erfgoedobject

Historische stadskern van Leuven

archeologisch geheel
ID: 140040   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140040

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene Beschrijving

De oudste historische kern van Leuven was gelegen aan de kruising van de Dijle met een aftakking van de Romeinse weg Tienen-Elewijt. De middeleeuwse stad ontwikkelde zich op het raakpunt van drie geografische gebieden: de vlakte van laag-België, de heuvelruggen van het Hageland en het Brabants leemplateau en dit in samenhang met de diep ingesneden alluviale vlakte van de waterlopen de Dijle en de Voer met de bijrivieren de Molenbeek en de Leibeek. Over de vele armen van de Dijle blijft nog onduidelijkheid bestaan of ze natuurlijk zijn of werden aangelegd. Ondanks de morfologische verscheidenheid is de stad Leuven concentrisch uitgegroeid waarbij de lage stadsgedeelten in de alluviale vlakten liggen en de hogere op de naastliggende rivierterrassen met steilere hellingen. Het hoogteverschil tussen het diepste punt van de alluviale vlakte (18,50 m TAW) en het hoogste punt aan de zuid-westzijde van de stad, gelegen op een uitloper van het Brabants plateau (43 m TAW) ter hoogte van de tweede ringmuur, bedraagt 24,50 m TAW. Het hoogste punt aan de noordoostzijde bedraagt ter hoogte van de tweede ringmuur 61 m TAW. Aan de zuidzijde van de historische stadskern sluit de vallei van de Molenbeek aan op deze van de Dijlevallei. De vallei van de Voer komt ten zuiden van de stad aan en stroomt dan parallel met de Dijle door de stad om in het noorden ervan er mee samen te vloeien. De volledige historische stadskern van Leuven wordt op de bodemkaart aangeduid als bebouwde zone. De alluviale vlakte van de Dijle ter hoogte van Leuven bestaat uit een bovenlaag van kleiïge leem en leem gronden met een dikte van ca. 5 meter. Deze liggen lokaal op een turflaag van 1 à 2 meter met een basis van een zand- en grindlaag (Desmedt 1980). De rondom Leuven liggende bodems op de heuvels van het Hageland en het Brabants plateau bestaan hoofdzakelijk uit zandige leem en leembodems. Op het gewestplan staat de historische stadskern grotendeels ingekleurd als woongebied, waaronder, vooral in de binnenstad, grote delen met culturele, historische en/of esthetische waarde. Meerdere zones, vooral delen van de huidige boulevards en parken binnen het centrum, zijn ingekleurd als parkzone met als grootste de abdij van Keizersberg en omgeving. De zones rond de vaartkom in het noorden en de stations-buurt in het oosten werden dan weer ingekleurd als gebied voor stedelijke ontwikkeling.

Archeologische nota

De morfologie van de huidige structuur van de historische stadskern van Leuven weerspiegelt goed de ontwikkeling van de pre-stedelijke nederzetting tot een stedelijke stadskern met een eerste omwalling in de 12de en een tweede omwalling in de 14de eeuw die later werd omgevormd tot de huidige ring.

De uitbouw van de eerste stenen ringmuur met torens en poorten gebeurde in 1165. De eerste ringmuur verliep bijna cirkelvormig rond het middelpunt van de 12de-eeuwse stad. Hij was 2750 meter lang, ongeveer 1,7 meter breed en omsloot ongeveer 60 ha. De muur telde 31 waltorens, halfrond uitgebouwd aan de veldzijde, half vierkantig aan de stadszijde. Op de invalswegen waren 11 poorten ingeplant: de Wolvenpoort, de Redingenpoort, de Minderbroederspoort, de Biestpoort, de Minnepoort, de Broekstraatpoort, waarvan resten werden aangetroffen tijdens rioleringswerken in 2014 in de Janseniusstraat (Kenis 2014), de Borchtpoort, de Steenpoort, de Heilige-Geestpoort, de Sint-Michielspoort en de Proefstraatpoort. Het tracé en de afmetingen van de eerste ringmuur zijn dankzij zichtbare relicten en beperkt archeologisch onderzoek zoals in het Hogeheuvelcollege (Lodewijckx e.a. 1993) deels te reconstrueren, maar de juiste ligging, de volledige opbouw van de verdwenen poorten en de juiste periode van bouwen en bouwhistoriek blijven nog steeds onduidelijk (Vandekerchove 2000; Coenegrachts 2010). Een volledige doorsnede van de gracht en wal werd vastgelegd bij de opgravingen bij de bouw van een bankgebouw aan de hoek van de Bondgenotenlaan en de Vital Decosterstraat (Verbeeck 1982) en later in 1988 op het Mgr. Ladeuzeplein (Colen & De Clerck 1998; Derez 1988). De walgracht had een breedte tussen 15 en 18 m en een diepte van 3,5 tot 4 m, naargelang de topografische situatie.

Rond 1356 werd een tweede stadsomwalling aangelegd. Dit betekende bijna een zesvoudige uitbreiding van de oppervlakte binnen de muren (van 60 ha tot meer dan 410 ha). De omwalling had 8 poorten: de Naamsepoort, de Oude Brusselsepoort, de Wijngaardpoort, de Mechelsepoort, de Aarschotsepoort, de Diestsepoort waar tijdens enkele archeologische onderzoeken restanten werden geregistreerd (Vandekerchove 1999, 2000 en 2003), de Tiensepoort, de Parkpoort, met de Grote en Kleine Spuije en de bijzondere torens, de Heksentoren en de Verloren Kosttoren. Van deze tweede stadsomwalling is weinig gekend en archeologisch onderzoek kan hier nuttige informatie leveren. De wallen en grachten domineerden het uitzicht van de stad tot midden 19de eeuw. Op sommige plaatsen zijn de restanten van de aarden wal nog zichtbaar, zoals de ‘Luibank’ aan de Brusselsepoort en de ‘Kastanjeboulevard’ tussen Park- en Naamsepoort.

De ruimtelijke structuur van de historische stadskern werd zowel door de historische omwallingen, poorten en toegangswegen als door de waterlopen bepaald. De eerste omwalling verdween in de 18de eeuw en de tweede omwalling werd bijna volledig geslecht begin 19de eeuw, op twee relicten na, namelijk de ‘Grote Spuije’ en de onderbouw van de Verloren Kosttoren aan de Mechelsepoort. De vesten werden uiteindelijk heringericht tot nieuwe boulevards. De beide ringmuren hebben een stevige stempel gedrukt op de vormgeving van de stad die tot op heden nog zeer goed in het stratenplan en de benaming van de straten merkbaar is.

De Molenbeek, Dijle, Voer en Leibeek liggen mee aan de basis van de uitwerking van de verdediging van de ringmuren, wallen en grachten. Ze vormden samen de ruggengraat van de vallei, de stad. Ook de op het water gelegen sluizen zullen in de loop der eeuwen het debiet van de waterlopen ten gunste van de stad regelen. Waterlopen en sluizen, waaronder de sluizen aan de Grote en Cleyne Spuije, de Voer-Volput, sluis aan de Redingenbrug, de Ursulinensluis, de sluis aan de Minnepoort-Craenendonck, deze aan het Verdeelpunt Dijle-Vunt (Sint-Geertrui), de Sluismolen en de sluis Eendevliet, bepaalden in de loop der eeuwen mee de burgerlijke en industriële ontwikkeling van de stad. Talrijke archeologische sporen van oeverversteviging in hout en baksteen werden aangetroffen en geregistreerd in de Halvestraat (Vandekerchove 1995; Lodewyckx & Vandekerchove 1996) aan de Wieringstraat (Verbeeck 1982), op de hoek van de Wieringstraat en de Drinkwaterstraat (Vandekerchove 1993) en op het Barbarahof (mondelinge mededeling Leuvens Historisch Genootschap). Restanten van sluizen waren in 1995 zichtbaar aan de sluis aan de Redingenbrug (Vandekerchove 1995; Lodewyckx & Vandekerchove 1996).

De eerste vermelding van Leuven, Luanium, vinden we terug in de Annales Vedastini, een document uit het jaar 884 (Gysseling 1960). Ook in de teksten van de wereldkroniek van de abt Regino van Prüm, waarin de gebeurtenissen uit 884 en 886 beschreven worden, wordt Leuven vermeld (in loco qui dicitur Lovon) (Van Even 1895). In Loven staat lo voor bos en ven voor moeras, een moeras in het bos. De naam zou mogelijk teruggaan op het oud-Germaans; lubanja wat ‘de geliefde’ betekent (Gysseling 1960).

Van het pre-middeleeuwse Leuven is zeer weinig geweten. Uit de Romeinse periode zijn enkele vondsten gekend binnen de historische stadskern. Op de opgraving van het Barbarahof (Berkers e.a. 2007; Berkers e.a. 2008; De Maeyer e.a. 2008) en tijdens de werken aan het Erasmushuis in de Bogaardenstraat (Verbeeck 1982) werden enkele munten ingezameld. Romeinse sporen zijn gekend van waarnemingen in de Brusselsestraat (Cramers & Van Impe 1980; Cramers & Van Impe 1981) en van de opgravingen in het Augustijnenklooster (Hanssens 1982).

Vroegmiddeleeuwse vondsten uit de 8ste eeuw zijn alleen gekend uit het grafveld aan de Sint-Lambertuskapel te Heverlee. Midden in het centrum van Leuven, onder de sporen van de latere romaanse Sint-Pieterskerk, werden graven ontdekt die teruggaan tot het begin van de 11de eeuw (Mertens, 1986). De locatie van de versterkte residentie van de Karolingische graaf, vermeld in 870, is nog niet gekend. In 884 hebben de Noormannen Leuven bezet en vernielden er deze oude residentie, waarna ze in de slag bij Leuven in 891 verslagen werden door Arnulf van Karinthië.

Leuven bestond in de beginperiode uit twee kernen, rond de Sint-Pieterskerk en rond de ‘Oude Borgh’ in het moerassig gebied rond het latere Groot-Begijnhof en de Sint-Kwintenskerk. De eerste graaf die in de geschreven bronnen vermeld wordt, is graaf Lambert I (950-1015), die rond 1000 aan de macht kwam en die het graafschap Leuven verder uitbreidde. Graaf Lambert verplaatst in 1014 zijn versterking van de woonkern ten Hove, dat verder uitgroeide tot de Sint-Kwintenparochie, naar een nieuwe residentie op ’s-Hertogeneiland (Van Impe & Cramers 1981), dichter bij het Leuvens handelscentrum. Tijdens opgravingen op het eiland werden bij het uitgraven van een kelder van een nieuw hotel sporen aangetroffen van een gracht en paalsporen van woningen (Van Ransbeeck e.a. 2012).

Godfried I (1063-1139) en zijn opvolgers bouwden verder aan de uitbreiding en de verfraaiing van de stadskern en in 1080 werd, ter hoogte van de Romaanse poort, het Sanctum Hospitale opgericht. Later werd hier het augustinessenklooster gebouwd. Tevens kreeg de groeiende kern een grotere religieuze betekenis en werd in de 11de eeuw het Sint-Pieterskapittel gesticht (1054), de romaanse Sint-Pieterskerk gebouwd en werd aan de oostzijde van de kerk een crypte toegevoegd. Meerdere opgravingen gebeurden in en rond de kerk en leverden gegevens op over de voorloper van de romaanse kerk, de crypte en het grafveld dat zich rond de kerk bevond (Mertens 1986). In 1100 en 1130 trad het Leuvens recht in werking en in 1140 was er al een schepenbank aanwezig. Het handelscentrum werd verder uitgebouwd samen met de uitbouw van de Werf en de Vismarkt waar restanten werden aangetroffen van een kaaimuur en een houten steiger (Hanssens 1982; Verbeeck 1982). Vanaf 1165 krijgt Leuven zijn eerste stenen ringmuur met torens.

Nadat uiteindelijk het graafschap Leuven uitgroeide tot het hertogdom Brabant (1188) werden door hertog Hendrik I in het begin van de 13de eeuw de Tempeliers uitgenodigd om zich te vestigen op de, toen nog buiten de stad gelegen, Keizersberg en laat hij hier in 1232 een nieuwe burcht bouwen. In 1943-1944 werden restanten blootgelegd van de burcht en in 2011 werd het toegangspad tot de burcht onderzocht (Reygel & Wesemael 2011; Reygel & Wesemael 2012; Wesemael 2011). Na een archeologische evaluatie van deze belangrijke site werd de zone in 2014 beschermd (Sevenants e.a. 2010; Cousserier 2004).

In deze periode worden talrijke openbare gebouwen opgericht waaronder het Broodhuis in 1140, het Muntatelier in 1156, de Lakenhalle in 1193 (waar in 2004 een kleine archeologische ingreep gebeurde; Lodewijckx & Wouters 2004), het Vleeshuis in 1216, de Vismarkt en het Korenhuis. In 1230 en 1232 en worden respectievelijk het Klein Begijnhof en Groot Begijnhof opgericht. In het eerste werd in 1965/1966 de oude infirmerie opgegraven (Verbeeck 1982). Ook zorginstellingen zoals de Tafel van de Heilige Geest en het Gasthuis Sint-Laurentius vonden hun oorsprong in de 13de eeuw. Verder werden door de hertog kloosterorden uitgenodigd om zich in Leuven en omgeving te vestigen. Zo vinden we binnen de stad het minderbroedersklooster (1233), het augustijnenklooster uit 1248 (waar in 1996 een kleine archeologische registratie plaatsvond; Vandekerchove 1996; Vandekerchove 1997) en het wittevrouwenklooster (1248) terug. De stad wordt op dat ogenblik in vijf parochies ingedeeld: Sint-Pieter, Sint-Kwinten, Sint-Jacob, Sint-Michiel en Sint-Geertrui (1252).

In het begin van de 14de eeuw ontwikkelde de stad zich bijzonder snel, onder meer door zijn gunstige economische ligging op de kruising van de aftakking van de grote handelsweg Keulen-Brugge met de Dijle. Leuven, als centrum van het Hertogdom Brabant, kende een sterke economische bloei, vooral van de lakenindustrie die begon in 1250, toen talrijke textielarbeiders vanuit Vlaanderen naar Leuven trokken. Hierdoor werden talrijke handelsgebouwen opgericht. De bebouwing was niet aaneengesloten, maar ertussen waren er tuinen en wijngaarden. Door deze economische en bevolkingsgroei werd de eerste stadsomwalling te klein en werd in 1356 een tweede stadsomwalling gerealiseerd. Door sociale spanningen en onrust (zoals de opstand in 1378 onder leiding van Pieter Coutereel), de Brabantse Successieoorlog (1355) en het rijker worden van Brussel en Antwerpen verminderde de plaatselijke productie in de lakenindustrie en wijnhandel en kende Leuven een economische crisis.

In de 15de eeuw kende Leuven een heropbloei en konden de nijverheden opnieuw uit een dal klimmen. Naast de talrijke ambachten, die al in de 12de eeuw actief waren, de leerlooiers, handschoenmakers en metaalbewerkers (vanaf de 13de eeuw) en pottenbakkers (vanaf de 14de eeuw), kwam er een verdere ontwikkeling van ambachten met lederbewerking (Cramers & Van Impe 1981), ververijen, brouwerijen (Vandekerchove, 1996) wijnpersen enz... . Van de pottenbakkers werden recent (2009 en 2014) aanwijzingen aangetroffen in de Naamsestraat (Heilig Hart Kliniek) en de Vesaliusstraat (Kenis & Reekmans 2014). Ook talrijke watermolens waren op dat ogenblik werkzaam in Leuven.

In 1425 startte men met de verbouwing van de romaanse Sint-Pieterskerk tot een grotere gotische kerk en kort daarna werd het zuidelijk kerkhof (waar in 1992 en 1996/ 1998 kleine archeologische ingrepen gebeurden; Lodewyckx & Van Ermen 1993; Vandekerchove 1997, 1998, 1999, 2001) opgeheven en ontruimd (1433) om plaats te maken voor de Grote Markt. Rond deze nieuwe markt werd het stadhuis opgericht als nieuw bestuurscentrum op de plaats waar vroeger het Steen stond, één van de oudste patriciërswoningen van de stad. Al in de jaren tachtig van vorige eeuw werd op deze plaats door studenten archeologie van de Katholieke Universiteit Leuven een noodonderzoek uitgevoerd (Cramers 1981). Het Tafelrond, centrum van de ambachten, werd aan de noordzijde van de Grote Markt gebouwd en met de nieuwe economische ontwikkeling achtte men het opportuun om pleinen waarop de markten plaatsvonden te vernieuwen en heraan te leggen.

Voor de beveiliging en de verdediging van Leuven werden in deze periode de Sint-Jorisgilde (kruisbogen) en Sint-Sebastiaangilde (handboogschutters) opgericht. Zij speelden een belangrijke rol als stedelijke milities. Tijdens deze heropbloei werden binnen de historische stadskern nog nieuwe kloosters gesticht: van de alexianen of cellebroeders in 1404, grauwzusters in 1410, karmelieten in 1431, de priorij van Sint-Maartensdal in 1433, de cellezusters in 1438, kartuizers in 1489, ... . Op de site van dit laatste klooster voerde de Katholieke Universiteit Leuven in 2010 archeologisch proefsleuven onderzoek uit en werden resten van de kloosterkerk, de kloostergang, de kapellen en het kerkhof geregistreerd (Lodewyckx & Meirsman 2010). Als opvang voor armen, zieken en reizigers werden meerdere godshuizen opgericht: het Godshuis van de twaalf apostelen het Godshuis van de zeven slapers en het Godshuis voor arme weesmeisjes.

In de 15de eeuw werd de Universiteit van Leuven gesticht door hertog Jan IV van Brabant (1425) alsook meerdere onderwijsgebouwen, pedagogieën en colleges. In de daarop volgende eeuwen zal dit steeds een uitbreiding kennen binnen de stad. In meerdere van deze gebouwen en tuinen werden archeologische onderzoeken uitgevoerd: de tuin van het Savoyecollege (Vandekerchove 1996-1998), het Iers college (Wouters 2003; Lodewyckx & Vandekerchove 2003; Lodewyckx & Wouters 2004), en het Van Dale college (Hanssens 1982), de Valk (Vandekerkhove 1995; Opsteyn & Vandekerchove 1996).

Op het einde van de 15de en het begin van de 16de eeuw kende Leuven een ware crisis die leidde tot een dieptepunt in de geschiedenis van de stad. Toch was er een korte heropleving en kende men een zekere economische welvaart. Ook al beleefde Leuven een crisisperiode toch werden er tal van nieuwe kloosters en godshuizen in de stad opgericht zoals het klooster van de clarissen 1513 waarvan in 1989 een waterput werd onderzocht tijdens de graafwerken op het Ladeuzeplein (Colen & De Clerck 1989).

Vanaf het midden van 16de eeuw braken er donkere tijden aan voor Leuven. Na een korte heropleving onder Albrecht en Isabella in het begin van de 17de eeuw bleef Leuven de rest van deze eeuw volledige onbelangrijk. Het enige wat de stad nog overvloedig bezat, waren kloosters. Leuven weerstond in 1635 een beleg door Franse en Hollandse troepen, maar na de vrede van Munster in 1648 kon de stad door nieuwe impulsen langzaamaan opnieuw groeien.

Vanaf het Oostenrijkse bewind en met de komst van de industrie bloeide Leuven weer op. Het aantal inwoners, studenten en kloosterlingen nam toe en nieuwe kapellen en kerken zoals de Sint-Michielskerk 1667 in de Naamsestraat, worden gebouwd. In 1750 verplaatste de handelsactiviteit zich van de Vismarkt naar de Vaartkom waar de nieuwe vaart dienst deed als economische handelsader van de stad. Een nieuwe industriële ontwikkeling gebeurt rond deze vaartkom en er werden opslagplaatsen opgetrokken, zoals het Entrepot. In september 2014 werden hiervan funderingsresten aangetroffen tijdens de registratie van een toevalsvondst (Vynckier, in voorbereiding). Door deze ontwikkelingen komt er steeds meer bedrijvigheid in de stad en worden vooral rond de waterwegen, molens, brouwerijen en andere nijverheden opgericht. De gilden en ambachten floreerden weer en vooral de brouwers kenden een enorme bloei. Zij richtten het Brouwershuis op aan de Grote Markt, dat in 1870 werd afgebroken bij de aanleg van de nieuwe Statiestraat (huidige Bongenotenlaan). Nieuwe steenwegen, waarvoor delen van de stadsomwalling en vooral de poorten worden afgebroken, maken de stad toegankelijker. Ook de universiteit groeit in deze periode en nieuwe wetenschapsfaculteiten (geneeskunde en exacte wetenschappen) en nieuwe colleges worden opgericht. Op het einde van de 18de eeuw werden door Jozef II vele kloosters afgeschaft en de vrijgekomen terreinen komen in privaathanden terecht. Ook de kerkhoven verdwijnen uit het stadsbeeld en worden vervangen door nieuwe buiten de stad, zoals het kerkhof van de voormalige Sint-Michielskerk op het Herbert Hooverplein, waar tijdens een archeologisch onderzoek talrijke skeletresten, waarschijnlijk afkomstig van het opgeruimde kerkhof, werden aangetroffen (Lodewijckx & Van Ermen 1993).

Tijdens de 19de eeuw groeide Leuven verder en werd de stedelijke kern volgebouwd. De buitenste ringmuur en bijhorende poorten werden in het kader van de nieuwe stadsontwikkeling volledig afgebroken (vanaf 1805) en nieuwe pleinen en straten gecreëerd. Ook tijdens het daaropvolgende Hollands bewind ging de ontmanteling van de stadswallen (1812-1828) en poorten. Na de onafhankelijkheid van België kwam er in Leuven een spoorweg (1837) en een eenvoudig station (1842) later vervangen door het huidige station (1879) en zou de stad nieuwe industriële ontwikkeling kennen langs de vaart (brouwerijen, lederbewerking, metaalverwerking, …). Op de resten van de middeleeuwse watermolens komen nieuwe industriële watermolens, brouwerijen en water-gebonden bedrijven. Sommige van de opgeheven kloosters en colleges worden omgebouwd tot kazernes en op andere ontmantelde kloosterterreinen komen nieuwe industriële ontwikkelingen. In 1838 wordt het stadsontwikkelingsplan 'Laenen' uitgevoerd met de aanleg van nieuwe, rechtere en bredere straten en pleinen, waaronder de nieuwe Statiestraat en de Blijde Inkomstraat, waardoor sommige oudere stadsdelen verdwijnen en waardevolle gebouwen afgebroken worden, zoals het Brouwershuis (1870). Door de toenemende slechte hygiëne in de stad worden de Dijle en de Voer overwelfd waardoor er nieuwe straten ontstaan zoals de Kapucijnenvoer, Craenendonck, Vismarkt en Karel van Lotharingenstraat.

In de 20ste eeuw kent Leuven een bewogen geschiedenis. In de Eerste Wereldoorlog slaat het noodlot toe en wordt Leuven door de bezetter in brand gestoken waardoor vele waardevolle private en openbare gebouwen verdwijnen (zoals het Vleeshuis, het Driutiuscollege en het Wittevrouwenklooster) en de universiteitsbibliotheek helemaal afbrandt. Tijdens de wederopbouw verdwijnen private en historische gebouwen om plaats te maken voor een wederopbouwprogramma en tegelijkertijd worden straten heraangelegd.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naar gelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een oude burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een prestedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdende met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimtes tussen de bebouwde kern en strategische elementen zoals de rivieroever worden mee opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Digitaal beschermingsdossier 4.001/24062/111.1, Leuven: De Keizersberg (K. Cousserier, 2014).

Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

BERKERS M., DECEUNINCK M., DE LANGHE K., DE MAEYER W., FATH B., RIBBENS R. & VANHOLME N. 2007: Archeologisch onderzoek op het Barbarahof in Leuven, Archeologie 2007. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 10-12.

BERKERS M., DECEUNINCK M., DE LANGHE K., DE MAEYER W., FATH B., RIBBENS R. & VANHOLME N. 2008: Archeologisch onderzoek op het Barbarahof in Leuven (23 april tot 21 september 2007), Archaeologia Mediaevalis 31, 14-21.

BOONEN W. 1880: De geschiedenis van Leuven geschreven in de jaren 1593 en 1594, Leuven.

BUSSELEN S. & COOLEN C. (red.) 1986: In Leuven verdiept, s.l.

COCKX E. & HUYBENS G. 2003: De Leuvense prentenatlas: zeventiende-eeuwse tekeningen uit de Kon. Bibliotheek te Brussel, Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en Omgeving 66, 1 & 2, Leuven.

COENEGRACHTS T. 2010: De eerste stenen stadsmuur van Leuven, Terra Incognita. Annual Review of Archaeological Master Research in Flanders (Belgium) 2010, 27-42.

COLEN C. & DE CLERCK M. 1989: Het archeologisch onderzoek op het Mgr. Ladeuzeplein te Leuven, Hona 24.2, 2-11.

CRAMERS D. 1981: Stadsarcheologie in Leuven (Br.), Archaeologia Mediaevalis 4, 40.

CRAMERS D. & VAN IMPE J. 1980: Leuven (Brab.): Romeinse vondsten, Archeologie 1, 15.

CRAMERS D. & VAN IMPE J. 1981: Romeinse vondsten te Leuven, Mens en Grondspoor 1, 1-2.

CRAMERS D. & VAN IMPE J. 1981: Romeinse en middeleeuwse vondsten te Leuven, Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en Omgeving 21, 95-111 en 110-130.

CRAMERS D. & VAN IMPE J. 1981: Leuven: site Brouwersstraat, in PROVOOST A. (red.): Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant. Opgravingen en vondsten in Bierbeek, Hoegaarden, Holsbeek, Landen, Leuven, Opheylissem, Orp-le-Grand, Rotselaar en Tienen, 36-38, 39-40.

DE MAEYER W., DECEUNINCK M., BERKERS M, DE LANGHE K., FATH B., RIBBENS R., VANHOLME N. & DE GROOTE K. 2008: Leuven. Barbarahof. Archeologische opgraving.

DEREZ M. 1988: Een plein voor een bibliotheek. Bij de vijftigste verjaardag van het project Lacoste (1938). Ex officina Bulletin van de vrienden van de Leuvense universiteitsbibliotheek 5 (1-2-3), 10-47.

DESMET P. 1980: Het fysisch milieu, Arca Lovaniensis artes atque historiae reserans documenta 7, 16-26.

DEVROE A. & CLAESEN J. 2012: De Sint-Geertruiabdij te Leuven. Het archeologisch vooronderzoek in de noordelijke en oostelijke pandgang. Archeologie 2012. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 10-12.

DEVROE A. & CLAESEN J. 2012: Archeologische prospectie in de bodem. Leuven - Sint-Geertruiabdij, Archebo-rapport 2012/08, Kortenaken.

DEVROE A. & CLAESEN J. 2013: Archeologische opgraving Leuven - Half Maartstraat (Sint-Geertruiabdij). Addendum bij ARCHEBO-rapport 2012/08, Kortenaken.

GYSSELING M. 1960: Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) I, 610.

HANSSENS F. 1982: Leuven: stadsarcheologie, Archeologie 1, 30-31.

HANSSENS F. & BUSSELEN S. 1982: Stadsarcheologie te Leuven (Br.), Archaeologia Mediaevalis 5, 47.

KENIS R. & REEKMANS P. 2014: Archeologische onderzoeken in Leuven, Nieuwsbrief Leuvens Historische Genootschap 42, 34-35.

LA RIVIERE J. 2006: De Dijle in Leuven, een vloek en een zegen. Een relaas van 115 jaar waterbeheersing 1891-2006, Brussel.

LODEWIJCKX M., B. FRANÇOIS & G. DE VOCHT 2004: Leuven: archeologisch onderzoek in de Zeelstraat (Vl.-Brab.), Archaeologia Mediaevalis 27, 79-80.

LODEWIJCKX M. & MEIRSMAN E. 2010: Archeologisch proefsleuvenonderzoek op de locatie van de voormalige kerk en kloostertuin van het Kartuizerklooster te Leuven, Rapport Onderzoekseenheid Archeologie K.U. Leuven, Leuven.

LODEWIJCKX M, FRANCOIS B. & DE VOCHT G. 2013: Verslag van het archeologisch onderzoek op de binnenkoer aan de Zeelstraat te Leuven, Jaarboek 2013, Leuvens Historisch Genootschap, 107-175.

LODEWIJCKX M. & VAN ERMEN E. 1993: Skeletten in de stad - Leuven (Brab.), Archaeologia Mediaevalis 16.1, 76-77.

LODEWIJCKX M. & VANDEKERCHOVE V. 1996: Stadsarcheologisch onderzoek Leuven: sporen in de Dijle (Vl. Brab.), Archaeologia Mediaevalis 19, 51-53.

LODEWIJCKX M., VERBEECK M. & DECKERS J. 1993: De middeleeuwse stadsmuur van Leuven ter hoogte van het Hogeheuvelcollege (Brab.), Archaeologia Mediaevalis 16, 1, 77-78.

LODEWIJCKX M. & WOUTERS M. 2003: Onderzoek in het Iers College te Leuven (Vl.-Br.), Archaeologia Mediaevalis 26, 117-119.

LODEWIJCKX M. & WOUTERS M. 2004: Archeologisch onderzoek in het Iers college te Leuven, http://www.arts.kuleuven.be/wea/Iers/index.htm.

MAESSCHALCK A. & VIANE J. 1979: Het stadhuis van Leuven, Arca Lovaniensis artes atque historiae reserans documenta 6.

MERTENS J. 1961: Archeologie en geschiedenis, Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving 2, 115-139.

MERTENS J. 1986: Archeologie en geschiedenis. Enkele resultaten van het oudheidkundig onderzoek in Noord-Oost-Brabant, Acta Archaeologica Lovaniensia 25, 134—139

MERTENS J. 1986: De romaanse krocht en de oudere Sint-Pieterskerk te Leuven, Acta Archaeologia Lovaniensia 25, 1-23.

MEULEMANS A. 2004: Huizen en straten van het oude Leuven, Jaarboek van het Leuvens historisch genootschap 42/1-2.

OPSTEYN L. & VANDEKERCHOVE V. 1996: Archeologische vondsten bij de aanleg van een containerput in het college "De Valk" aan het Mgr. Ladeuzeplein in Leuven (Vl. Brab.), Archaeologia Mediaevalis 19, 61-62.

PERSOONS E., STAES J. & OOSTERLYNCK 1984: Steden van België, Leuven. Brussel.

PROVOOST A. & VAES J. (red.) 1980: Leuven graaft naar zijn verleden, Leuven.

PROVOOST A. (red.) 1981: Blik op het bodemarchief van Oost-Brabant. Opgravingen en vondsten in Bierbeek, Hoegaarden, Holsbeek, Landen, Leuven, Opheylissem, Orp-le-Grand, Rotselaar en Tienen, Leuven.

REEKMANS P. & KENIS R. 2012: Tijdslijn van Leuven, mensen en feiten, Jaarboek 2012, Leuvens Historisch Genootschap.

REYGEL P. & WESEMAEL E. 2011: Archeologische opgraving aan de Wolvengang te Leuven. Onderzoek uitgevoerd in opdracht van de stad Leuven, ARON-Rapport 120, Sint-Truiden.

REYGEL P. & WESEMAEL E. 2011: Prospectie met ingreep in de bodem aan de zuidelijke toegang van de Keizersberg te Leuven, Aron-Rapport 126, Sint-Truiden.

REYGEL P. 2012: De Keizersberg van Leuven. Een archeologisch onderzoek naar de zuidelijke toegang, Archeologie 2012, Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 6-9.

SEVENANTS W., DEVROE A., LANGOHR R., MIKKELSEN J.H. & VANNIEUWENHUYZE B. 2010: Archeologische evaluatie en waardering van de site Keizersberg (Leuven, provincie Vlaams-Brabant), Triharch 2010-7, Erps-Kwerps, 143.

SMEETS M. & DE RUE Y. 2012: Als potten spreken konden – Het dagelijks leven op het Fochplein op basis van het ceramiekonderzoek, Jaarboek 2012, Leuvens Historisch Genootschap, 43-66.

SMEETS M. & VANDER GINST V. 2012: Het archeologisch onderzoek op het Fochplein te Leuven, Archeo-rapport 94, Kessel-Lo.

SMEETS M. & VANDER GINST V. 2012: Duizend jaar Fochplein – De resultaten van het archeologisch onderzoek, Jaarboek 2012, Leuvens Historisch Genootschap, 11-42.

SMEETS M. 2013: Het archeologisch vooronderzoek aan de Naamsestraat - Verkortingstraat te Leuven, Archeo-rapport 163, Kessel-Lo.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-Rapport 5, Brussel.

VANDEKERCHOVE V. 1995: Leuven: het project Dreyfus. (Brabant), Onuitgegeven Archeologische jaarkroniek Vlaanderen 1995.

VANDEKERCHOVE V. 1996: Menselijke resten op de Grote Markt te Leuven, Onuitgegeven Archeologische jaarkroniek Vlaanderen 1996.

VANDEKERCHOVE V. 1996: De herontdekte resten van het Savoyecollege in de tuin van het Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens te Leuven, Onuitgegeven Archeologische kroniek Vlaanderen 1996.

VANDEKERCHOVE V. 1996: Het Augustijnerklooster op de Vismarkt te Leuven, Onuitgegeven Archeologische jaarkroniek Vlaanderen 1996.

VANDEKERCHOVE V. 1996: Een waterput in de Mechelsestraat nr. 145-147, Onuitgegeven Archeologische jaarkroniek Vlaanderen 1996.

VANDEKERCHOVE V. 1997: Archeologische proefsleuven op de Grote Markt, Onuitgegegeven Archeologische jaarkroniek Vlaanderen 1997.

VANDEKERCHOVE V. 1997: De herontdekte resten van het college van Savoye in de museumtuin, Onuitgegeven Archeologische jaarkroniek 1997.

VANDEKERCHOVE V. 1997: Stadsarcheologisch onderzoek te Leuven (Vl. Br.), Archaeologia Mediaevalis 20, 81-83.

VANDEKERCHOVE V. 1998: De archeologische zoektocht naar de middeleeuwse Leuvenaar (Vl.-Brab.), Archaeologia Mediaevalis 21, 57-60.

VANDEKERCHOVE V. 1999: Archeologisch noodonderzoek te Leuven, Archaeologia Mediaevalis 22, 75-78.

VANDEKERCHOVE V. 2000: Onderzoek tijdens de werken aan de stationsomgeving te Leuven, Archaeologia Mediaevalis 23, 98-103.

VANDEKERCHOVE V. 2001: The Medieval Burial Ground Surrounding Saint Peter's Minster of Leuven. The Archaeological Excavation in 1997, in LODEWIJCK M. (ed.): Belgian Archaeolgy in a European Setting I. Album Amicorum Prof. J.R. Mertens (°1921), Acta Archaeologicae Lovaniensia Monographiae 12, 175-182.

VANDEKERCHOVE V. 2003: Van bodemarchief tot museumcollectie, Leuven.

VANDEKERCHOVE V. 2003: De Diestsepoort als bodemarchief. Resultaten van het archeologische onderzoek in 1998 en 1999. In: COCKX E. & HUYBENS G. (red.), De Leuvense prentenatlas: Zeventiende-eeuwse tekeningen uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, 707-709.

VANDEKERCHOVE V. & LODEWIJCKX M. 1995: Sporen in de Dijle te Leuven. (Brabant), Onuitgegeven Archeologische jaarkroniek Vlaanderen 1995.

VANDEKERCHOVE V. & OPSTEYN L. 1995: Archeologische vondsten bij de aanleg van een containerput in het college "De Valk" aan het Mgr. Ladeuzeplein te Leuven. (Brabant), Onuitgegeven Archeologische jaarkroniek Vlaanderen 1995.

VANDERGINST V. & SMEETS M. 2014: Het archeologisch vooronderzoek aan de Naamsestraat 58-60 te Leuven, Archeo-Rapport 204, Kessel-Lo.

VAN EVEN G. E. 1895: Louvain dans le passé et le présent, s.l., 4 en 9.

VAN IMPE J. & CRAMERS D. 1981: Annex 2: Vetus Castellum, Aborg: spookkasteel?, Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige kring voor Leuven en omgeving 21, 165-167.

VAN RANSBEECK L. 2012: Archeologisch onderzoek Kloosterhotel (Vlaams-Brabant), Archaeologia Mediaevalis 35, 232-233.

VAN RANSBEECK L., BELDÉ G. & LEFERE M. 2012: Archeologische opgraving Leuven Kloosterhotel (prov. Vlaams-Brabant), Group Monument 2012/04.

VERBEECK M. 1982: Archeologische inventaris van Noordoost-Brabant. Kaartbladen 24/5-6 en 32/1-2. NGI op 1 : 25000, onuitgegeven licentiaatsthesis Katholieke Universiteit Leuven.

VYNCKIER G. 2012: Rapportage toevalsvondst: Vaartkom Leuven (Prov. Vlaams-Brabant), onuitgegeven rapport, Brussel.

VYNCKIER G. 2012: Een toevalsvondst aan de Vaartkom in Leuven, Leuven Historisch, Driemaandelijkse nieuwsbrief 9.35, 14-17.

WESEMAEL E. 2011: Bouwhistorische en archeologische werfbegeleiding naar aanleiding van de restauratieopdracht 'Burchtmuur Keizersberg', Aron-Rapport 11, Sint-Truiden.

WOUTERS M. 2003: Opgravingen in het Iers College te Leuven, Archeologie 2003. Recent archeologisch onderzoek in Vlaams-Brabant, 14-15.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Leuven#Toponymie; (geraadpleegd op 15 oktober 2014).

http://nl.wikipedia.org/wiki/Leuven#Geschiedenis; (geraadpleegd op 15 oktober 2014).

GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Leuven [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/20526; (geraadpleegd op 15 oktober 2014).

DEBONNE V. 2010: Sint-Pieterskerk [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/42127; (geraadpleegd op 16 oktober 2014).

http://www.odis.be/pls/odis/opacuvw.toon_uvw_2?CHK=or_37423; (geraadpleegd op 17 oktober 2014).

http://www.kapucijnen-vlaanderen.be/opgeheven_huizen1.htm#7); (geraadpleegd op 17 oktober 2014).


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  Franckx, Etienne, Kenis, Ramon, Reekmans, Paul, Vynckier, Geert
Datum  : 2015


Relaties

  • Is gerelateerd aan
    Keizersberg

  • Is deel van
    Leuven

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Historische stadskern van Leuven [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140040 (Geraadpleegd op 03-06-2020)