Geografisch thema

Roeselare

ID: 13730   URI: https://id.erfgoed.net/themas/13730

Beschrijving

Gemeente van 36.332 inwoners (1998) en 2.394 hectare.

Gelegen in Zandlemig Vlaanderen en aan de industriële Mandelas; aan de Mandel en het kanaal Roeselare-Ooigem; aan de weg Brugge-Menen en de spoorlijn Brugge-Kortrijk. Matig golvend landschap met de Zilverberg als hoogste punt.

Hoofdplaats van het gelijknamig administratief arrondissement en gerechterlijk kanton. Dynamische streek zogenaam "Hart van West-Vlaanderen", aansluitend bij de Kortrijkse as. Stedelijk verzorgend centrum voor omgevende gemeenten: inkoopstad, wekelijkse markt, fruit- en groenteveiling (REO-veiling), vredegerecht, onderwijs en gezondheidszorg; Nationaal Wielermuseum.

Nijverheidscentrum: voornamelijk veevoeders, tevens textiel, bouwmaterialen, steenhouwerijen en houtzagerijen, zeepziederij, deegwaren, brouwerij, onder meer als reconversie van de vlasnijverheid. Voornaamste industrieterrein aan de haven.

Landbouwbedrijven met gemiddelde bedrijfsgrootte van 8,9 ha, nu met accent op de tuinbouw.

Oudste sporen van menselijke activiteit dateren uit het epi-paleolithicum (circa 9000 voor Christus). Eerste nederzettingen met woningen op palen en platforms situeren zich op de hoger gelegen zandruggronden aan de Mandel (Neolithicum).

Verwantschap tussen eerste bewoning en de naam Roeselare, afgeleid van rietpartij of moeras.

Prestedelijke kern ontstaan aan het kruispunt van de Romeinse heirbanen of diverticula Bavai-Rijsel-Menen-Roeselare-Brugge-Aardenburg en Doornik-Kortrijk-Wijnendale-Oudenburg; gebied bevloeid door de Mandel en de Sint-Amandsbeek. Roeselare ontwikkelt zich geleidelijk van een Romeinse villa over een vicus naar een kleine stedelijke kern.

822: eerste vermelding als "Roslar" in een oorkonde waarin Lodewijk de Vrome het gebied schenkt aan de Sint-Pietersabdij van Saint-Amand-les-Eaux in Noord-Frankrijk.

957: Boudewijn III de Jongere geeft toelating om de stad te versterken tegen de invallen van de Noormannen. Vermoedelijk betreft het 's Gravenwal, bij Sanderus (1641) aangeduid als een versterkte woning op een omwalde terp ten westen van de Sint-Michielskerk. Hetzelfde charter verschaft ook het privilege tot het houden van een wekelijkse markt. 1097: het patronaatsrecht van de kerk wordt toegewezen aan de abdij van Zonnebeke.

Circa 1250: Roeselare krijgt het stadsrecht van Margaretha van Constantinopel.

Bouw van het Sint-Jansgasthuis aan de Mandel, ter hoogte van het huidige Klein Seminarie in de Zuidstraat. Circa 1260: oprichting van hal met belfort, centraal op de Grote Markt.

De Heerlijkheid van Roeselare, beslaat het zogenaamde "Roeselare-Binnen" of "Schependom". "Roeselare-Buiten" is verdeeld over 23 heerlijkheden; enkele ervan hebben hun zetel in het "Schependom", andere bezitten er slechts afhankelijkheden. De voornaamste zijn de Heerlijkheid van Bruane, de Hazelt, Oostrem ter Heie en Schiervelde.

14de-15de eeuw: Roeselare fungeert als centrum van weefnijverheid. Keure van 1357 biedt bescherming tegen Gentse inmenging. In de loop van de 15de eeuw, geleidelijke recessie wegens de prijzenslag met de omringende concurrerende steden. 1488: inval en plundering door de huurlingen van Maximiliaan van Oostenrijk met verwoesting van onder meer de hal, belfort en Sint-Michielskerk als gevolg. Circa 1500: heropbouw van de verwoeste gebouwen in laatgotische stijl met financiële steun van Filips van Kleef, heer van Wijnendale.

16de eeuw: reconversie van de laken- naar de linnennijverheid. 1539-1540: poging tot het oprichten van een wekelijkse lijnwaadmarkt mislukt tengevolge de concurrerende markten van Kortrijk en Izegem.

De Beeldenstorm (1566) vernielt de inboedel van de Sint-Michielskerk en de heiligenbeelden van de stadshal. Door het uitbreken van de 80-jarige oorlog (1568-1648), uitwijking van ambachtslieden -onder meer talrijke wevers- en intellectuelen naar Duitsland, Engeland en voornamelijk Nederland.

17de eeuw: de rustperiode onder Albrecht en Isabella (1598-1621) leidt tot het herstel van de Sint-Michielskerk (1641) en de stadshal, de bouw van kloosterscholen als paters augustijnen (1635) en grauwzusters (1678); beide vormen de kern van de huidige onderwijsinstellingen resp. het Bisschoppelijk College of Klein Seminarie en de scholen van de grauwzusters Franciscanessen.

Tevens oprichting van een stadsschool. Opnieuw opstarten van de linnennijverheid. Bij Sanderus (1641) tekent zich een tweede marktplaats af, de zogenaamd "Nieuwe maert" ten noordwesten van de Grote Markt. Toch geen echte economische heropleving ten gevolge van de Frans-Spaanse oorlogen. 1704: het verwaarloosde belfort stort in en beschadigt de hal. 1711: bouw van een kleine, voorlopige hal met nieuwe locatie aan de zuidoostelijke marktzijde in plaats van centraal.

18de eeuw: vanaf 1713, vernieuwd elan onder het Oostenrijks bewind.

1751-1754: aanleg van de steenweg Brugge-Roeselare-Menen-Rijsel die in het stadscentrum samenvalt met de as Ieper-, Zuid- en Noordstraat. 1744-48, 1796: de Franse bezetting drijft de linnenproductie de hoogte in. 1769-1771: een nieuw stadhuis met hal vervangt de in 1749 afgebrande, voorlopige hal.

Eerste helft van de 19de eeuw: geleidelijke recessie in de linnenweverij, in se een huisnijverheid en niet opgewassen tegen de concurrentie van het mechanisch gesponnen garen uit Engeland.

Circa 1837: stoommachines voor het eerst ingezet in de brouwerijen Rodenbach en Cauwe.

Vanaf circa 1846 zorgen nieuwe infrastructuurwerken voor een heropleving van handel en nijverheid. 1846-1847, 1868, 1889: respectievelijk aanleg van spoorlijnen Brugge-Kortrijk, Roeselare-Ieper, -Menen. Jaren 1860: uitbreiding van wegennet onder meer van Roeselare naar Passendale, Hooglede, Oostnieuwkerke en Beveren. 1889: stoomtram naar Hooglede. 1862-1872: graven van het kanaal Roeselare-Ooigem.

De in de tweede helft van de 19de eeuw ingezette mechanisatie van de spin- en weefnijverheid leidt tot de bouw van fabrieken geconcentreerd aan de toen ook nieuwe waterspaarbekkens: het Grote Bassin op de Mandel, het Kleine Bassin op de Sint-Amandsbeek (1862-1863) en de Ronde Kom (1882). Hieruit voortvloeiende bevolkingsaangroei met stadsuitbreiding en onder meer stichting van nieuwe parochies tot gevolg. Ten noordoosten van de historische binnenstad, de Sint-Amandsparochie met burgerlijk karakter (1862-1872). Ten oosten, over de spoorweg, de arbeiderswijk zogenaamd "Spanje" of "Overstatie" met parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw (1876-1878). Ten zuiden van de Ooststraat, de Delaere- en de Sint-Alfonsusstraat in kruisvorm met in de oksel het in 1868-1871 gebouwde redemptoristenklooster. Eind 19de eeuw, verdere uitleg van de Sint-Amandsparochie met de belle époque-wijk zogenaamd "Barnum".

Voorts ook aangroei van scholen, medische en aanverwante instellingen; een evolutie voortgezet in de loop van het eerste kwart van de 20ste eeuw. Onder meer: vestiging van de zusters van de Heilige Vincentius à Paulo in 1818 resulterend in de huidige zogenaamd "Burgerschool", bouw van het Godshuis-hospitaal circa 1877-1881 als kern van het huidig Stedelijk Ziekenhuis met bijgaand bejaardentehuis.

Eerste Wereldoorlog: 19 oktober 1914, zogenaamd "Schuwe Maandag": oostelijke stadszijde verdedigd door de Fransen, gevechten langs het kanaal en in de Aardappelhoek. Circa 150 gebouwen -verspreid over de stad- door de Duitsers in de as gelegd zonder enig strategisch doel, onder meer op 20 oktober de pastorie van de Onze-Lieve-Vrouweparochie en de huizen in de Ommegangs-, Sint-Hubrechts- en Bruanestraat.

Roeselare bevindt zich in het Duitse "Etappengebiet" met aan de westelijke stadsgrens de "Flanderstellung". Garnizoenstad met inkwartiering van officieren bij burgers; soldaten verblijven onder meer in het arsenaal. De Duitse overheid legt beslag op het Klein Seminarie, het retraitenhuis der paters redemptoristen, de kloosters, het hospitaal en de grote vergaderlokalen. Tevens knooppunt van het Duits militair transport.

Ondanks de nabijheid van het front (circa 8 kilometer), beperkte verwoestingen tot juli 1917. Vanaf dan inzet van het Engels offensief en toename van luchtbombardementen met de verwoesting van het arsenaal tot gevolg.

Augustus 1917, eerste reddingspogingen in verband met het waardevol roerend erfgoed.

Aan Duitse zijde, gelijktijdige ontruiming van het westelijk stadsdeel gevolgd door in beslagname van de huizen. Op 25 november 1917, bevel tot volledige ontruiming van de stad, waarna de Duitsers de leegstaande gebouwen plunderen voornamelijk voor hout en metaal, onder meer in de Bollenstraat, Meensesteenweg; afbraak van huizen in de Mote-, Huidevetterstraat en westkant van het Sint-Michielsplein. In de loop van 1917, ook vernieling van weverijen. Vanaf februari 1918, intensivering van de plunderingen ingevolge de officiële Duitse richtlijnen omtrent het inzamelen van metaal.

Vanaf 7 januari 1918, aanleg van Duitse verdedigingswerken in het oostelijk stadsdeel; in september 1918, plaatsen van twee verdragende kannonnen op het oefenplein bij de Spanjemolen. 30 september 1918: opnieuw ontruiming van de stad en brandstichtingen.

14 oktober 1918: bevrijding door de Fransen. De Duitse aftocht veroorzaakt nog zware verwoestingen onder meer van bruggen over Collievijver- en Mandelbeek, in Sint-Michielskerk en Klein Seminarie, opblazen van kerktoren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk met de volledige vernieling tot gevolg.

Na wapenstilstand (11 november 1918): merkbare materiële schade en demografische achteruitgang. Langzame terugkeer van vluchtelingen. Langdurige en zeer nijpende woningnood, vnl. wat betreft de volkshuisvesting. Van de 5388 woningen in 1914 zijn er nog 1677 bewoonbaar, 2357 zijn totaal vernield en 1354 onbruikbaar. Talrijke fabrieken zijn ontmanteld en zowat alle fabrieksschoorstenen verwoest.

Vanaf juli 1919, oprichting van circa 300 barakken en voorlopige woningen. Onder meer barakkenwijk van het Koning Albertfonds op het plein aan de Spanjemolen (tussen Koorn-, Bruanestraat en Mandellaan). Bouw van vier semi-permanente woningen ter hoogte van de Ronde Kom met houten geraamte vervaardigd door de Dienst der Verwoeste Gewesten op initiatief van de gemeente; deze huizen zijn te weinig duurzaam zodat R. Doom zes nieuwe woningen ontwerpt. Ook de Belgische Boerenbond staat in voor de bouw van semi-permanente woningen.

1920: oprichting van de Samenwerkende Bouwmaatschappij "De Mandel" in het kader van de Roeselaarse woningnood; bouwen van 39 noodwoningen in het Mandelkwartier (onder meer in de Toekomststraat), als elementaire kernen van nadien te voltooien huizen -een idee van H. Hoste-; echter gesloopt in 1938.

Organisatie van de wederopbouw: Reeds in 1916 smeden de bewoners van de zwaar verwoeste Onze-Lieve-Vrouweparochie wederopbouwplannen voor een openbare marktplaats, waarna de gemeenteraad een wedstrijd uitschrijft.

10 juni 1919: opname van Roeselare in de aanneming van de vernielde gemeenten door de staat (zogenaamd "Adoptiewet" van 8 april 1919), waardoor de beslissingsbevoegdheid inzake het herstel van het openbaar domein, de infrastructuur en de wederopbouw van het gebouwenbestand nagenoeg exclusief in de handen komt van de Hoog Koninklijke Commissaris E. De Groote en de Toegevoegde Hoog Koninklijke Commissaris J. Vanden Berghe voor de sector Roeselare.

Vanaf 1917 werken A. Verhelle, R. Doom en J. Vermeersch, op initiatief van burgemeester J. Mahieu (1908-1946) aan een algemeen aanleg- en uitbreidingsplan, een verplichting voor de verwoeste gemeenten sinds de besluitwet van 25 augustus 1915. Moeizame plannenopmaak ten gevolge van het ontbreken van nodige kadastergegevens. Eerste plan van 1919 voorziet een stadsring waarop een fabriekskwartier, villapark en drie arbeiderswijken worden geënt, en het doortrekken van het kanaal doorheen het oostelijk stadsdeel (richting Diksmuide of Brugge, verbinding met de zee); het stadscentrum blijft grosso modo onveranderd. Tweede plan van 2 april 1919, gebaseerd op kadastergegevens en schadecontrole ter plaatse, verlengt het kanaal in een boog rondom de stad waardoor het geplande fabriekskwartier tussen de spoorlijn en het kanaal komt te liggen.

Het definitieve aanlegplan, gebaseerd op het tweede, wordt goedgekeurd op 29 december 1919: goedkeuring van rooilijnen, voorlopig enkel van toepassing voor de werkelijk vernielde gebouwen; de verlenging van kanaal wordt nog in beraad gehouden.

20 februari en 1 december 1922: goedkeuring, respectievelijk door gemeente en Hoog Koninklijke Commissaris, van het algemeen rooilijnplan, zijnde een sterke vereenvoudiging van het algemeen plan van aanleg. Behouden zijn de aanzet van een ring rondom de stad, de veranderingen in het stationskwartier, de nieuwe marktplaats aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk, het doortrekken van de Meensesteenweg tot aan het Sint-Michielsplein met de daaraan verbonden transformaties. Nieuw is de kerk tussen de Dokter Delbeke- en Jozef Demeesterstraat; deze Heilig Hart-kerk wordt uiteindelijk in de jaren 1930 aan de Hippoliet Spilleboutdreef gebouwd.

Op enkele details na wordt dit rooilijnenplan volledig gerealiseerd. 1923: project voor een insteekarm tot aan de Ardooisesteenweg als aanzet voor de verlenging van het kanaal. Transformaties aan Stationsplein kennen een lange nasleep; onteigeningen ingezet in 1925, bouw van station en verhoging van de sporen, eind van de jaren 1970. Daarentegen worden de andere rooilijnplannen stelselmatig gerealiseerd: verbreding van de Paters- en Leenstraat, en inrichten van de Onze-Lieve-Vrouwemarkt.

De volkshuisvesting vormt een belangrijke onderdeel van de wederopbouw; tussen 1919-1925, realisatie van meer dan 700 nieuwe woningen. In de periferie worden meer progressieve projecten gerealiseerd met name de Bataviawijk en het Meiboomkwartier respectievelijk ten noorden en zuidwesten van de stad als uitingen van eigentijdse huisvestingsprincipes gebaseerd op oudere tuinwijkgedachten. Tevens sociale woonwijken onder meer de Vredewijk tussen de Borstel-, Damberd- en Vijfwegenstraat en de heropbouw van de groepen huizen in de Blekerij-, Zwarte Leeuw- en Kattenstraat, het Mandelkwartier ten noordoosten van de stad en de stratengroep in omgeving van Zuidmolen- en Heropbouwstraat ten zuiden van de stad.

Drukke bouwactiviteit tussen 1921 en 1925; naast bijdrage van lokale architecten, ook inbreng van anderen, uit het hele Vlaamse land en Brussel.

Zowel in de wederopbouw als in de nieuwe bouw, weinig vernieuwende architectuur.

De vooroorlogse aandacht voor de architectuur aan de Grote Markt, komt bij de wederopbouw verder tot ontwikkeling, ondanks de beperkte verwoestingen aldaar.

Bij het eerste aanlegplan van 1919 is er ook een plan voor de Grote Markt met neogotische gevels die niet passen in de bestaande parcelering. Bij het tweede ontwerp van aanlegplan, opnieuw plannen voor gevelbehandeling van de Grote Markt, die richtinggevend zullen zijn (niet bewaard). De gemeenteraad besluit op 27 december 1919 toelagen te geven aan de eigenaars die hun voorgevel willen herstellen volgens het voorstel van R. Doom en J. Vermeersch in een art-decogetint regionalisme, om zo een architecturale eenheid van de Grote Markt te bekomen; de toelagen worden later niet door de Dienst der Verwoeste gewesten terugbetaald (weigering van 1924).

Heropbouwfeesten op 21 juni 1925.

Verdere evolutie: Na de wederopbouw, verdere demografische en economische expansie van de Roeselaarse regio met als gevolg een blijvende woningnood tot de jaren 1930.

1932: oprichting van de parochie van het Heilig Hart.

Tweede Wereldoorlog: naar aanleiding van de oorlogsdreiging op het einde van de jaren 1930 voorziet men onder meer de Spanjeschool in de Vierwegstraat, de school in de Noord-/Kokelarestraat en het arsenaal van schuilkelders. Tijdens de bezetting bouwen de Duitsers onder meer de communicatiebunker in de Sint-Hubrechtsstraat. De stad, die weinig schade van de Tweede Wereldoorlog ondervindt, wordt op 7-8 september 1944 bevrijd door de soldaten van de Eerste Poolse Pantserdivisie.

Het betoelagen van de woningbouw na de Tweede Wereldoorlog stimuleert het bouwen van sociale woonwijken in nieuwe gebieden rondom de stad: onder meer het zogenaamde "Siberië" (1949-1950), de uitbreiding van het Meiboomkwartier (1953-1955), de Westkouter (1953), het Prinsenkwartier, het Havenkwartier, de Beekkwartieren (1960-1970), het Biezenhof (1979-1981), de Klokkeput (1986-1990). Daarnaast worden talrijke privé-verkavelingen doorgevoerd.

Door de enorme expansie van de omringende gemeenten circa 1960, is Roeselare-stad onvoldoende uitgerust als centrum-gemeente. In de jaren 1970, verdere uitbouw van de infrastructuur: ophoging van de spoorwegbedding (1970-1975), zie het plan van 1922, voltooiing van de zwaaikom (1970), verbreding van het kanaal tot aan de Schaapsbrug (1975-1976), aansluiting bij de A 17 (Brugge-Kortrijk; 1977), ontsluiting van de stad door middel van de Grote Ring in 1980. Tevens ontstaan van nieuwe parochies: Sint-Jozef (1950) en Heilige Godelieve (1967).

Stadsplattegrond bepaald door de Grote Markt op het knooppunt van de Oost-, Noord- en Zuidstraat met ten westen de Sint-Michielskerk. Ten oosten, de spoorlijn Brugge-Kortrijk en het kanaal Roeselare-Ooigem; ten noorden en ten westen, de waterbassins onder meer op de nu grosso modo overwelfde Mandel. De in tweede helft van de 19de eeuw ingezette verstedelijking omvat nu ook de fusiegemeenten, waarrond de Grote Ring. De 19de-eeuwse industriële bedrijvigheid is verschoven van de binnenstad naar nieuwe terreinen ten oosten van de stad in aansluiting bij de haven. Nieuwe industrieterreinen ten noorden van de stad en ten oosten van de haven. Laatst genoemde met typische nijverheden als maalderijen en veevoederbedrijven.

Huidige gevelwanden voornamelijk uit de tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw.

Laat-gotiek vertegenwoordigd door de Sint-Michielskerk en de trapgevel van het klooster der grauwzusters.

Behouden 18de-eeuwse architectuur beperkt tot de barokkerk van het Klein Seminarie en de Lodewijk XVI-vleugel van het stadhuis.

Nog vrij rijk vertegenwoordigd 19de-eeuws patrimonium met voornamelijk heren-, burger- en arbeiderswoningen. Begin 20ste-eeuwse architectuur tot de Eerste Wereldoorlog, in de lijn van de traditionele architectuur uit de tweede helft van de 19de eeuw met neoclassicistisch getinte lijstgevels. Ook een aantal burgerhuizen met neo-Vlaamse-renaissance en neogotische ornamenten; tevens sporadisch bewaarde art-nouveaugebouwen. Ter hoogte van de voormalige Nieuwmarkt, concentratie van rijhuizen met poort naar achterliggende koer met nutsgebouwen, als typische woningen van de zogenaamde "Nieuwmarkters".

Tijdens het interbellum komen verschillende strekkingen tot uiting, zowel in de wederopbouw als in de nieuwe bouw: regionalisme, zowel historiserend als art-decogetint, art deco en geometrische art deco, en meer vooruitstrevende architectuur aansluitend bij de internationale "moderne stijl". Uitzonderlijke uitingen van de nieuwe zakelijkheid; interessante inbreng van de lokale architect J. De Bruycker zowel in de burgerlijke als in de industriële architectuur. Invloed van de de "moderne stijl" aangehouden in de architectuur na de Tweede Wereldoorlog. Anderzijds eclectische bouwtrant -voornamelijk in "Anglo-Normandische" stijl- typerend voor de jaren 1940-1950.

Schaars geworden hoevebestand als gevolg van de nog toenemende verstedelijking.

Doorsnee-hoeven uit de 19de eeuw, volgens Ferrariskaart (1770-1778) soms teruggaand op 18de-eeuwse kern onder meer met omwalling. Voornamelijk losse, lage bestanddelen. Na de Eerste Wereldoorlog, wederopbouwhoeven in de lijn van de 19de-eeuwse traditie.

Streekeigen hoevebestanddeel: de cichorei- en/of tabaksast, uit de 19de eeuw en het eerste kwart van de 20ste eeuw, nu meestal in onbruik of met andere functie, voonamelijk wegens reconversie naar de tuinbouw.

  • Straatinleidingen en historische notities: CALLEWAERT F., Van straten en steenwegen in Roeselare 1860-1865, in Mandeldal, XXI, 1996, 2, p. 30-34.
  • CALLEWAERT F., Deel 2: Van straten en steenwegen in Roeselare 1875-1900, in Mandeldal, XXI, 1996, 3, p. 50-62.
  • DENYS D., Toponymie van Roeselare, Roeselaars plaatsnaamkundig woordenboek, Kortemark-Handzame, 1982.
  • MUYLAERT F., Het Roeselare van toen. Een verzameling foto's en prentbriefkaarten aangevuld met beknopte historische gegevens, Brugge, 1984.
  • MUYLAERT F., Roeselare door de jaren heen, Roeselare, 1989.
  • BEEL S., CALLEWAERT F., Roeselare, Tielt, 1991.
  • DE BRUYNE M., Van laken tot laser. Historisch-ekonomische survey over de nijverige Mandelvallei, in Rollarius, XXI, 1992, 4, p. 135-145.
  • DE POTTER F., Schets eener Geschiedenis van de Stad Rousselare, Roeselare, 1875.
  • DOCHY B., Geschiedenis van de Stad Roeselare vanaf de oudste tijden tot heden, s.l., 1949.
  • MAES J., De wederopbouw van Roeselare na de eerste wereldoorlog, onuitgegeven licentiaatsverhandeling K.U.L., 1980-1981.

Bron     : De Gunsch A., Metdepenninghen C., Tansens A. & Vanneste P. 1999: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Roeselare, Kanton Roeselare, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 17N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 1999


Relaties