britse architecten onder de artistieke leiding van F. Kenyon, directeur van het British Museum, aangesteld: Edwin Lutyens, Reginald Bloomfield, Herbert Baker en, na 1920, Charles Holden. Behalve de bewust opgerichte gedenktekens en de begraafplaatsen zijn er ook nog talrijke goed bewaarde WO I-relicten aanwezig zowel boven- als ondergronds: de mijnkraterlijn van Mesen-Wijtschate-Sint-Elooi, relicten van het hier en daar nagenoeg intacte, pokdalig oorlogslandschap van ’t Hooge (Bellewaerde Ridge), Hill 60 en Hill 62 (Zillebeke, Ieper) en het gedeeltelijk gerestaureerde Duits loopgravenstelsel ten noorden van Wijtschate (Bayernwald).

De heuvelrug die het gebied domineert, heeft tot op vandaag een belangrijke invloed op het grondgebruik en bijgevolg het uitzicht van het landschap. De geologische, geomorfologische en hydrologische gesteldheid is hieraan niet vreemd. De heuvelkam en steilste flanken zijn eeuwenlang bebost gebleven, het wegenpatroon werd grotendeels bepaald door het verloop van de heuvelkam en de ingesneden valleien. In de vlakkere delen van het gebied, met vanuit agrarisch oogpunt betere bodemcondities (zandleem, leem), ontwikkelde zich al vrij snel een karakteristiek landbouwlandschap (‘omhaagde akkerpercelen’– bocage) dat gedurende enkele eeuwen contrasteerde met het uitgestrekte bos op de heuvelrug. Door een samenloop van omstandigheden in de oorlogsvoering begin 20ste eeuw en door het strategische belang van de heuvelrug (inherent de hoogteligging), werd het gebied het toneel van een langdurige en dikwijls hevige strijd die het vooroorlogse landschap in grote mate verwoestte. Echter, na de Eerste Wereldoorlog werd geopteerd om het landschap naar het vooroorlogse beeld herop te bouwen. Er kwam dus geen volledig nieuwe aanleg of inrichting van het gebied. Daardoor zijn de vooroorlogse landschapspatronen en structuren vaak nog goed herkenbaar: herstelde hydrologie, gerespecteerde oude bos- en weidegrenzen, hoeves op of nabij de vooroorlogse plek, respecteren van oud landgebruik, wegenstructuur…). Anderzijds zijn de oorlogsrelicten, de talrijke militaire begraafplaatsen en de landelijke architectuur, in het bijzonder de wederopbouwarchitectuur, prominent aanwezig en bepalen ze mee het uitzicht en karakter van het gebied.

Beschrijving van de deelgebieden

In het buitengebied komen we op basis van voorgaande omschrijving en rekening houdend met de onderscheidende kenmerken van natuurlijke oorsprong (geologie, bodem, hydrografie en reliëf) en menselijke aard (geschiedenis/ontwikkeling) tot negen verschillende deelgebieden. Daarnaast worden ook de vier bewoningskernen, die in het gebied zijn gelegen, als aparte entiteiten onderscheiden. Hoewel ze volledig verwoest werden tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn binnen de centra van Zillebeke, Voormezele, Wijtschate en Mesen meestal nog elementen aanwezig met bouwkundige erfgoedwaarde. Na de oorlog werden de dorpskernen op vrijwel dezelfde plek wederopgebouwd. Men nam hierbij wel de vrijheid om enkele urbanistische verbeteringen door te voeren in deze centra: straten werden rechtgetrokken en gebouwen soms meer naar achter opgericht zodat de straten meer ruimte kregen. Soms werden gebouwen na de oorlog op een meer logische plek geplaatst, het stadhuis van Mesen werd bijvoorbeeld naar het stadsplein verhuisd. De in totaal dertien onderscheiden landschapsentiteiten worden hierna volgens hun ligging van noord naar zuid opgesomd om vervolgens in dezelfde volgorde te worden beschreven. Het gaat achtereenvolgens om:

  • het bosrijk gebied Gasthuisbossen en ’t Hooge;
  • de Ieperse vestingen, Verdronken Weide en Zillebeke Vijver;
  • kern Zillebeke (met recent woonlint);
  • het verwezen Kanaal Ieper-Komen;
  • het bosrijk gebied Molenbos, domein De Vierlingen, Twaalfgemeten en Hill 60;
  • het historisch landbouwgebied rond Rozendaal Hof;
  • de kern Voormezele;
  • het bosrijk gebied heuvelrug Wijtschate–Hollebeke;
  • de kern Wijtschate;
  • het historisch landbouwgebied tussen Voormezele en Wulvergem;
  • het valleigebied Steenbeek;
  • de kern Mesen;
  • de Zuidflank Mesen en Douvebeekvallei.

Bosrijk gebied Gasthuisbossen en ’t Hooge

Dit deelgebied neemt het meest noordoostelijk gelegen deel van het gebied in. De zuidgrens ligt op de weg Zillebeke-Zandvoorde (Werviksestraat). De heuvelrug is hier zuidwest-noordoost georiënteerd en heeft aan beide flanken bronnen. Door de terugschrijdende bronerosie is hij versneden tot een golvende helling met enkele parallelle interfluviale ruggen en valleitjes. De naar het noordwesten stromende Vijverbeek, Drieblotenbeek en Bellewaardebeek behoren tot het IJzerbekken. De naar het zuiden stromende Bassevillebeek maakt deel uit van het Leiebekken. De Gasthuisbossen, dit zijn de Hoge Netelaar, het Drieblotenbos, het Zwarte Leenbos, het Godschalckbos, Groenenburghbos en het Zandvoordebos, staan op bodems die voor landbouw ongeschikt zijn door de ondiep aanwezige Tertiaire kleilagen. Deze bossen zijn de verspreide relicten van een groter boscomplex dat op de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik werd aangeduid als kreupelhout. Het bos strekte zich toen quasi ononderbroken uit over de volledige westflank van de heuvelrug, behalve in de beekvalleien van de Vijver-, Driebloten- en Bellewaardebeek, waar op enkele plaatsen graslanden aanwezig waren. Langs de Meenseweg waren verschillende kasteelparken ingeplant (’t Hooge, Beukenhorst en Herenthage-Veldhoek). De Bellewaerdevijver voorzag in de drinkwatervoorziening van de Stad Ieper. Onder impuls van de vestingbouwkundige Vauban werd de vijver vergroot en uitgeslijkt. Het water werd aangewend voor de inundaties van de Paddevijver ten noorden van de stad Ieper, via de Bellewaerdebeek. In de nabijheid van het huidige Lindenhof lagen er twee hoeves annex boomgaard met in de onmiddellijke omgeving ervan enkele door hagen of houtkanten omgeven akkerpercelen. Dit was ook het geval ter hoogte van de Passendaleveldstraat en de Kranenburgstraat (volgens de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden het ‘Groote en Cleene Craenenbergh’). Langs de zuidgrens van het deelgebied was overwegend akkerland aanwezig dat vooral verder zuidoostwaarts (buiten de afbakening) het landschapsbeeld domineerde.

Op enkele plaatsen kwam heide (wastine) voor. Dat was onder meer het geval nabij de Everzwijn-hoek, gelegen langs de oostgrens van de afbakenig (Waterstraat te Zonnebeke-Geluveld). Ook langs de zuidoostrand, in de hoek gevormd door de Werviksestraat en de Pappotstraat, en ter hoogte van de huidige Passendaleveldstraat was dit het geval. De bronnen van de Bassevillebeek bevonden zich op het einde van de 18de eeuw nog in het uitgestrekte bosgebied maar stroomafwaarts, ter hoogte van de Werviksestraat, was nat hooiland aanwezig.

In de loop van de 19de eeuw verminderde het bosareaal en wijzigde tevens de bomensamenstelling: naaldbomen gingen steeds meer het uitzicht bepalen. Vooral centraal in het gebied, rond het Passendaleveld, verdween bos ten voordele van akkerland. Deze trend zette zich verder door zodat op het einde van de 19de eeuw het gebied nog maar voor ruim de helft bebost was. In de beekvalleien domineerde het graslandgebruik.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was ’t Hooge (Bellewaerde, +52m TAW) het toneel van zware gevechten. Vooral in de omgeving van het door haar positie strategisch gelegen kasteelpark ‘Hooge Château’ werd voortdurend slag geleverd. Rondom het huidige kasteelhof ’t Hooge zijn nog de authentieke mijnkraters, bunkers en loopgraven bewaard gebleven .

Een kilometer ten noordwesten hiervan, nabij Bellewaerde Hoeve, situeerde zich ‘Bellewaerde Ridge’(+42m TAW) waar op 16 juni 1915 hevige gevechten plaatsvonden waarbij ruim 1400 soldaten sneuvelden, onder meer 200 van het 10de Bataljon King’s (Liverpool Scottish). Een gedenkteken aan de rand van het bos bovenop de ‘ridge’, opgebouwd rond de sluitsteen van de afgebroken kazerne van de Liverpool Scottish, herinnert aan de slag. Het ‘Cross of Sacrifice’ brengt de gesneuvelden van de ondergrondse oorlog in herinnering. Een tiental mijnkraters en een nog altijd sterk geaccidenteerd weiland getuigen nu nog van het oorlogsgewoel op Bellewaerde Ridge. Het nabijgelegen bosje in het noordwesten, nabij de toenmalige spoorweg Ieper-Roeselare, werd door de Britten als ‘Railway Wood’ aangeduid. Tijdens WO I geraakte het volledig vernield.

Enkele mijnkraters in het hoogst gelegen deel van het Drieblotenbos, door de Duitsers 'Trichterstellung’ en door de Britten 'The Birdcage’ geheten, dateren van de zware gevechten die hier woedden eind september 1915. Aanvankelijk was Sanctuary Wood (nabij Hill 62) een relatief rustige plaats aan de noordelijke rand van Ypres Salient. Vanaf 1914 werden hier soldaten samengebracht die zogenaamd in ‘sanctuary’ waren. In mei 1915 was de frontlijn verschoven naar de oostelijke rand van het toen nog grotere bos. Het gedeelte tussen de heuvel en de stad Ieper werd door de Canadese 3de divisie in handen gehouden. Tijdens de Slag om Mount Sorrel (2 -13 juni 1916) werd de heuvel eerst door de Duitse troepen bezet en nadien weer door de Engelse eenheden, hierin bijgestaan door twee Canadese divisies. Het ‘Hill 62 Canadian Memorial’ herdenkt de zware verliezen van het Canadees leger tijdens het verdedigen van de heuvel en Ieper in deze periode. Nabij Hill 62 ligt nu een museumtuin waar de restanten van de loopgraven te zien zijn. Hill 62 zelf is nu een heuvel in terrasbouw met een monolithisch witgespikkeld granieten blok als oorlogsmonument. De Canadalaan is een esdoorndreef (referentie naar esdoornblad op de Canadese vlag) die slingerend naar deze heuvel toe loopt. De weg ligt op het tracé van de tweede geallieerde verdedigingslinie. Aan de voet en op de westelijke flanken van de heuvelrug liggen hier verschillende militaire begraafplaatsen die opvallen door de witte grafstenen en door de lage gebouwtjes op hoeken van de ommuringen. De grootste zijn het Maple Copse, Sanctuary Wood en Hooge Crater Cemetery.

In en rondom het kasteeldomein Herenthage werd tijdens de Eerste Wereldoorlog eveneens herhaaldelijk slag geleverd onder meer in februari 1915 toen de Duitse troepen poogden om de plek in handen te krijgen. Later, tijdens de Tweede Slag om Ieper, dienden de geallieerden hun stellingen op te schuiven naar het noordwesten (richting Ieper) en kwam het domein volledig in Duitse handen. De Duitsers versterkten er hun stellingen, onder meer met betonnen constructies. Enkele relicten herinneren vandaag nog aan deze feiten. Bij het Groenenburghbos, door de Britten omgedoopt tot ‘Shrewsbury Forest’, waren Duitse stellingen gelegen waarvan vandaag sommige restanten nog zichtbaar zijn.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in het deelgebied alle bossen vernield of gekapt. Sindsdien werden ze heraangeplant. De oppervlakte van de huidige bossen is kleiner in vergelijking met het 18de-eeuwse areaal. De bossen accentueren het verloop van de interfluviale kam en vallen door hun contrast met de open omgeving sterk op. Ze zijn hoofdzakelijk van het type Zure eikenbossen. Op vochtige plaatsen is de kruidlaag soortenrijker en is er affiniteit met het type Eiken-Haagbeukenbos. Naar de Bassevillebeek toe komt nitrofiel elzenbos voor. Sinds enkele jaren worden de naaldhoutbestanden systematisch door loofhoutaanplanten vervangen. In het Zandvoordebos en in het domein Godschalck werden enkele percelen niet opnieuw bebost maar omgezet naar heide. De Bassevillebeek ontspringt in het domein Godschalck en heeft nog een tiental zijbronnetjes in nabij gelegen kleinere bosjes.

Behalve door bos wordt het huidige landschap gedomineerd door landbouwland met vooral akkers en in mindere mate weilanden langs beken en op de steilste hellingen. Na de Eerste Wereldoorlog verdwenen ook de boomgaarden, hagen en bomenrijen zo goed als volledig uit het landschapsbeeld. Het wegenpatroon volgt het reliëf en de hydrografie; op de kam van het IJzer-Leie-interfluvium loopt de hoofdweg namelijk de Pappotstraat en dwars daarop lopen kleinere wegen buiten de valleien en veelal op een interfluviale kam tussen twee beken. Deze wegen hebben soms taluds langs één of beide zijden, vaak bezet door houtkanten en bermen met specifieke flora (oud-bosplanten en/of wastinerelicten). Het gebied kent slechts weinig bebouwing, die grotendeels uit landbouwbedrijven bestaat en buiten de valleien langs de wegen liggen. De meeste gebouwen dateren van na 1920 (wederopbouwarchitectuur). Vooral langs de Pappotstraat zijn er nog verschillende gebouwen aanwezig die volgens de wederopbouwarchitectuur zijn opgetrokken. Het Lindenhof werd heropgebouwd naar het vooroorlogse voorbeeld. Het bestaat uit losse gebouwen in U-vorm waaronder een voormalige cichorei-ast. Het huidige kasteel Catalunya bevindt zich op de site van voormalig kasteel Beukenhorst dat tijdens de Eerste Wereldoorlog werd vernield. Het werd aanvankelijk wederopgebouwd als zomerverblijf ‘Huize Zandberg’; sinds de jaren 1950 wordt het aangeduid als ‘Catalunya’ naar de Spaanse eigenaar.

Ieperse vestingen, Verdronken Weide en Zillebeke Vijver

Dit unieke deelgebied omvat een deel van de middeleeuwse watervoorziening (Zillebeke Vijver) de zuidoostelijke 17de-eeuwse verdedigingsstructuren van de stad Ieper en het hierop aansluitende gebied van de Verdronken Weide, het zogenaamde voorland.

Ieper kende een sterke bloei en uitbreiding in de 12de-13de eeuw. De stad ontwikkelde zich aan de Ieperlee, een riviertje dat toen van zuid naar noord richting IJzer stroomde. Eén van de vier buitenwijken, de Sint-Michielsparochie, situeerde zich in die periode in het laag gelegen gebied van de Verdronken Weide, waar enkele beken (Bollaartbeek, Klijtgatbeek, Pollepelbeek, Verdronken Weidebeek en Zillebeek) samenkomen en de Ieperlee vormen. De wijk verdween in de loop van 14de eeuw en in de 17de en 18de eeuw werd de Verdronken Weide gebruikt om door middel van onderwaterzetting de stad te verdedigen (voorland), De talrijke restanten van deze parochie werden tijdens archeologische opgravingen (jaren 1990) blootgelegd. De opgravingen brachten, naast inzichten in bouwconstructies, ruimtelijke ordening en wegenbouw ook getuigenissen van het 13de–14de-eeuwse volksleven aan het daglicht (collectie bewaard in museum Merghelynck).

De vroegste vermelding van een Ieperse waterregie dateert uit 1217. Toen was er sprake van de aanleg van vijf spaarbekkens. Die werden gebouwd door de afdamming van een aantal beken op geschikte plaatsen, waar de beekvallei voldoende breed en diep was. De Zillebeke Vijver was één van die spaarbekkens. In de loop van de 13de en 14de eeuw werden de Ieperse 'stadsvijvers’ verbeterd, uitgebreid en aangepast. De Zillebeke Vijver kreeg in 1295 zijn min of meer definitieve omvang. Van de vijf aangelegde stadsvijvers bestaan nu nog alleen de Zillebeke Vijver, de Dikkebusvijver en de Bellewaerde Vijver (zie supra). Ouderdomsgebreken en andere factoren veroorzaakten op de lange duur hygiënische problemen en waterschaarste. In 1877 besloot het stadsbestuur het hele stelsel te laten moderniseren. Na de Eerste Wereldoorlog was de oorlogsschade aanzienlijk. Zowel te Dikkebus als te Zillebeke werden er volledig nieuwe installaties uitgevoerd. De waterzuiverings- en behandelingsinstallatie te Zillebeke dateert van circa 1925-26. Eind de 18de eeuw werd het landschapsbeeld van dit deelgebied bepaald door de vestingmuren, de Zillebeke Vijver, twee verdedingsvijvers ten zuiden van de stad, met name de zogenaamde ‘inondations de Messines’ en ‘de inondations de Bailleul’ en enkele aanpalende vochtige graslanden. De oeverzone van de verdedigingsvijvers en de benedenloop van de Bollaartbeek-Klijtgatbeek waren volgens de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden moeras en het huidige wegenpatroon grotendeels al aanwezig (van west naar oost: Rijselseweg, Komenseweg, Zillebekevijverdreef en Blauwepoortstraat). Bewoning in het gebied was beperkt tot enkele hoeves (onder andere de Pollepelhoeve, al vermeld in 1684 als toebehorend aan het Sint-Jansgodshuis en het eveneens minstens 18de-eeuwse Zuid Bellegoed, voormalig pachtgoed van de familie Belle, vooraanstaande Ieperse patriciërs) en een viertal windmolens langs de Rijselseweg. Het graslandgebied werd gedraineerd door verschillende afwateringsgrachten die in verbinding stonden met de Bollaartbeek. Hier en daar waren bomenrijen aanwezig onder meer langs de Komenseweg en de Zillebekevijverdreef. De hoeves waren meestal omgeven door omhaagde moestuinen en boomgaarden.

In de eerste helft van de 19de eeuw wordt dit landschapsbeeld op verschillende kaarten bevestigd. In het midden van de 19de eeuw werden in het gebied een aantal grote infrastructuurwerken gerealiseerd. Ten zuiden van de stad werd in 1854 het station gebouwd en werden de spoorweglijnen Poperinge-Ieper-Kortrijk en Ieper-Roeselare aangelegd. Het tracé van de laatst vermelde spoorweg valt samen met dit van de huidige Zuiderring dat het landschap van de stadsvestingen enigszins scheidt van de Verdronken Weide en Zillebekevijver. In dezelfde periode werden de werken gestart voor het graven van het Kanaal Ieper-Komen (1864). Dit infrastructuurwerk had en heeft een belangrijke landschappelijke impact en ligt aan de basis van het hierna besproken deelgebied van het Verwezen Kanaal. Ondertussen verdwenen ook de verdedigingsvijvers.

Tijdens de gehele Eerste Wereldoorlog werden de vestingen als beschutting gebruikt. De bomvrije ruimten uit de 18de eeuw weerstonden aan het artillerievuur, terwijl de rest van de stad met de grond gelijkgemaakt werd. In de zalen, gangen, kazematten waren toen slaapruimten, een hoofdkwartier en hulpposten ingericht, maar ook de redactie van The (Wipers) Times. Veel van deze ruimten waren echter door de Britse genie uitgegraven in het aarden lichaam van de vestingen. Op de kruin van de vestingen werden loopgraven uitgegraven. Ingebed in de vestingen liggen de oude Rijselpoort en de Menenpoort. Nabij de Rijselpoort ligt het Ramparts Cemetery, een Britse militaire begraafplaats. De Menenpoort is een imposant Brits oorlogsmonument waar nog elke dag om 20.00u stipt, ter nagedachtenis van een honderdduizendtal vermiste oorlogsslachtoffers ‘The Last Post’ wordt geblazen. Ook in de meidagen van 1940 vormden de kazematten nog een toevluchtsoord. Honderden mensen van de Sint-Pieterswijk zaten tijdens de korte maar hevige gevechten bij de inname van de stad door de Duitsers, opeengepakt in de eeuwenoude ruimten.

Al kort na de Eerste Wereldoorlog werd begonnen met het herstel van de vestingen. In de loop van de volgende decennia werden de muren verder hersteld, werden de ondergrondse ruimten weer in orde gebracht en werd de muurbegroeiing op vele plaatsen verwijderd. Naast een belangrijke groenzone, zijn de vestingen ook een belangrijke historische site, wat in de verf gezet wordt door de recente ontwikkeling van de vestingroute met de bijbehorende informatiepanelen. Met het aanbrengen van een brug die de communicatie van de vestingen met de voorversterkingen, nu de stadsrand, verbetert, wordt er een nieuwe impuls gegeven aan het conserveren van het grootste monument van Ieper door het effectief te gebruiken. Een laatste grote restauratie vond plaats omstreeks 1980. Daarna werden er nog verschillende vestingonderdelen hersteld en beter toegankelijk gemaakt.

Door al deze werken zijn de vestingen in het zuiden en oosten van de stad Ieper zeer goed bewaard gebleven, door de bomenrijen en de parkaanleg worden ze zelfs benadrukt, zoals ook in enkele andere Vlaamse vestingsteden het geval is (onder andere Brugge en Diest). De vestingwallen vormen over een groot gedeelte nog steeds de grens tussen de stadskern en het omliggende open gebied.

Behalve de vestingen was ook de onmiddellijke omgeving ervan onderhevig aan het oorlogsgeweld. Verschillende constructies en begraafplaatsen herinneren aan de Eerste Wereldoorlog-gebeurtenissen: onder meer een Britse betonnen constructie nabij de Zillebeke Vijver en twee omvangrijke begraafplaatsen. Met meer dan 5.000 doden is het 4,26 ha grote Bedford House Cemetery een van de grootste begraafplaatsen van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen. Medio de 19de eeuw was tegen de Bollaartbeek een nieuw kasteeldomein aangelegd, ‘Kerskenhove’ later ook wel ‘Rozendaal‘ genoemd-, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog (1917) volledig verwoest en omgevormd werd naar begraafplaats. Door de Britse militairen van het Bedfordshire Regiment werd het landhuis bedacht met de bijnaam ‘Bedford House’ soms ook ‘Woodcote House’ genoemd. De tweede omvangrijke begraafplaats is de Railway Dugouts Burial Ground (Komenseweg, vlakbij de spoorlijn Ieper-Komen). Tijdens de oorlog waren er schuilplaatsen uitgegraven in de spoorlijnbedding. Net zoals in de nabijgelegen boerderij (Transport Farm) werden er medische posten ondergebracht. Vooral in 1916-1917 werden er veel doden begraven.

In 1992 werden de graafwerken gestart voor de uitbouw van een wacht- en waterspaarbekken op de Bollaartbeek. Ze eindigden in de zomer van 1995. Het gebied van de Verdronken Weide beslaat nu een totale oppervlakte van 41 ha (waarvan 32 ha wachtbekken-spaarbekken) en is eigendom van de Vlaamse Overheid. Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) staat in voor het natuurbeheer. Er is gekozen om een deel spontaan te laten ontwikkelen, een deel te begrazen met runderen en enkele percelen als hooiland te maaien. Het gebied is een belangrijk overwinterings- en broedgebied voor een grote diversiteit aan water- en moerasvogels. Van deze enorme graafwerken maakte de Ieperse Drinkwaterregie gebruik om in het droog wachtbekken een gedeelte (16 ha) als spaarbekken tot 4 meter diep uit te graven. Daardoor beschikt ze nu samen met Dikkebusvijver en Zillebekevijver over 3 waterreservoirs.Het water van de Bollaartbeek-Verdronken Weide, wordt sindsdien afgeleid naar de IJzerwegbeek, vervolgens naar de Oude Vaart, om zo het Ieperleekanaal te bereiken. De historische verbinding met de historische Ieperlee is daardoor verbroken.

Omdat de weiden regelmatig onder water kwamen te staan, bleven de middeleeuwse resten van de Sint-Michielsparochie er goed bewaard. Een voorlopig laatste en belangrijke ingreep in dit deelgebied was de aanleg begin 2001 van de Zuiderring op de bedding van de vroegere spoorlijn Ieper–Roeselare.

Kern Zillebeke (en recent woonlint)

De oudste vermelding luidt ‘Selebecka’, van de beeknaam Salia. Johannes van Waasten, bisschop van Terwaan, gaf in 1102 het patronaat van de kerk aan het klooster van Voormezele. De heerlijkheid Zillebeke hing toen af van het Hof van Ieper. Medio 18de eeuw was de bewoning nog geconcentreerd langs de Maaldestedestraat, in de onmiddellijke omgeving van de Sint-Catharinakerk. Dit was ook nog het geval in de tweede helft van de 19de eeuw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de dorpskern van Zillebeke volledig verwoest. Aan het begin van de oorlog werden de omgekomen militairen vaak begraven op bestaande kerkhoven, zoals in Zillebeke het geval was (Zillebeke Churchyard). Het kerkhof van Zillebeke werd vooral in 1914 gebruikt. Hier werden onder meer 14 militairen van de 'Foot Guards’ en de 'Household Cavalry’ begraven. Na de wapenstilstand werden de Franse graven verwijderd. Omdat er zoveel hogere officieren op dit kerkhof begraven liggen, die vaak tot de adel behoorden, wordt vaak gesproken over 'Aristocrats Cemetery'.

Na de oorlog werd het dorp helemaal wederopgebouwd naar het vooroorlogse beeld volgens richtlijnen en ontwerpen van architect G. Lernould (Ieper). Zillebeke bezit een T-vormige dorpskom, die gevormd wordt door de Maaldestedestraat (inclusief huidig Zillebeke-Dorp), in het noorden, de Blauwepoortstraat naar het zuidwesten en de Wervik- respectievelijk Zandvoordestraat naar het zuidoosten. De neogotische hallenkerk met robuuste vierkante toren domineert het centrum en geeft er samen met de pastorie en het gemeentehuis, respectievelijk ten zuiden en ten zuidwesten ervan, vorm aan. Tegenover de kerk komt aaneengesloten bebouwing voor die vandaag nog bestaat uit vooral breedhuizen die meestal bestaan uit twee bouwlagen onder pannen zadeldaken en nog de kenmerken van de wederopbouwarchitectuur bezitten. Andere kenmerkende gebouwen voor de dorpskom zijn de gemeentelijke jongensschool (architect Lernould) en de voormalige feestzaal met het woonhuis van de veldwachter en de brandwacht in de Werviksestraat, naar een ontwerp van architecten E. Richir en G. Veraart (Brussel).

Na de Tweede Wereldoorlog breidde het dorp uit onder de vorm van een langerekt woonlint langs de Wervikstraat en met woonwijken in de buurt van het centrum. Het Zwarte Leen, ongeveer 1 km ten zuiden van de dorpskern was lange tijd een autonoom gehucht, gelegen op de heuvelrug en nabij de bosrand van wat nu het Zwarte leenbos, de Vierlingen en het Molenbos is. Ondertussen is het door de laat 20ste-eeuwse lintbebouwing, langs de Wervikstraat, visueel verbonden geraakt met de dorpskern van Zillebeke.

Verwezen Kanaal Ieper-Komen

Dit deelgebied omvat het 19de-eeuwse Kanaal Ieper-Komen en de onmiddellijke omgeving ervan, die vaak bebost is, met inbegrip van een zuidwestelijk georiënteerde vallei in het Ieperse golfdomein. Al lang wou men Ieper via een waterweg in verbinding stellen met de Leie door het Ieperleekanaal door te trekken tot Komen. Een belangrijke natuurlijke hindernis vomde hierbij de heuvelrug van het interfluvium tussen IJzer- en Leiebekken. In 1859 werd het kanaalontwerp onder impuls van de Ieperse volksvertegenwoordiger Alphonse Vandenpeereboom goedgekeurd, vervolgens werd in 1863 de ‘Compagnie du Canal de la Lys à l’Yperlée’ opgericht.

Bij de aanleg van het kanaal vanaf 1864 werd de uitgegraven aarde op de oevers gedeponeerd. Het volume was het grootst op de plaats waar het kanaal de heuvelrug dwarste. Daaruit ontstonden langwerpige kunstmatige ophopingen langs het kanaal bovenop het natuurlijk gevormde reliëf. Toen in 1864 aan het kanaalproject werd begonnen, had men nog geen idee van de onoverkomelijke moeilijkheden die gedurende de volgende vijftig jaar het project voortdurend zouden stilleggen. Tussen 1864 en 1912 werden vier grootschalige pogingen ondernomen om een sleuf te trekken. Spelbreker was de gelaagde ondergrond: een glijdende natte zandlaag bovenop natte klei veroorzaakte bij diepe graafwerken aardverschuivingen of instortingen. Tot tweemaal toe moest men de tunnelwerken staken en dynamiteren (1910). En bij de aanleg van een stalen brug in het verlengde van de huidige Palingbeekstraat gleden de fundamenten van één van de pijlers weg en stortte de brug in (10 juni 1913). Bijna 50 jaar na de start van het ambitieuze project was de sleuf gegraven, waren de oevers verstevigd en de sluizen in de heuvelrug aangelegd, maar het project werd opgegeven. Economisch was het kanaal een catastrofe: als kanaalverbinding tussen Ieper en Komen heeft het nooit gefunctioneerd. Dat was ook de reden waarom de infrastructuur na de Eerste Wereldoorlog niet opnieuw werd hersteld. In 1970 nam de provincie West-Vlaanderen het initiatief om in en rond de kanaalsleuf een recreatief domein uit te bouwen dat ‘De Palingbeek’ werd genoemd.

De kanaalsleuf is het resultaat van de werken waarbij het kanaal als een open traject in de heuvelrug werd aangelegd. Dit open traject kwam pas tot stand nadat men in de beginjaren (vanaf 1864) tevergeefs met de aanleg van tunnels had geëxperimenteerd. Naast de sleuf zelf zijn er nog meerdere sporen die aan het mislukte kanaalproject herinneren: verschillende sluizen met een opvallende rijkdom aan muurplanten en kades, maar ook een stuk bruggenhoofd ter hoogte van de cafetaria. Tussen de Komenseweg in het westen en de Rijselseweg in het oosten bevonden zich vier sluizen: nr. 8 op de Rijselseweg nabij ‘Lankhof farm’, nr. 7 tussen de Rijselseweg en de Vaartstraat ter hoogte van de plaats waar het Bijlanderpad lichtjes afbuigt en nr. 7bis en 6bis onder de Komenseweg.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog speelde het kanaal Ieper-Komen een belangrijke rol. Vanaf de hoger gelegen kanaaloevers op ‘The Bluff’ hadden de Britten een goede inkijk op de Duitse stellingen tussen Hill 60 en Sint-Elooi. Ondanks zware ondergrondse mijnexplosies, Duitse infanterieaanvallen en mortierbeschietingen hielden de Britten het bastion in handen. Alleen tijdens het voorjaarsoffensief van 1918 konden de Duitsers voor enige maanden de Palingbeek bezetten. Op 28 september 1918 werd een allerlaatste keer om de kanaaloever gevochten. Daar waar het kanaal de heuvelrug dwarste werden grote hoeveelheden uitgegraven aarde op de kanaaloevers gedeponeerd. Deze kunstmatige ophogingen werden tijdens de oorlog zowel door Britten als Duitsers gebruikt als observatiepost voor het uitgraven van ondergrondse schuilplaatsen (Spoilbank, Bluff, Triangular Bluff, Buffs bank).

De kraters van ‘The Bluff’ zijn vandaag nog altijd te zien, net als enkele schutsluizen, waaronder de ‘Gordon Post’ of ’Lock 7bis’. Tijdens de oorlog diende dit sluizencomplex als bataljonshoofdkwartier en verbandpost. In de omgeving van de Vaartstraat liggen Spoilbank en Chester Farm Cemetery. In het provinciaal domein liggen Hedge Row Trench, 1st D.C.L.I (The Bluff) en Woods Cemetery. De drie laatste zijn typische, relatief kleine slagveldbegraafplaatsen. Waar het kanaal een bocht van 90° maakt, om vervolgens samen met de spoorlijn in zuidelijke richting te lopen (Kasteelhoekstraat, Hollebeke), gebruikten de Duitsers de verhoogde spoorlijnbedding om er betonnen verdedigingsconstructies in te bouwen. Verschillende relicten getuigen hiervan tot op vandaag.

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog had het kanaal nog enige strategische betekenis. Op 27 en 28 mei 1940 hielden de Britten de Duitse troepen tijdelijk op aan de vaart tussen Zillebeke en Komen. De strijd die hier werd gevoerd, maakte de veilige inscheping van het Britse leger in Duinkerke mogelijk: 516 Britten en 411 Duitsers lieten het leven.

Bijna een eeuw na de laatste werkzaamheden wordt 29 ha van het kanaaltraject, samen met een strook op beide oevers, beheerd als Vlaams natuurreservaat. Het langste deel van het reservaat reikt tot in het centrum van Ieper. Een tweede strook van ongeveer één kilometer strekt zich uit aan weerszijden van de Kortewildestraat in Hollebeke. Tussen beide reservaatgedeelten loopt de vaart doorheen het provinciaal domein De Palingbeek. Over een groot gedeelte van het reservaatgebied is het kanaal verland en soms nauwelijks nog als waterloop herkenbaar. Het segment tussen Hollebeke en de Waalse grens is geëvolueerd tot een lange, dichte rietstrook waar kenmerkende vogelsoorten broeden. Andere gedeelten zijn tot een elzen-wilgenbroek ontwikkeld. De natuur nam ook bezit van de kunstwerken die op het kanaal werden gebouwd. De sluismuren in combinatie met een zonnige standplaats en oude kalkmortel zijn de geschikte groeiplaats voor een kenmerkende muurflora met vetplanten en éénjarigen.

Bosrijk gebied Molenbos, domein De Vierlingen, Twaalfgemeten en Hill 60

Dit deelgebied omvat de overwegend beboste heuvelrug ten zuiden van Zillebeke en wordt begrensd door de Wervikse straat in het noorden, de kanaalsleuf in het zuiden en de Verbrandemolenstraat in het noordwesten. De heuvelrug vormt de waterscheidingskam tussen Leie- en IJzerbekken. Het regenwater van het Molenbos vloeit naar de IJzer, dat van de Vierlingen en de Twaalfgemeten naar de Leie. Het naaldbos van de Twaalfgemeten sluit aan op het gemengd bos rond het voormalige jachthuis De Vierlingen. De bossen zijn de verspreide relicten van het historisch bosgebied tussen Wijtschate en Zonnebeke.

Behalve bos, waren in het historische landschap ook enkele open plekken aanwezig, bestaande uit vochtige graslanden (bivoorbeeld nabij de huidige Verbrande Molenstraat en in het provinciaal domein Palingbeek) of met akkerpercelen die niet zelden rond een hoeve lagen.

Medio 19de eeuw was, in tegenstelling tot veel andere plaatsen in de regio, het areaal bos nauwelijks afgenomen en bleef de oppervlakte akkerland ongeveer gelijk. Het uitzicht van het landschap veranderde in deze periode aanzienlijk door de aanleg van de spoorweglijn Ieper-Kortrijk en de aanleg van het Kanaal Ieper-Komen die beide dwars door de heuvelkam sneden. In de tweede helft van de 19de eeuw verminderde het bosareaal enigszins en werd het resterende bos onderwerp van een meer rationele bedrijfsvoering: het Verbrande molen-bos werd opgedeeld in rechthoekige beheerblokken door aanleg van een geometrisch wegenpatroon. Langs de Komenseweg werd bos gerooid om plaats te maken voor akkers, die met houtkanten en/of hagen omzoomd werden.

Waar de sinds 1854 geopende spoorlijn Ieper-Komen de heuvelrug doormidden snijdt, onstonden als gevolg van graafwerken kunstmatig opgehoogde hopen aarde, waaronder de ‘Caterpillar’ en ‘Hill 60’. Deze hoogtes kregen in de loop van het oorlogsgebeuren een strategische betekenis. Zo werd het gebied één van de meest dramatische slagvelden van de ‘Ypres Salient’ of Ieperboog, berucht voor de ondergrondse oorlog die hier gevoerd werd, met als 'hoogtepunt’ de ontploffing van twee dieptemijnen op 7 juni 1917. Hill 60 werd als oorlogssite bewaard en is gelegen langs de Zwarteleenstraat (Ieper, Zillebeke). Vanaf de heuvel is er in noordwestelijke richting een panoramisch zicht op Ieper en omgeving. Op en rond de heuvel, bestaande uit origineel oorlogslandschap met loopgravenstructuren, mijnkraters en diverse betonconstructies, werden verschillende gedenktekens geplaatst: het gedenkteken voor de ‘Queen Victoria Rifles’ bovenaan de heuvel en de witte gedenksteen voor de opeenvolgende troepenbewegingen voor de heuvel. Rechts van de heuvel het gedenkteken voor de ‘1st Australian Tunnelling Company’, op de parking ernaast het verplaatste gedenkteken voor de ‘14th Light Division’.

Het nabijgelegen Vierlingenbos draagt eveneens nog talrijke sporen en relicten van de Eerste Wereldoorlog langs de westflank van de spoorwegbedding. Hier liggen naast de mijnkrater ‘Caterpillar’ ook nog talrijke bomkraters en betonnen schuilplaatsen. Het open landbouwgebied ten noordoosten hiervan, draagt ook nog duidelijk de sporen van de Eerste Wereldoorlog: bomkraters en tracérelicten van een smalspoorlijn. De graslanden en akkers tussen Larch Wood Cemetery en Hill 60 herbergen in de ondergrond eveneens nog talloze sporen van ondergrondse schuilplaatsen en mijntunnels.

Behalve de oorspronkelijke nog aanwezige oorlogsrelicten, verwijzen bepaalde gebruiken onrechtstreeks naar het oorlogsverleden. Het was in deze streek niet ongebruikelijk om bepaalde oorlogsmaterialen te recycleren. In de Zwarteleenstraat (nr. 59) werd door buurtbewoners met stenen afkomstig van een ‘abri ‘nabij het kasteel ‘t Hooge een gedenkkapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw opgericht.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden alle bossen van dit deelgebied vernield of gekapt en tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ze opnieuw gekapt om als brandhout te dienen. Sindsdien werden ze heraangeplant. De Noord-Franse familie Cavrois werd via erfenissen na de Eerste Wereldoorlog onder meer eigenaar van 'De Vierlingen’ en omliggende landbouwgronden. Ze lieten het gebied inrichten als jachtbos. Een afwisseling van loofhout, naaldhout, weilanden, alleenstaande bomen en een ‘cascade’ van vijvers waren het resultaat.

In 1973 werd 67 ha provinciaal domein 'De Palingbeek’ voor het publiek opengesteld. Het grootste deel van het gebied bestond uit de kanaalsleuf en onmiddellijke omgeving. Tussen 1988 en 2005 werd het provinciaal domein in verschillende stappen verder uitgebreid met vooral landbouwgronden en enkele nabijgelegen bossen, waaronder in 1995 het Molenbos en in 1998 het domein ‘De Vierlingen’, beide eigendom van de familie Cavrois. Een deel van de akkers werden bebost met inheemse loofbomen de andere helft werd als open, kleinschalig weidelandschap ingericht met inbegrip van enkele hoogstamboomgaarden. In het Molenbos ontspringt de Klijtgatbeek met een drietal bronnen. De bronbeekjes zijn er afgedamd tot enkele cascadevijvers (Ravine Wood). De Hoeve Callewaert, gelegen langs de Vaartstraat, werd in 2005 als bezoekerscentrum opengesteld.

Vandaag is het provinciaal domein geëvolueerd tot een gevarieerd, maar hoofdzakelijk bebost landschap van circa 240 ha. Het domein wordt specifiek als bos- en natuurgebied beheer. Dit impliceert onder meer het hooien van graslanden, verwijderen van ongewenste soorten (exoten), openhouden van heischrale vegetaties, spontane bosontwikkeling (bosranden) toestaan en het inrichten van grootschalige begrazing met vee.

Historisch landbouwgebied rond Rozendaal Hof

Dit deelgebied wordt begrensd door het oud-bosgebied Molenbos, Vierlingen, Twaalfgemeten en Hill 60 in het zuidoosten, het Verwezen Kanaal in het zuiden en het deelgebied van de Ieperse vestingen, Verdronken Weide en de Zillebeke Vijver in het noordwesten.

Al minstens sinds de tweede helft van de 18de eeuw, maar vermoedelijk al veel langer, is dit een landbouwgebied. Uit de Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden valt af te leiden dat het gebied dezelfde karakteristieken vertoonde als het overgrote deel van het toenmalige cultuurlandschap rond Ieper. Het bestond overwegend uit akkers omzoomd door perceelsrandbegroeiing (houtkanten maar ook bomenrijen), graslanden die verspreid lagen langs de Klijtgatbeek, nabij de hoeves en op bodemkundig gezien minder gunstige plekken voor akkerland. In het gebied waren een tiental hoeves aanwezig, waarvan zeven omgeven door een cirkelvormige of rechthoekige walgracht. Bij de meeste hoeves was een boomgaard en grote moestuin aanwezig. Nabij en langs de Klijtgatbeek waren enkele kleine bosjes aanwezig die de relatie met de beboste heuvelrug benadrukten. Twee bewoonde sites werden met naam op de Kabinetskaart aangeduid: ‘Roosendael’ en ‘Langhof’. Het ‘Roosendael Hof’ lag min of meer centraal in het gebied, het andere hof was gesitueerd langs de Rijselse weg.

Medio de 19de eeuw was dit landschap weinig veranderd. Akker en grasland waren het belangrijkste grondgebruik. In het zuiden kwamen enkele smalle bosstroken voor. Met ‘Ferme Roosendael’ werd op deze kaart een meer noordwest gelegen hoeve aangeduid, waarvan onmiddellijk ten zuidwesten het kasteel ‘de Nive’ lag. De site van het ‘Langhof’ werd als ‘Chateau de Mr. Patin’ en ‘Ferme Lankhof’ geduid. In het noordoosten werd de hoeve ‘Blauwepoort’ aangeduid. Op de topografische kaarten van 1877 en 1899 werden nog boomgaarden weergegeven als annex bij de meeste hoeves in het gebied. Bos en de perceelsrandbegroeiing rond de akkers was dan al zo goed als overal verdwenen. Weilanden waren meestal nog wel omgeven door hagen en/of bomenrijen. In vergelijking tot het hedendaags wegenpatroon was de huidige Vaartstraat tot midden de 19de eeuw alleen als smalle (voet)weg herkenbaar, tegen het einde van de 19de eeuw kreeg het actuele tracé stilaan vorm. Het ‘Lankhof Farm’ was tijdens de Eerste Wereldoorlog uitgerust met zeven betonnen schuilkelders en geraakte tijdens het Duits lenteoffensief van 1918 even in vijandelijke handen. Het noordelijk hiervan gelegen Bedford House (zie supra) bleef echter altijd door de Britten bezet. Op de kasteelmote staan nog steeds de zeven bunkers.

Vandaag domineert het modern agrarisch cultuurlandschap met grote akkerpercelen en weilandblokken nabij de nog actieve landbouwbedrijven. Perceelsrandbegroeiing is quasi volledig verdwenen waardoor het landschap zeer open is geworden. Alleen langs de Klijtgatbeek, in de buurt van de Blauwepoort-hoeve, komen enkele verspreid staande knotbomen en een klein bosje voor. Walgrachten zijn verdwenen en de nog bewaarde wederopbouwhoeves worden geflankeerd door grote stapelruimten en stalconstructies. Door de geringe en verspreide bebouwing en het open landschap heeft men vanaf de hogergelegen zuidrand van het gebied een wijds zicht op Ieper. Enigszins in contrast tot de moderne landbouwvoering valt hier en daar nog het gebruik op van gerecycleerd oorlogsmateriaal bijvoorbeeld gekrulde staalstangen of restanten van smalspoorstaven gebruikt als weidepalen. Een fractie van het deelgebied, tussen de Verbrandmolenstraat en de Vaartstraat maakt deel uit van het provinciaal domein De Palingbeek. Hier zijn ondertussen de meeste akkerpercelen bebost.

Kern Voormezele

De oudste vermelding (961) luidt ‘Formesela’. Een der heren van Voormezele, Isaac, stichtte er in 1068 een college van wereldlijke kanunniken, dat in 1100 tot een Augustijnenabdij door Jan van Waasten, bisschop van Terwaan, werd omgevormd. Karel de Goede begiftigde de instelling in 1119 met een uitgestrekt gebied, toen Sadalt geheten, dat door de monniken in cultuur werd gebracht. In 1566 werden de kloostergebouwen, die in de loop van de 13de eeuw opgetrokken waren, door de hervormers verwoest. De heropgebouwde abdij werd tijdens de Franse Revolutie verwoest. Alleen de kerk, die ook dienst deed als parochiekerk, werd tussen 1807 en 1811 herbouwd. De grondvesten van de abdijgebouwen werden tijdens opgravingen van 1989 tot 1991 ten oosten van de huidige parochiekerk teruggevonden. Deze vondsten leidden tot de reconstructie van de bouwplannen van de augustijnenabdij gespreid over vier bouwfasen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Voormezele volledig met de grond gelijkgemaakt. De talrijke Britse militaire begraafplaatsen, overwegend buiten de dorpskern gelegen (behalve Voormezele Churchyard) getuigen van het oorlogsgeweld. Na de Eerste Wereldoorlog werd het dorp naar het vooroorlogse aanlegplan wederopgebouwd. De dorpskom wordt gevormd door de driesprong van Voormezele-Dorp-Wijtschaatsestraat en St.-Elooisweg. De parochiekerk domineert de omgeving en situeert zich in de hoek van Voormezele-Dorp en de Sint-Elooisweg. Na de Eerste Wereldoorlog werd de kerk samen met de pastorie wederopgebouwd naar een ontwerp van architect J. Coomans (Ieper) van 1923. Op het omringend kerkhof dat deels is afgezet met muur en doornhaag, staat een indrukwekkend grafmonument van de familie de Geus. De bebouwing in het centrum bestaat nog voor een aanzienlijk deel uit wederopbouwarchitectuur die aansluit bij de 19de eeuwse dorpsarchitectuur. Het gaat daarbij vooral om breedhuizen van één tot twee bouwlagen onder pannen zadeldaken. De wederopbouw van het gemeentehuis, de gemeenteschool met onderwijzerswoning, het klooster met feestzaal en enkele hoeves werden ontworpen door de architecten E. Richir en G. Veraart (Brussel).

Bosrijk gebied heuvelrug Wijtschate-Hollebeke

Dit deelgebied wordt in het oosten begrensd door de contour van de ankerplaats zelf. In het westen volgt de grens grotendeels de Kroonaard- en Voormezelestraat, of loopt hiermee enigszins parallel om vervolgens even ten zuiden van de Bollaartbeek tot nabij Sint-Elooi te lopen. In het noorden wordt het gebied begrensd door het Verwezen Kanaal. De heuvelrug is hier in hoofdzaak west-oost georiënteerd en tot het midden van de 19de eeuw was deze grotendeels bebost. Hier en daar, langs de enkele aanwezige wegen, bevonden zich landbouwnederzettingen. Sommige hoevegebouwen waren omgeven door een walgracht. Onregelmatigheden in het reliëf verwijzen soms nu nog naar de defensieve elementen (wal en gracht) die kenmerkend waren voor deze versterkte hoeves. In het Wijtschatebos liggen restanten van een vermoedelijke castrale motte uit de volle middeleeuwen. Bij de hoeves waren bijna altijd boomgaarden aanwezig en in de onmiddellijke nabijheid ervan situeerden zich het merendeel van de akkerpercelen. Graslanden kwamen nauwelijks voor; alleen stroomafwaarts de Diependalebeek was de vallei ingenomen door een aanzienlijke oppervlakte ervan. Vermoedelijk waren ze als hooiland in gebruik.

Tussen de Brugstraat en de Eekhofstraat was de bosoppervlakte medio 19de eeuw al aanzienlijk verminderd om plaats te ruimen voor akkerlanden. Nabij Wijtschate waren de bossen teruggedrongen tot vooral gleyige zandleem-, leem- of kleibodems vaak met een klei-zandsubstraat op geringe diepte. In het resterende bos werd in de loop van de 19de eeuw meer en meer naaldhout aangeplant zodat ook het uitzicht ervan aanzienlijk wijzigde.

Begin 20ste eeuw restten alleen nog een viertal grote bosfragmenten, die tot op vandaag zijn bewaard gebleven. Het zijn, ten noordwesten van Wijtschate en van west naar oost de bossen nabij de Kapelleriehoek-Ma Campagne (21ha), het Croonaertbos-‘Bayernwald’ (23ha) en twee bossen (Huikerbossen) ten oosten van de Rijselstraat, nabij ‘Padhoek’. Deze bossen benadrukken de oriëntatie van de rug in het landschap. Ze behoren in hoofdzaak tot het zure eikenbostype waarin vaak naaldbomen zijn aangeplant. De kruidlaag wordt gedomineerd door adelaarsvaren en/of bramen. Adelaarsvaren in de wegberm van de Hollebekestraat herinnert er aan voormalig bos. In de bossen bij Kapelleriehoek (Petit Bois en Wijtschatebos) en in het Croonaertbos zijn tevens goed ontwikkelde fragmenten eiken-haagbeukbos aanwezig. Dit bostype kent een karakteristiek voorjaarsaspect met onder meer wilde hyacint.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog lagen de bossen nabij Wijtschate in de frontlinie van de zuidelijke Ieperboog waardoor ze zwaar werden beschadigd. Het Croonaertbos had dankzij de hoogteligging (+50 tot +60m TAW) een strategische betekenis. Al in 1914 werd door Duitse en Franse troepen om deze plaats slag geleverd. In november 1914 stabiliseerde de frontlijn ten oosten van deze bossen. In de bosranden bouwden de Duitsers hun verdedigingsstellingen uit. Op de eerste linie lagen ‘Bayernwald’ en ‘Petit Bois’, in de tweede linie volgden Croonaert en Wijtschatebos. Het front bleef hier opvallend lang stabiel, van november 1914 tot juni 1917. Samen met het gebied ten zuiden van Wijtschate ontwikkelde zich hier de ondergrondse oorlog, die op 7 juni 1917 in de Mijnenslag culmineerde. ‘Bayernwald’ is een oorlogssite ontsloten voor het publiek, met Duitse mijnschachten, bunkers en gereconstrueerde loopgraven. Een andere belangrijke plaats was Sint-Elooi, dat de meest vooruitgeschoven punt in de Duitse frontlinie rond Ieper was en dus een fel bevochten zone. Zowel geallieerden als Duitsers lieten zich niet onbetuigd in het plaatsen van ondergrondse mijnladingen. De eerste mijn werd in maart 1915 onder geallieerde stellingen tot ontploffing gebracht. De volgende maanden zouden er langs beide zijden nog tientallen volgen. Op 27 maart 1916 werden Duitse stellingen opgeblazen en volgde een hevige strijd die uiteindelijk geen terreinwinst opleverde maar wel ruim duizend slachtoffers langs beide kanten. Twee mijnkraters van die dag zijn nu private visvijvers geworden. Langs de Rijselseweg, achter ‘Le Chalet de la Mine’, is een andere krater te bezichtigen: ‘Victoria Crater’. Deze is het restant van één van de negentien dieptemijnen die tijdens de Mijnenslag van 7 juni 1917 tot ontploffing werd gebracht. Vlakbij de krater is eveneens een Britse mitrailleurspost te zien. Een andere getuige van deze oorlogsepisode is de ‘Croonaert Chapel Cemetery’. Meer naar het zuiden, voorbij de begrenzing, ligt in het gelijknamige gehucht ook nog het ‘Oosttaverne Wood Cemetery’ (1.121 graven).

Gezien de strategisch belangrijke positie is het niet verwonderlijk dat vandaag nog tal van constructies zijn aan te treffen die herinneren aan de woelige periode van de Eerste Wereldoorlog. Behalve de site ‘Bayernwald’ en de al vermelde mijnkraters zijn de restanten te zien van enkele Duitse, mogelijk Britse verdedigingsconstructies, waaronder de hoeve en het bosje ‘Onraet Farm’ respectievelijk ‘Onraet Wood’, of ‘Grenz-Hof’ respectievelijk ‘Grenz Wald’. In het Wijtschatebos zijn verschillende betonnen constructies en andere sporen aanwezig onder meer de ‘Dietrich’-mijnschacht, een loopgraaf en een bomput. In de Huikerbossen (Wijtschate), is nog een langwerpige Duitse betonconstructie te zien die tegen de valleiflank is aangebouwd. Een Britse betonnen schuilplaats lag iets ten noorden van de ‘Damm-Strasse’, zoals de toegangsweg tot het kasteel van Hollebeke (waarvan resten in het golfterrein, buiten begrenzing ankerplaats) werd genoemd. Het tracé van deze historische weg laat zich vandaag in het landschap nog enigszins aflezen als een ondiepe, langgerekte, soms als grasland gebruikte depressie waarvan lokaal het talud begroeid is met een enkele struik of boom.

Vandaag hebben de bossen in dit deelgebied nog altijd een beeldbepalende rol. Ze accentueren de heuvelkam en dragen bij tot het gesloten, intieme karakter van de zone onmiddellijk ten noorden van Wijtschate dorp. De uitgesproken reliëfverschillen en de graslanden langs de Diependalebeek versterken dit karakter evenals de bomenrijen langs de Armentierse weg en de Rijselstraat. De uitgesproken reliëfverschillen zorgen er tevens voor een aantal bijzondere zichten. Meer naar het oosten is het landschap opener en domineren vooral uitgestrekte akkerpercelen het landschapsbeeld. Graslanden zijn beperkt tot enkele hierdoor geaccentueerde kleine (beek)dalhoofdjes op de zuidflank van de heuvelrug en enkele grote huisweidekavels. Bewoning is schaars en beperkt tot vooral landbouwbedrijven langs de Eekhofstraat en Hollebekestraat. De meeste hoeves zijn heropgebouwd volgens de wederopbouwarchitectuur bijvoorbeeld het Diepemeershof in 1926; vermoedelijk naar een ontwerp van architect C. Schmidt (Poperinge). In het meest oostelijk deel van het gebied, vanaf de Hollebekestraat, zijn er in zuidoostelijke richting vergezichten naar de Leievallei (Komen-Wervik) en de Rijselse metropool die door hoogbouw wordt gekenmerkt. Vanaf de Eekhofstraat (ca. +60m TAW) zijn er vergezichten naar Ieper (noord) en de West-Vlaamse heuvels.

Kern Wijtschate

De vroegste vermelding van Wijtschate is ‘Widisgatis’ in 961, maar de vondst van een Romeinse muntschat duidt aan dat er ook voordien al bewoning moet zijn geweest. In de 16de eeuw had Wijtschate veel te lijden onder de geuzen, de kerk werd gedeeltelijk vernield in 1566 en de bevolking vluchtte. Ook in de 17de eeuw diende de bevolking te vluchten. Tussen 1672 en 1713 maakte Wijtschate deel uit van het Franse koninkrijk.

De verwoeste dorpskern werd na de Eerste Wereldoorlog volledig wederopgebouwd naar vooroorlogse aanleg. De dorpskom wordt gekenmerkt door een centraal rechthoekig marktplein met kiosk. Ten noorden hiervan situeert zich het hoger gelegen Kerkplein met de Sint-Medarduskerk die omstreeks 1925 in eclectische stijl werd wederopgebouwd naar ontwerp van Leborgne Architectes (Charleroi). De bouwstijl wijkt sterk af van de vooroorlogse laatgotische tweebeukige hallenkerk. De kerktoren heeft een belangrijke bakenfunctie voor de omgeving. De bebouwing is heden hoofdzakelijk geconcentreerd langs de belangrijkste toegangswegen tot het dorpscentrum. Er is enige lintbebouwing in westelijke richting, langs de Wijtschatestraat.

Historisch landbouwgebied tussen Voormezele en Wulvergem

Dit deelgebied situeert zich ten westen van de heuvelrug Wijtschate-Mesen. In het zuiden, westen en het noorden wordt het begrensd door de contouren van de ankerplaats en in het oosten door de heuvelrug Wijtschate-Mesen dit wil zeggen grosso modo volgens de +40m TAW-hoogtelijn hierbij van noord naar zuid gedeeltelijk de Kroonaardstraat, Voormezelestraat en Katteputstraat volgend.

Op de heuvelkam ligt het hoogste punt van het deelgebied (+75m TAW) nabij de Spanbroekmolenkrater of de zogenaamde ‘Pool of Peace’. De kam is tevens de bodemkundige grens tussen de zandleem- en de leemstreek. Het reliëf is geprononceerd nabij de heuvelrug. De hellingen zijn steil en overwegend noord tot noordwest georiënteerd. Tussen de Gremmerslindestraat, Wijtschatestraat en naar de Oosthoekstraat toe daalt de hoogteligging snel van +70m tot ca. +40m TAW. Ten noorden van de Oosthoekstraat is de daling veel minder uitgesproken, van +40m naar +30m TAW, en is het landschap vlak tot zwak en breed golvend. De Wijtschatebeek, met bronnen nabij de heuvelkam, heeft hier, ten noorden van Vierstraat, een meanderende bedding.

In het zuidelijk deel is de geomorfologische gesteldheid het resultaat van de eroderende werking van de Stuiverbeek, waarvan de bronnen zich situeren tussen +50m en +60m TAW, even ten zuiden de heuvelrug Kemmel-Wijtschate. De hoogteligging neemt geleidelijk af in zuidelijke richting, naar de Douvebeek, die op ongeveer +30m TAW ligt. Van west naar oost is het reliëf uitgesproken golvend. De volledige vallei van de Stuiverbeek tot en met de heuvelrug van de oostwaarts gelegen asymmetrische Steenbeekvallei (zie hierna) maakt integraal deel uit van dit deelgebied.

Al in het midden van de 18de eeuw, en vermoedelijk al veel langer, was dit deelgebied door landbouw in gebruik. Alleen op de steilste hellingen of op bodemkundig minder gunstige plaatsen waren kleine bossen aanwezig. Het landbouwgebied van toen was een bocagelandschap dat hoofdzakelijk bestond uit door houtkanten of hagen omzoomde akkerpercelen, onverharde wegen en de Wijtschatebeek. Verspreid in het gebied waren talrijke hoeves aanwezig die zonder enige uitzondering omgeven werden door omvangrijke boomgaarden. Graslanden waren slechts beperkt aanwezig en in hoofdzaak beekbegeleidend. De meeste grotere hoeves waren vaak ook door een walgracht omgeven. Ondanks de defensieve elementen hadden deze versterkte hoeves in de eerste plaats een residentiële functie. De sites met walgracht lagen verspreid in het landschap ingeplant en kenden meestal een vrij grote bewoningscontinuïteit.

Nabij de heuvelkam ter hoogte van de huidige Spanbroekmolenkrater stond de Lokermolen, één van de vijf windmolens die Wijtschate toen rijk was. Tot midden de 19de eeuw kwam er weinig verandering in het landschapsbeeld. In de tweede helft van de 19de eeuw verdween geleidelijk de perceelsrandbegroeiing rond de akkerpercelen. Na 1875 verdwenen ook een groot aantal boomgaarden om plaats te maken voor huisweiden, die nog vaak omgeven waren door hagen, vaak aangevuld met knotbomen en opgaande bomen. Op enkele plaatsen was nog bos aanwezig doch het landschap werd geleidelijk opener. Na de Eerste Wereldoorlog verdwenen ook de laatste boomgaarden samen met de meeste hagen en (knot-)bomen rond de graslanden waarvan het areaal afnam ten voordele van akkers, die meer en meer verenigd werden tot grote gebruiksblokken.

Het actuele landschap wordt gekenmerkt door een grote openheid met wijdse zichten onder meer vanaf de waterscheidingskam richting Ieper (noord) en richting Douvevallei (zuid) en vanaf de Kemmelse weg richting Wijtschate en Mesen. Blikvangers en bakens in het landschap zijn de kerktorens van Wijtschate en Mesen. Door hun ligging op de hoogste toppen van de heuvelrug en door hun kenmerkend bouwplan vallen ze in de ruime omgeving zeer goed op. In het noordelijk deel is het kleinschalig, gesloten karakter nog fragmentair aanwezig langs de Wijtschatebeek. Langs de zuidgrens van het gebied volgt de weg tussen Wulvergem en Mesen het tracé van een Romeinse heirbaan van Cassel naar Kortrijk.

In het oosten van het deelgebied, langs de Voormezelestraat, zijn de getuigen aanwezig van de Mijnenslag van 7 juni 1917. Met de ontploffing van negentien dieptemijnen tussen Hill 60 en ‘The Birdcage’ (ten zuiden van Waasten) probeerden de geallieerden het enorme strategische voordeel van de Duitse troepen die de heuvelrug bezetten, ongedaan te maken. Tijdens de daarop volgende gevechten veroverden Britse (onder meer Ierse), Australische en Nieuw-Zeelandse eenheden de heuvelkam Wijtschate-Mesen. Van de mijnontploffingen rest vandaag een kraterlijn van nog veertien grote en iets kleinere cirkelvormige vijvers en depressies van de Katteputstraat in het zuiden (‘Ontario Farm’ of ‘Backhof’) over de Kruisstraathoek naar de Spanbroekmolenput en verder noordwaarts bij Petit Bois dat op Duitse militaire stafkaarten aangeduid werd als ‘Mark Wald’ en enkele kleinere bij de Hollandse Schuur. De meeste zijn vijvers van het voedselrijke type en een belangrijk biotoop voor verschillende soorten amfibieën.

De Spanbroekmolenput, door de Britten ‘Lone Tree Crater’ genoemd, is een oorlogsmonument en valt nu in het landschap op door de struweelbegroeiing op de hoger gelegen randen. Meer zuidelijk zijn de mijnkraters minder duidelijk. De ‘Ontario Crater’ had bij de ontploffing een diameter van 61m, maar nauwelijks een diepte als gevolg van de bodemgesteldheid (dikke laag ondergronds drijfzand). Na de oorlog werd een hoeve op de site heropgebouwd. Vandaag is daardoor nog nauwelijks iets te zien van deze krater. De eerder kleine militaire begraafplaatsen van Lone Tree Cemetery (Kruisstraat) en Spanbroekmolen Cemetery, nabij de gelijknamige krater, vallen niettemin in het landschap op door de opgaande bomen en lage bouwwerkjes aan de ingang en aan de hoeken van de begraafplaatsen.

Valleigebied Steenbeek

Het valleigebied van de Steenbeek sluit in het westen aan bij het vorige deelgebied. Het wordt in het noorden en oosten begrensd door de contouren van de ankerplaats. In het zuidoosten ligt de grens op de Armentieresteenweg. De oostelijke valleihelling van de Steenbeek is hier opmerkelijk steil en diep ingesneden door beken en enkele droge valleien. De steile flanken liggen voor een groot gedeelte onder weiland waardoor ze in het overigens door akkerland gedomineerde open landschap des te meer opvallen en voor een markante terreinovergang naar de heuvelrug zorgen. De ondiep aanwezige tertiaire klei- en zandlagen en de hiermee samenhangende bodemgesteldheid is aan deze situatie niet vreemd: uitgesproken aanwezigheid van kleigronden met niet bepaalde profielontwikkeling, naast sterk gleyige leemgronden. Langs de Steenbeek zijn hier en daar ook nog mooie intacte stroken met begeleidende (knot)bomen en struiken aanwezig die de beekloop in het landschap accentueren. De belangrijkste boomsoorten zijn zwarte els, schietwilg (vaak geknot) en populier, en eerder uitzonderlijk geknotte es.

Het landschap is in de loop van de voorbije twee eeuwen opener geworden, maar de dominante patronen zijn behouden gebleven. In de tweede helft van de 18de eeuw flankeerde een nagenoeg ononderbroken brede strook grasland de beekloop soms met uitlopers op de valleiflank. De steilste stukken waren nog met bos bezet (onder andere nabij ’t Helleken) terwijl akkers de heuvelrug en de hoogste delen van de helling domineerden. De akkerpercelen werden door hagen begrensd. Hoeves waren schaars verspreid en door boomgaarden omgeven. Even ten zuidwesten van Wijtschate, in de buurt van de huidige Wulvergemstraat, stond een tweede windmolen.

Samen met het verdwijnen van hagen, boomgaarden en bos werd het landschap geleidelijk opener. Vooral na de Eerste Wereldoorlog werd het landschap aanzienlijk kaler. Illustratief hiervoor is de vergelijking tussen een oorlogsfoto uit 1915 genomen vanaf ‘Le Rossignol’ (Mesen) en de huidige situatie. Bij het begin van de oorlog waren de vallei- en hellinggraslanden nog dikwijls begrensd door (knot)bomenrijen en hagen. Tuinen en huisweiden waren eveneens omgeven door hagen. Maar op verschillende plaatsen zijn ook al weideafsluitingen zichtbaar, mogelijk met gebruik van prikkeldraad.

De huidige ligging van graslanden en akkers weerspiegelt nog in aanzienlijke mate het 18de-eeuwse landgebruik. Nochtans staat het graslandareaal onder druk: weilanden worden genivelleerd, gescheurd en frequenter heringezaaid of omgevormd naar akkers die dan niet zelden tot grote gebruiksblokken worden verenigd. De nog schaars aanwezige kleine landschapselementen verdwijnen en dreigen ecologisch volledig geïsoleerd te worden. De overigens schaarse en verspreid aanwezige bewoning bestaat voor een aanzienlijk deel uit hoeves. Onder meer het zogenaamde ‘Neerhof’ of ‘La Bassecour’, voorheen ‘La petite Douve’en het ‘Molenhof’ of ‘Ferme du moulin’ genoemd naar de hier voor de Eerste Wereldoorlog gesitueerde houten windmolen of de ‘Abdijmolen’, zijn wederopbouwhoeves. Ze zijn opgetrokken in de typische bouwtrant van de hoeve-eigendommen van het Koninklijk Gesticht van Mesen, gekenmerkt door geaccentueerde streekeigen bouwelementen.

Door het uitgesproken reliëfverschil had dit deelgebied een belangrijke strategische betekenis. Om het bezit van de heuvelrug (Messines Ridge) werd dan ook fel strijd geleverd tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de Mijnenslag van 7 juni 1917 (zie supra) werd Mesen veroverd door de Nieuw-Zeelandse divisie, gesteund door Australische eenheden. Langs de Nieuwkerkestraat ligt de begraafplaats ‘Messines Ridge British Cemetery’. Deze begraafplaats werd na de oorlog aangelegd met graven uit de omliggende slagvelden en kleinere begraafplaatsen. De meerderheid van de soldaten stierf in 1917. Bij de toegang staat het ‘Memorial to the missing’ dat is geplaatst op de plek waar vroeger de Hospiesmolen stond, de windmolen van de nabijgelegen boerderij. Op het gedenkteken staan de namen van 839 Nieuw-Zeelanders die vermist raakten tijdens de gevechten rond Mesen in 1917-1918. In het New Zealand memorial Park (Nieuwzeelanderstraat) staat een gedenkzuil ter herinnering aan de Nieuw-Zeelandse divisie. Er zijn ook twee Duitse betonnen bunkers bewaard gebleven, die konden fungeren als mitrailleurspost. Zij markeren de positie van de 1ste Duitse linie op 7 juni 1917 en maakten deel uit van het Duitse verdedigingssysteem dat op Britse militaire stafkaarten aangeduid staat met ‘Uhlan’.

Het ‘Island’ of ‘Ireland Peace Park’ (Armentieresteenweg, ingehuldigd 1998), tegen de flank van Messines Ridge wil een nationaal gedenkteken zijn om alle Ieren die omkwamen in de Eerste Wereldoorlog te herdenken en dit zonder rekening te houden met afkomst, religie of militaire eenheid. Het verwijst eveneens naar de Mijnenslag van juni 1917 toen de 16de (Ierse) en 36ste (Ulster) divisie, in eigen land gezworen vijanden, naast elkaar werden ingezet in de omgeving van Wijtschate. De ronde vredestoren in het midden van het park is door de plaats en de hoogte ervan een belangrijk baken in het omgevende landschap.

Kern Mesen

Mesen was op het hoogtepunt van zijn macht in de 11de-12de eeuw. Het had toen een belangrijke lakenindustrie. In de 15de eeuw was er een laatste heropbloei van deze industrie en werden verschillende belangrijke gebouwen, waaronder het toenmalige stadhuis, opgetrokken. Nadien verpauperde de stad. Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag Mesen in de frontlinie (‘Messines Ridge’) en werd het volledig verwoest.

De wederopbouw van de stad resulteerde in een ‘doorsnee-wederopbouwarchitectuur’ die in vergelijking met het vooroorlogse uitzicht ‘schraler’ is. In Mesen waren een tweetal bekende architecten aan het werk. Charles Patris ontwierp de kerk, de pastorie, het stadhuis en de gemeentescholen. Alfred Knein ontwierp een tiental woningen. Een aanzienlijk deel van de wederopbouwwoningen in het centrum is bewaard gebleven en geeft Mesen een eigen identiteit. Het huidige stadhuis van Mesen sluit aan bij de typologie van stad- en gemeentehuizen die systematisch heropgebouwd werden na de Eerste Wereldoorlog. Met het oog op uitstraling en representativiteit werd extra aandacht besteed aan de inplanting en vormgeving van de openbare gebouwen, waardoor niet altijd het vroegere voorkomen gerespecteerd werd. Dit is ook het geval voor Mesen, waar het naoorlogse gemeentehuis aan de andere Marktzijde, en feitelijk buiten de historische stadskern, werd ingeplant.

Op de Grote Markt van Mesen was al sinds de 12de eeuw een drenkput aanwezig die aan drie zijden ommuurd was en een opening had langs de marktzijde. Deze was gekend als ‘De Flossche’. De drenkput deed dienst tot aan de Eerste Wereldoorlog. Bij de wederopbouw van het plein in de jaren 1920 werd deze ‘vijver’ niet meer heraangelegd. Op het marktplein van Mesen herinneren verschillende items aan de Eerste Wereldoorlog: er is de gedenksteen voor de militaire slachtoffers aan de oostkant van de markt. Meer centraal op het marktplein staan de boom, geschonken door de Nieuw-Zeelanders, de ‘Bastiaanplaque’ en de Japanse vredespaal. De Sint-Niklaaskerk, met een opvallende koepelvormige toren,vormt een opmerkelijk baken in het landschap en grenst aan één zijde aan het open landbouwlandschap. In de 12de eeuw werd reeds een kerk opgetrokken in ijzerzandsteen. Pas in 1923 werd begonnen met de wederopbouw. Bij de wederopbouw stootte men op de romaanse crypte met gedenkplaat ter ere van gravin Adela van Frankrijk die de abdij stichtte (11de eeuw). De crypte werd heropgebouwd en vervolgens ook de bovenkerk. In de 1938 was het werk voltooid en werd de kerk opnieuw ingewijd.

Zuidflank van Mesen en Douvebeekvallei

Dit deelgebied omvat de meest zuidelijk gelegen helling van de heuvelrug Wijtschate-Mesen, tevens de noordflank van de Douvebeekvallei. De begrenzing volgt hier in hoofdzaak de contouren van de ankerplaats behalve in het westen waar het aansluit op het deelgebied met de vallei van de Steenbeek.

De Douvebeekvallei wordt gekenmerkt door beekbegeleidend grasland met soms nog relicten van (knot)bomenrijen en hagen. Ten oosten van Steenbrug zijn deze kenmerken nog enigszins bewaard, ten westen hiervan is op Vlaams grondgebied nog nauwelijks grasland aanwezig. De Douvebeek vertoont hier een meanderend verloop. Uit een aantal oorlogsfoto’s blijkt de aanwezigheid van knotbomen en opgaande bomen langs de beekoever. Deze werden echter door het oorlogsgeweld zwaar beschadigd. De steenbrug is de aloude oversteekplaats van de Douve op de Rijselstraat, vandaag een gemetselde brug over de beek. In tegenstelling tot de oostflank van de Steenbeek is de zuidelijke valleiflank van de Douvebeek minder steil en overwegend als akkerland in gebruik.

Het huidige landschapsbeeld weerspiegelt nog grotendeels de belangrijkste grondgebruikspatronen uit de tweede helft van de 18de eeuw dat toen overwegend bestond uit akkerland in het westelijk en oostelijk deel van het gebied, centraal gescheiden door lange noord-zuid gerichte strook met boomgaarden en een weinig grasland ten zuidoosten van de Sint-Niklaaskerk. Alle percelen waren omgeven door perceelsrandbegroeiing. Vandaag resten hiervan alleen nog hagen rond enkele van de hoogst gelegen graslanden, terwijl ook het graslandareaal vooral de voorbije jaren beduidend verminderd is. De enigszins merkwaardige ligging van boomgaarden en graslanden was het gevolg van de bodemcondities met name de aanwezigheid van kleigrond (nabij Steenbrug) of van een kleilaag of klei-zandcomplex op geringe diepte (in het noorden nabij de stadsrand). In het overigens eerder open landschap vormt de Sint-Niklaaskerk van Mesen met haar markante toren een opvallend baken. Elders dragen enkele typische wederopbouwhoeves in de typische bouwtrant van de hoeve-eigendommen van het Koninklijk Gesticht van Mesen bij aan de eigenheid van het landschap, met name de Hoeve ‘De Twaalf bunders’, de ‘Nazarethhoeve’ en de ‘Bethléemhoeve’.

Binnen dit deelgebied zijn langs de Rijselstraat twee kleinere begraafplaatsen uit de Eerste Wereldoorlog gelegen: respectievelijk Betlehem Farm West en East Cemetery. Ze werden allebei door de 3de Australische divisie aangelegd na de Mijnenslag van 7 juni 1917. Een merkwaardig monument is het Kruisbeeld geflankeerd door twee gewone essen en langs de voorkant omgeven door gerecupereerde zandstenen trommels en zuilen, gelegen nabij de de Rijselstraat en Waastenstraat. Het werd opgericht door het Koninklijk Gesticht van Mesen in 1936 ter vervanging van de vooroorlogse calvarie van 1686 aan de oever van de Douvebeek.

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.

  • BULCKAEN T., LIEFOOGHE M., SCHMITZ D. & UYTTENHOVE P. 2008: Omgaan met de wederopbouwarchitectuur in de frontstreek van ‘14-18’. Ieper en Heuvelland, Labo S Vakgroep Architectuur en Stedenbouw Universiteit Gent, rapport i.o.v. Stad Ieper, Provincie West-Vlaanderen, 199.
  • BEUN J. 2003: Mesen graag gezien - Mesen d'Antan, uitgeverij De Klaproos, Koksijde.
  • CHIELENS P., DENDOOVEN D. & DECOODT H. 2006: De laatste getuige. Het oorlogslandschap van de Westhoek, Lannoo, Tielt, 256.
  • COSYNS E., DE MOOR J. & SAELENS S. 2012: Geclusterde ankerplaatsen Ieperse regio met aanvullende inventarisatieronde wederopbouwarchitectuur, Westvlaamse intercommunale i.o.v. van agentschap Onroerend Erfgoed.
  • GEURST J. & BALJON L. i.s.m. VAN DIJK T., DE GRAAF J., MEIRE J. & UYTTENHOVE P. 2012: ‘Herinneringspark 2014-18’, masterplan opgesteld i.o.v. agentschap Onroerend Erfgoed, Projectsecretariaat 100 jaar Groote Oorlog (2014-18), 232.
  • HANECA K., DEWILDE M., ERVYNCK A., BOEREN I., BEECKMAN H., GOETGHEBEUR P. & WYFFELS F. 2009: De ‘houten eeuw’ van een Vlaamse stad. Archeologisch en dendrochronologisch onderzoek in Ieper (prov. West-Vlaanderen), Relicta 4, 99-134.
  • HEYN M. & VERBOVEN H. 2011: Heuvelland en Mesen. Een voorlopig voorstel van WO I-’lieux de mémoires’, Onroerend Erfgoed, Intern rapport (werkversie, januari 2011, inclusief aanpassingen).
  • HUIGENS E., VAN DEN ABEELE J.-F i.s.m. ZWAENEPOEL A., COSYNS E., TERMOTE J., LE COEUR A., DEBAILLIE C., DELDAELE P. 2008: Landschap zonder grenzen: een kwaliteitsimpuls. Historisch onderzoek naar het traditionele bocagelandschap in de Belgische Westhoek en in Frans-Vlaanderen, i.o.v. Regionaal Landschap West-Vlaamse Heuvels vzw, Ieper, 192.
  • JACOBS P., DE CEUKELAIRE M. & SEVENS E. 2001: Toelichting bij de geologische kaart van België Vlaams Gewest. Kaartblad 27-28-36. Proven-Ieper-Ploegsteert 1:50.000, Belgische Geologische Dienst en Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie, Brussel, 68.
  • OPSTAELE B. & BERTEN D. 2012: Geïntegreerd beheerplan Ieperboog met bosreservaat Zwarte Leen en Vlaams natuurreservaat Bassevillebeek, rapport Grontmij nv i.o.v. Provincie West-Vlaanderen, i.s.m. Agentschap voor Natuur en Bos en Bosgroep Ijzer en Leie. 192 + bijlagen.
  • OSTYN G. 1988: Een historische blunder met landschappelijke gevolgen, Documentatiemap Landschapsonderzoek 16, 3-25.
  • RONSE A. & RAISON T. 1918: Fermes-Types et constructions rurales en West-Flandre. Plans, coupes, reproductions photographiques, Brugge.
  • RÖVEKAMP C. & MAES B. 2000: Oorspronkelijk inheemse bomen en struiken in het Regionaal Landschap Westvlaamse Heuvels. Een onderzoek naar autochtone genenbronnen, Rapport i.o.v. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Bos en Groen.
  • SCOTT M. 1992: The Ypres Salient. A guide to the cemeteries and memorials of the Salient, Norwich-Norfolk, Gliddon Books.
  • TACK G., VAN DEN BREMT P. & HERMY M. 1993: Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, Davidsfonds Leuven, 320.
  • VAN DEN EECKHAUT M. & POESEN J. 2009: Uitbreiding (fase 3) van de gevoeligheidskaart voor grondverschuivingen in Vlaanderen. Rapport i.o.v. van Vlaamse Overheid, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen, 169.
  • VERBOVEN H. & TROCH P. 2011: Ieper. Een voorlopig voorstel van WO I-’lieux de mémoires’. Onroerend Erfgoed, Intern rapport (werkversie, augustus 2011, inclusief aanpassingen).
  • VERBOVEN H. 2011: Zonnebeke. Een voorlopig voorstel van WO I-’lieux de mémoires’, Onroerend Erfgoed, intern rapport, werkversie inclusief aanpassingen.
  • VERBOVEN H. e.a. 2012: Syntheserapport over de aanpak, methodiek, resultaten en aanbevelingen van het WO I erfgoed onderzoek, intern rapport Onroerend Erfgoed, 129.
  • ZWAENEPOEL A. & DOCHY O. 2003: Ontwerp-ecosysteemvisie voor het West-Vlaamse Heuvelland. Onderzoeksopdracht MINA/105/00/01, Aminal afdeling Natuur, 504 Advies graslandbeheer Provinciaal domein De Palingbeek (Ieper).
  • ZWAENEPOEL A., COSYNS E., MAES B. & OPSTAELE B. 2005: Opmaak van een inventaris van autochtone Bomen en Struiken van West-Vlaanderen, Aminal afdeling Bos en Groen.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele hagen als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele knotbomen als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele houtkanten als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele solitaire bomen als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.
  • ZWAENEPOEL A. 2006: Inventaris van traditionele bomenrijen als leidraad voor natuur- en landschapsbehoud en –herstel in West-Vlaanderen, Wvi i.o.v. provinciebestuur West-Vlaanderen dienst Minawa.

Bron     : Aanduidingdossier Ankerplaats 'Ieperse vestingen en omgeving, bossen ten zuiden en heuvelrug Wijtschate-Mesen', definitieve aanduiding 04/07/2013. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Cosyns, Eric, De Moor, Jan, Deventer, Wouter, Himpe, Koen, Saelens, Stijn
Datum  : 2013


Relaties

  • Is deel van
    Hollebeke
    Hollebeke (Ieper)

  • Is deel van
    Ieper
    Ieper (Ieper)

  • Is deel van
    Kemmel
    Kemmel (Heuvelland)

  • Is deel van
    Mesen
    Mesen (West-Vlaanderen)

  • Is deel van
    Voormezele
    Voormezele (Ieper)

  • Is deel van
    Wijtschate
    Wijtschate (Heuvelland)

  • Is deel van
    Wulvergem
    Wulvergem (Heuvelland)

  • Is deel van
    Zandvoorde
    Zandvoorde (Zonnebeke)

  • Is deel van
    Zillebeke
    Zillebeke (Ieper)

  • Omvat
    Eerste Wereldoorlog-slagveld van Bellewaarde Ridge
    Zillebeke (Ieper)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Ieperse vestingen en omgeving, bossen ten zuiden en heuvelrug Wijtschate-Mesen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/135407 (Geraadpleegd op 16-09-2019)